Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-11-12
ECLI:NL:RBZWB:2025:7737
Strafrecht
Op tegenspraak
1,137 tokens
Inleiding
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-184198-25
Vonnis (vul parketnummer in)van de meervoudige kamer van 12 november 2025
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2005 in [geboorteplaats] ,
nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting in [locatie] ,
raadsman mr. G.J.P.M. Mooren, advocaat in Tilburg.
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 oktober 2025, waarbij de officier van justitie mr. E. Kool en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
De zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaken tegen verdachte bekend onder de parketnummers 02-131066-25 en 02-239444-25.
2Tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte buitengewoon opsporingsambtenaar [aangever] heeft bedreigd.
3Voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en bepleit vrijspraak van de ten laste gelegde bedreiging. Verdachte ontkent [aangever] te hebben bedreigd en er zijn geen andere bewijsmiddelen die de aangifte van [aangever] ondersteunen.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal verdachte vrijspreken wegens gebrek aan wettig bewijs en overweegt daartoe het volgende.
Het bewijs dat een verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, kan niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van de aangever. Een uitzondering hierop geldt wanneer een opsporingsambtenaar zelf slachtoffer is van een strafbaar feit en dit vastlegt in een proces-verbaal van bevindingen. Het bewijs dat een verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd, kan namelijk wél worden aangenomen op het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar.
[aangever] heeft aangifte gedaan van bedreiging. De bedreiging is niet door hem als opsporingsambtenaar vastgelegd in een proces-verbaal van bevindingen. De aangifte van [aangever] heeft, in tegenstelling tot een proces-verbaal van bevindingen van een opsporingsambtenaar, geen bijzondere bewijskracht. Nu enkel uit de aangifte blijkt van een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en verdachte de bedreiging ontkent is niet voldaan aan het bewijsminimum.
De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit feit heeft begaan.
5Vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [aangever] vordert een schadevergoeding van € 400,00 voor het ten laste gelegde feit. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De verdachte wordt namelijk vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.
Dictum
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde feit;
Benadeelde partij
- verklaart de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.M. Schotanus, voorzitter, mr. D.H. Hamburger en mr. B. Akdikan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.S.S. Fanis, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 12 november 2025.
De jongste rechter en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv).
Artikel 344 lid 2 Sv.