Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-11-13
ECLI:NL:RBZWB:2025:7622
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,292 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/741
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2025 in de zaak tussen
[eiser]
, uit [plaats], eiser
en
de Staatssecretaris van Financiën, de staatssecretaris,
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de staatssecretaris van 12 juni 2025.
1.1.
Op 5 juni 2025 heeft een regiezitting plaatsgevonden waarbij met partijen onder meer gesproken is over het grote aantal beroepen dat door eiser is ingediend. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.
1.2.
Bij brief van 7 augustus 2025 heeft de staatssecretaris de rechtbank verzocht om in dit beroep zonder nadere zitting uitspraak te doen. Eiser heeft hiervoor ook toestemming gegeven.
Wat zijn de feiten?
2. Bij brief van 23 augustus 2024 heeft eiser een verzoek om openbaarmaking van FSV-informatie op grond van de Wet open overheid (Woo) ingediend. Bij besluit van 10 oktober 2024 (primair besluit) heeft de staatssecretaris het verzoek afgewezen.
2.1.
Bij brief van 19 november 2024 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het afwijzen van zijn verzoek. Bij brief van 8 januari 2025 heeft eiser de staatssecretaris in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar. Op 27 januari 2025 heeft eiser beroep wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift ingesteld.
2.2.
Bij besluit van 12 juni 2025 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift niet is ontvangen.
2.3.
Uit artikel 6:20, derde lid, van de Awb volgt dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking heeft op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoetkomt. Eiser heeft aangegeven zich niet te kunnen vinden in het bestreden besluit van 12 juni 2025.
Beoordeling
3. In dit beroep ligt aan de rechtbank de vraag voor of de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bezwaar niet-ontvankelijk is omdat het bezwaarschrift niet is ontvangen.
3.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser bij zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift een afschrift van zijn bezwaarschrift heeft gevoegd. Verder heeft eiser een verzendbewijs dat zijn bezwaar op 19 november 2024 ter post is aangeboden, bijgevoegd. Deze stukken zijn met een bevestiging van de ontvangst van het beroep op 24 februari 2025 ook naar de staatssecretaris gezonden. De staatssecretaris heeft vervolgens op 12 juni 2025 het bestreden besluit genomen.
4. De rechtbank is van oordeel dat eiser met het aanleveren van het verzendbewijs aannemelijk heeft gemaakt dat hij tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 10 oktober 2024. Dit betekent dat de staatssecretaris ten onrechte het bezwaarschrift niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Conclusie
5. Gelet op het voorgaande komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Het beroep is gegrond.
5.1.
De rechtbank draagt de minister op een nieuwe beslissing op eiser zijn bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De staatssecretaris krijgt hiervoor vier weken de tijd.
5.2.
Omdat het beroep van eiser gegrond is, moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart:
het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt de staatssecretaris op binnen vier weken na verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiser te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier, op 13 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.