Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-11-07
ECLI:NL:RBZWB:2025:7605
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,002 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5296
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 november 2025 in de zaak tussen
[verzoekster], uit [plaats], verzoekster
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noord-Beveland.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [plaats] (de vergunninghouder).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de vergunning voor het bouwen van een woning op het adres [adres] te [plaats]. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2.
Het college heeft de vergunning met het het besluit van 18 februari 2025 verleend. Met het bestreden besluit van 10 september 2025 op het bezwaar van verzoekster heeft het college de bezwaren ongegrond verklaard en een nieuwe vergunning verleend. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Vast staat dat de bouw van de woning ver gevorderd is. Alleen de kozijnen moeten nog in de muuropeningen worden geplaatst. Deze zijn al besteld.
Voorop staat dat een vergunninghouder een zeker risico neemt als hij zonder (onherroepelijke) vergunning bouwt. Als blijkt dat geen passende vergunning kan worden verleend, bestaat het risico dat het bouwwerk moet worden afgebroken of ingrijpend moet worden gewijzigd.
Nu de bouw al geruime tijd gaande is en verzoekster niet eerder een verzoek om een voorlopig voorziening heeft ingediend, brengt een afweging van de betrokken belangen met zich mee dat de door verzoekster beoogde schorsing van de vergunning in dit stadium van de bouw een te ver gaande maatregel is. De bouw wordt door het plaatsen van de kozijnen ook niet onomkeerbaar en zeker niet meer dan die al is. Daar tegenover staat dat vergunninghouder er in dit seizoen een groot belang bij heeft om de woning wind- en waterdicht te maken.
2.1.
Verzoekster heeft er vooral moeite mee dat de woning in gebruik kan worden genomen en geeft aan dat dit gevolgen heeft voor haar privacy en de sociale veiligheid. De voorzieningenrechter acht het oneigenlijk om de bouw van de woning stil te leggen om te voorkomen dat het perceel en de woning gebruikt kunnen worden voor een gebruik dat op grond van het omgevingsplan rechtstreeks is toegestaan.
De conclusie is dat er kennelijk onvoldoende spoedeisend belang is.
Conclusie
3. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, op 7 november 2025, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.