Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-11-03
ECLI:NL:RBZWB:2025:7555
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
8,044 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/436392 / JE RK 25-1055
Datum uitwerking: 3 november 2025
uitwerking van de verkorte beschikking van de kinderrechter van 21 oktober 2025 over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NEDERLAND,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
(hierna te noemen: de moeder) en [de vader] (hierna te noemen: de vader),
hierna samen genoemd: de ouders,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat mr. M. Janse te Halsteren.
[persoon]
,
hierna te noemen: de heer [persoon] ,
wonende te [plaats 2] ,
advocaat mr. W. Tiggelaar te Middelburg.
De kinderrechter merkt als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen van de Raad, ontvangen op 10 juni 2025;
het bericht van de Raad met als bijlage de reactie van de heer [persoon] op het Raadsrapport, ontvangen op 24 juli 2025;
het verweerschrift met bijlagen van mr. Janse, ontvangen 13 augustus 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2025. De kinderrechter heeft de zaak vanwege de samenhang gelijktijdig met zaaknummer C/02/400197 / FA RK 22-3473 behandeld. Op zaaknummer C/02/400197 / FA RK 22-3473 wordt per separate beschikking beslist. Tijdens de zitting waren aanwezig:
- de ouders, bijgestaan door hun advocaat;
- de heer [persoon] , bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
Feiten
2.1.
De moeder en de heer [persoon] zijn gehuwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van 22 juli 2021 is in het huwelijk van partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 3 september 2021 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.
2.2.
Tijdens het huwelijk van de moeder en de heer [persoon] is [minderjarige] geboren.
2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 20 juni 2023 is het verzoek van de vrouw tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de heer [persoon] over [minderjarige] toegewezen. Bij beschikking van 18 april 2024 van het hof ’s-Hertogenbosch is voornoemde beschikking bekrachtigd.
2.4.
Bij beschikking van deze rechtbank van 20 juni 2023 is bepaald dat [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de moeder heeft. Ook is bepaald dat de heer [persoon] en [minderjarige] voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar eenmaal per twee weken van vrijdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur alsmede eenmaal per twee weken op woensdagmiddag van 12.00 uur tot 18.00 uur. Daarnaast is bepaald dat de moeder de heer [persoon] steeds tijdig zal informeren omtrent het welzijn en de ontwikkeling van [minderjarige] .
2.5.
De vader heeft [minderjarige] erkend en de ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.6.
[minderjarige] woont bij de ouders.
2.7.
Bij beschikking van 10 december 2024 heeft de rechtbank de bij beschikking van 20 juni 2023 bepaalde voorlopige omgangsregeling voorlopig aangevuld ten aanzien van een deel van de (school)vakanties, feestdagen en overige dagen en de Raad voor de Kinderbescherming verzocht om voor 10 juni 2025 pro forma te rapporteren en te adviseren over de meest passende omgangsregeling voor [minderjarige] , de meest passende hulpverlening voor het gezinssysteem en de noodzaak voor het nemen van kinderbeschermende maatregelen.
2.8.
Bij vonnis in kort geding van 19 juni 2025 heeft de voorzieningenrechter de bij beschikking van 20 juni 2023 en 10 december 2024 bepaalde voorlopige omgangsregeling aangevuld ten aanzien van de zomervakantie 2025.
3. Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De Raad handhaaft het verzoek. [minderjarige] zit klem tussen (de strijd van) haar ouders en de heer [persoon] en de Raad maakt zich zorgen over het effect daarvan op de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige] , waaronder loyaliteitsproblematiek en het leven in twee werelden. De ouders (en de heer [persoon] ) zijn wel bereid, maar niet in staat om zelfstandig de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen. Ondanks de verschillende soorten hulpverlening in het vrijwillig kader is het niet gelukt om met elkaar te communiceren en de zorgen over [minderjarige] weg te nemen. De maatregel is nodig vanwege de complexiteit en gelaagdheid van de systemische problematiek, de omvang en duur van de zorgen en het ontbreken van zicht op een oplossing. De Raad stelt dat de heer [persoon] er belang bij heeft om aan de maatregel mee te werken. Als hij niet meewerkt, heeft dit gevolgen voor zijn verzoek ten aanzien van de omgangsregeling. Verder vindt de Raad het belangrijk dat [minderjarige] waarheidsgetrouwe statusvoorlichting krijgt en dat er wordt gestart met de hulpverlening vanuit GGZ.
4.2.
Uit het verweerschrift en zoals door en namens de ouders tijdens de zitting naar voren is gebracht, volgt dat zij zich veel zorgen over [minderjarige] maken. [minderjarige] ervaart lichamelijke en psychische klachten en door de hulpverlening is gesproken over een aanpassingsstoornis. De ouders zijn niet tegen de ondertoezichtstelling, maar vragen zich wel af of het doelmatig zal zijn. Er is geen dwang kader nodig, nu de ouders in het vrijwillig kader al hebben meegewerkt en nog steeds meewerken aan de hulpverleningstrajecten en hetgeen dat voor [minderjarige] nodig. Tot op heden zonder resultaat. Via de POH is [minderjarige] aangemeld bij GGZ en vanuit daar kan ook systeemtherapie worden ingezet. Als de maatregel wordt uitgesproken, kan dit vertragend werken voor de hulpverlening en dat is niet in het belang van [minderjarige] . De ouders ervaren immers dat het slechter gaat met [minderjarige] , net als tussen de ouders en de heer [persoon] . Daar komt bij dat de GI richting de heer [persoon] geen formele bevoegdheden heeft, waardoor de verhouding tussen de ouders en de heer [persoon] ongelijkwaardig kan worden en de maatregel niet of moeilijk uitvoerbaar kan zijn. De ouders vinden het meer in het belang van [minderjarige] als er rust en duidelijkheid over de omgangsregeling komt. Verder vinden zij het belangrijk dat de positie van de vader wordt erkend en dat [minderjarige] waarheidsgetrouwe statusvoorlichting krijgt en de volwassenen dit ook naar [minderjarige] uitdragen.
4.3.
Door en namens de heer [persoon] is aangevoerd dat hij het eens is met het verzoek. [minderjarige] zit klem tussen (de belangenstrijd van) de volwassenen en de ouders ondersteunen het contact tussen [minderjarige] en de heer [persoon] onvoldoende. Dit terwijl [minderjarige] graag bij de heer [persoon] is en er geen contra-indicaties zijn. Het lukt de ouders en de heer [persoon] niet zelfstandig om de zorgen over [minderjarige] weg te nemen. Er is veel hulpverlening ingezet, maar zonder resultaat. Daarom is het belangrijk dat de GI betrokken raakt en de belangen van [minderjarige] waarborgt en een rol speelt in de communicatie tussen de volwassenen en bij de omgang. De heer [persoon] vindt het verder belangrijk dat er hulpverlening voor zowel [minderjarige] als de ouders en de heer [persoon] komt en dat [minderjarige] alsnog een juiste statusvoorlichting krijgt.
4.4.
De GI geeft allereerst aan dat er op dit moment geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar is en dat er geen zicht is op welke termijn die er wel is. Verder erkent de GI dat [minderjarige] in haar ontwikkeling wordt bedreigd, maar het is de vraag of het dwang kader de oplossing is. De GI denkt dat de ouders zelfstandig de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] kunnen wegnemen, maar dat het tot op heden nog niet heeft gewerkt. Zo hebben zij aan veel hulpverlening meegewerkt. Gebleken is dat [minderjarige] ook al via de POH is aangemeld bij GGZ en dat vanuit daar ook systeemtherapie kan worden ingezet. Als de maatregel wordt uitgesproken, komt [minderjarige] mogelijk opnieuw op de wachtlijst. Daarom denkt de GI dat de maatregel juist vertragend zal werken. Ook nu de duidelijkheid en basis ten aanzien van de omgang ontbreekt en de GI formeel niets kan als de heer [persoon] niet meewerkt.
Beoordeling
Wettelijk kader
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Beoordeling
5.2.
De kinderrechter zal het verzoek van de Raad om [minderjarige] onder toezicht van de GI te stellen voor de duur van een jaar afwijzen en legt dit hierna uit.
5.3.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter – met de aanwezigen – van oordeel dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Zij maakt zich grote zorgen over [minderjarige] binnen de strijd die door de volwassenen over de omgangsregeling wordt gevoerd. Door de spanningen en de strijd tussen de volwassenen is [minderjarige] inmiddels klem komen te zitten tussen de ouders en de heer [persoon] . Zij kampt met loyaliteitsproblematiek, ervaart lichamelijke en psychische klachten en door de POHGZZ Jeugd wordt zelfs gesproken over een aanpassingsstoornis. Dat vindt de kinderrechter zeer zorgelijk. Het is de kinderrechter verder gebleken dat de ouders (en de heer [persoon] ) in de afgelopen jaren aan veel hulpverleningstrajecten in het vrijwillig kader hebben meegewerkt, maar zonder resultaat. De situatie voor [minderjarige] is zelfs verslechterd en de verstandhouding tussen de ouders en de heer [persoon] is meer verstoord en verhard geraakt. Zij stelt verder vast dat de ouders (en de heer [persoon] ) nog steeds bereid zijn om aan alle noodzakelijk geachte hulpverlening voor [minderjarige] mee te werken. Zo is [minderjarige] via de POH aangemeld bij GGZ en vanuit GGZ kan er ook systeemtherapie worden ingezet, welke hulpverlening kan starten zodra er duidelijkheid over de gezinssituatie en omgangsregeling is. De kinderrechter vindt het van groot belang dat de hulpverlening voor [minderjarige] en haar systeem zo snel mogelijk kan starten. Als [minderjarige] onder toezicht wordt gesteld, bestaat de kans dat [minderjarige] opnieuw op de wachtlijst wordt geplaatst en de inzet van de hulpverlening zal worden vertraagd. Dat vindt de kinderrechter niet in het belang van [minderjarige] . Daar komt bij dat de GI tijdens de zitting heeft aangegeven dat er op dit moment geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar is en dat er geen zicht is op de termijn waarop dit wel het geval is. Daarnaast heeft de GI richting de heer [persoon] binnen de ondertoezichtstelling geen formele bevoegdheden. Het eerdergenoemde maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat op dit moment niet te voorzien is of de ondertoezichtstelling doelmatig zal zijn. Zij vindt het meer in het belang van [minderjarige] als er rust en duidelijkheid komt over ieders rol en de omgangsregeling en dat [minderjarige] (en haar systeem) op zeer korte termijn met de hulpverlening gaan starten. Het bieden van rust en duidelijkheid heeft de rechtbank geprobeerd te creëren door in de zaak met zaaknummer C/02/400197 / FA RK 22-3473 de definitieve omgangsregeling voor [minderjarige] te bepalen. Hierbij heeft de rechtbank de rollen van de volwassenen in het leven van [minderjarige] willen bevestigen door de manier waarop het contact met [minderjarige] is geregeld, namelijk dat [minderjarige] bij haar (biologische en juridische) ouders opgroeit en geregeld een fijn contact met de heer [persoon] heeft. Om het een kans te geven en te kijken of het bepalen van de definitieve omgangsregeling voor duidelijkheid en rust zorgt en leidt tot het afwenden van de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] , zal de kinderrechter het verzoek tot ondertoezichtstelling afwijzen.
5.4.
De kinderrechter geeft nog mee dat zij van de ouders en de heer [persoon] verwacht dat zij zullen meewerken aan de hulpverlening voor [minderjarige] en het systeem zoals tijdens de zitting besproken en aan alle andere hulpverlening die [minderjarige] (in de toekomst) nodig zal hebben. Hieronder valt ook de waarheidsgetrouwde statusvoorlichting voor [minderjarige] . De kinderrechter vindt het verder belangrijk dat er systeemtherapie wordt ingezet. Tijdens de zitting hebben de volwassenen gezegd hieraan mee te werken. De kinderrechter verwacht en hoopt dat de ouders en de heer [persoon] zich aan deze toezeggingen zullen houden.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2025 in aanwezigheid van mr. Vork, griffier en op schrift gesteld op 3 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/436392 / JE RK 25-1055
Datum uitwerking: 3 november 2025
uitwerking van de verkorte beschikking van de kinderrechter van 21 oktober 2025 over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NEDERLAND,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
(hierna te noemen: de moeder) en [de vader] (hierna te noemen: de vader),
hierna samen genoemd: de ouders,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat mr. M. Janse te Halsteren.
[persoon]
,
hierna te noemen: de heer [persoon] ,
wonende te [plaats 2] ,
advocaat mr. W. Tiggelaar te Middelburg.
De kinderrechter merkt als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen van de Raad, ontvangen op 10 juni 2025;
het bericht van de Raad met als bijlage de reactie van de heer [persoon] op het Raadsrapport, ontvangen op 24 juli 2025;
het verweerschrift met bijlagen van mr. Janse, ontvangen 13 augustus 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2025. De kinderrechter heeft de zaak vanwege de samenhang gelijktijdig met zaaknummer C/02/400197 / FA RK 22-3473 behandeld. Op zaaknummer C/02/400197 / FA RK 22-3473 wordt per separate beschikking beslist. Tijdens de zitting waren aanwezig:
- de ouders, bijgestaan door hun advocaat;
- de heer [persoon] , bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
Feiten
2.1.
De moeder en de heer [persoon] zijn gehuwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van 22 juli 2021 is in het huwelijk van partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 3 september 2021 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.
2.2.
Tijdens het huwelijk van de moeder en de heer [persoon] is [minderjarige] geboren.
2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 20 juni 2023 is het verzoek van de vrouw tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de heer [persoon] over [minderjarige] toegewezen. Bij beschikking van 18 april 2024 van het hof ’s-Hertogenbosch is voornoemde beschikking bekrachtigd.
2.4.
Bij beschikking van deze rechtbank van 20 juni 2023 is bepaald dat [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de moeder heeft. Ook is bepaald dat de heer [persoon] en [minderjarige] voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar eenmaal per twee weken van vrijdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur alsmede eenmaal per twee weken op woensdagmiddag van 12.00 uur tot 18.00 uur. Daarnaast is bepaald dat de moeder de heer [persoon] steeds tijdig zal informeren omtrent het welzijn en de ontwikkeling van [minderjarige] .
2.5.
De vader heeft [minderjarige] erkend en de ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.6.
[minderjarige] woont bij de ouders.
2.7.
Bij beschikking van 10 december 2024 heeft de rechtbank de bij beschikking van 20 juni 2023 bepaalde voorlopige omgangsregeling voorlopig aangevuld ten aanzien van een deel van de (school)vakanties, feestdagen en overige dagen en de Raad voor de Kinderbescherming verzocht om voor 10 juni 2025 pro forma te rapporteren en te adviseren over de meest passende omgangsregeling voor [minderjarige] , de meest passende hulpverlening voor het gezinssysteem en de noodzaak voor het nemen van kinderbeschermende maatregelen.
2.8.
Bij vonnis in kort geding van 19 juni 2025 heeft de voorzieningenrechter de bij beschikking van 20 juni 2023 en 10 december 2024 bepaalde voorlopige omgangsregeling aangevuld ten aanzien van de zomervakantie 2025.
3. Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De Raad handhaaft het verzoek. [minderjarige] zit klem tussen (de strijd van) haar ouders en de heer [persoon] en de Raad maakt zich zorgen over het effect daarvan op de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige] , waaronder loyaliteitsproblematiek en het leven in twee werelden. De ouders (en de heer [persoon] ) zijn wel bereid, maar niet in staat om zelfstandig de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen. Ondanks de verschillende soorten hulpverlening in het vrijwillig kader is het niet gelukt om met elkaar te communiceren en de zorgen over [minderjarige] weg te nemen. De maatregel is nodig vanwege de complexiteit en gelaagdheid van de systemische problematiek, de omvang en duur van de zorgen en het ontbreken van zicht op een oplossing. De Raad stelt dat de heer [persoon] er belang bij heeft om aan de maatregel mee te werken. Als hij niet meewerkt, heeft dit gevolgen voor zijn verzoek ten aanzien van de omgangsregeling. Verder vindt de Raad het belangrijk dat [minderjarige] waarheidsgetrouwe statusvoorlichting krijgt en dat er wordt gestart met de hulpverlening vanuit GGZ.
4.2.
Uit het verweerschrift en zoals door en namens de ouders tijdens de zitting naar voren is gebracht, volgt dat zij zich veel zorgen over [minderjarige] maken. [minderjarige] ervaart lichamelijke en psychische klachten en door de hulpverlening is gesproken over een aanpassingsstoornis. De ouders zijn niet tegen de ondertoezichtstelling, maar vragen zich wel af of het doelmatig zal zijn. Er is geen dwang kader nodig, nu de ouders in het vrijwillig kader al hebben meegewerkt en nog steeds meewerken aan de hulpverleningstrajecten en hetgeen dat voor [minderjarige] nodig. Tot op heden zonder resultaat. Via de POH is [minderjarige] aangemeld bij GGZ en vanuit daar kan ook systeemtherapie worden ingezet. Als de maatregel wordt uitgesproken, kan dit vertragend werken voor de hulpverlening en dat is niet in het belang van [minderjarige] . De ouders ervaren immers dat het slechter gaat met [minderjarige] , net als tussen de ouders en de heer [persoon] . Daar komt bij dat de GI richting de heer [persoon] geen formele bevoegdheden heeft, waardoor de verhouding tussen de ouders en de heer [persoon] ongelijkwaardig kan worden en de maatregel niet of moeilijk uitvoerbaar kan zijn. De ouders vinden het meer in het belang van [minderjarige] als er rust en duidelijkheid over de omgangsregeling komt. Verder vinden zij het belangrijk dat de positie van de vader wordt erkend en dat [minderjarige] waarheidsgetrouwe statusvoorlichting krijgt en de volwassenen dit ook naar [minderjarige] uitdragen.
4.3.
Door en namens de heer [persoon] is aangevoerd dat hij het eens is met het verzoek. [minderjarige] zit klem tussen (de belangenstrijd van) de volwassenen en de ouders ondersteunen het contact tussen [minderjarige] en de heer [persoon] onvoldoende. Dit terwijl [minderjarige] graag bij de heer [persoon] is en er geen contra-indicaties zijn. Het lukt de ouders en de heer [persoon] niet zelfstandig om de zorgen over [minderjarige] weg te nemen. Er is veel hulpverlening ingezet, maar zonder resultaat. Daarom is het belangrijk dat de GI betrokken raakt en de belangen van [minderjarige] waarborgt en een rol speelt in de communicatie tussen de volwassenen en bij de omgang. De heer [persoon] vindt het verder belangrijk dat er hulpverlening voor zowel [minderjarige] als de ouders en de heer [persoon] komt en dat [minderjarige] alsnog een juiste statusvoorlichting krijgt.
4.4.
De GI geeft allereerst aan dat er op dit moment geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar is en dat er geen zicht is op welke termijn die er wel is. Verder erkent de GI dat [minderjarige] in haar ontwikkeling wordt bedreigd, maar het is de vraag of het dwang kader de oplossing is. De GI denkt dat de ouders zelfstandig de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] kunnen wegnemen, maar dat het tot op heden nog niet heeft gewerkt. Zo hebben zij aan veel hulpverlening meegewerkt. Gebleken is dat [minderjarige] ook al via de POH is aangemeld bij GGZ en dat vanuit daar ook systeemtherapie kan worden ingezet. Als de maatregel wordt uitgesproken, komt [minderjarige] mogelijk opnieuw op de wachtlijst. Daarom denkt de GI dat de maatregel juist vertragend zal werken. Ook nu de duidelijkheid en basis ten aanzien van de omgang ontbreekt en de GI formeel niets kan als de heer [persoon] niet meewerkt.
Beoordeling
Wettelijk kader
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Beoordeling
5.2.
De kinderrechter zal het verzoek van de Raad om [minderjarige] onder toezicht van de GI te stellen voor de duur van een jaar afwijzen en legt dit hierna uit.
5.3.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter – met de aanwezigen – van oordeel dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Zij maakt zich grote zorgen over [minderjarige] binnen de strijd die door de volwassenen over de omgangsregeling wordt gevoerd. Door de spanningen en de strijd tussen de volwassenen is [minderjarige] inmiddels klem komen te zitten tussen de ouders en de heer [persoon] . Zij kampt met loyaliteitsproblematiek, ervaart lichamelijke en psychische klachten en door de POHGZZ Jeugd wordt zelfs gesproken over een aanpassingsstoornis. Dat vindt de kinderrechter zeer zorgelijk. Het is de kinderrechter verder gebleken dat de ouders (en de heer [persoon] ) in de afgelopen jaren aan veel hulpverleningstrajecten in het vrijwillig kader hebben meegewerkt, maar zonder resultaat. De situatie voor [minderjarige] is zelfs verslechterd en de verstandhouding tussen de ouders en de heer [persoon] is meer verstoord en verhard geraakt. Zij stelt verder vast dat de ouders (en de heer [persoon] ) nog steeds bereid zijn om aan alle noodzakelijk geachte hulpverlening voor [minderjarige] mee te werken. Zo is [minderjarige] via de POH aangemeld bij GGZ en vanuit GGZ kan er ook systeemtherapie worden ingezet, welke hulpverlening kan starten zodra er duidelijkheid over de gezinssituatie en omgangsregeling is. De kinderrechter vindt het van groot belang dat de hulpverlening voor [minderjarige] en haar systeem zo snel mogelijk kan starten. Als [minderjarige] onder toezicht wordt gesteld, bestaat de kans dat [minderjarige] opnieuw op de wachtlijst wordt geplaatst en de inzet van de hulpverlening zal worden vertraagd. Dat vindt de kinderrechter niet in het belang van [minderjarige] . Daar komt bij dat de GI tijdens de zitting heeft aangegeven dat er op dit moment geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar is en dat er geen zicht is op de termijn waarop dit wel het geval is. Daarnaast heeft de GI richting de heer [persoon] binnen de ondertoezichtstelling geen formele bevoegdheden. Het eerdergenoemde maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat op dit moment niet te voorzien is of de ondertoezichtstelling doelmatig zal zijn. Zij vindt het meer in het belang van [minderjarige] als er rust en duidelijkheid komt over ieders rol en de omgangsregeling en dat [minderjarige] (en haar systeem) op zeer korte termijn met de hulpverlening gaan starten. Het bieden van rust en duidelijkheid heeft de rechtbank geprobeerd te creëren door in de zaak met zaaknummer C/02/400197 / FA RK 22-3473 de definitieve omgangsregeling voor [minderjarige] te bepalen. Hierbij heeft de rechtbank de rollen van de volwassenen in het leven van [minderjarige] willen bevestigen door de manier waarop het contact met [minderjarige] is geregeld, namelijk dat [minderjarige] bij haar (biologische en juridische) ouders opgroeit en geregeld een fijn contact met de heer [persoon] heeft. Om het een kans te geven en te kijken of het bepalen van de definitieve omgangsregeling voor duidelijkheid en rust zorgt en leidt tot het afwenden van de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] , zal de kinderrechter het verzoek tot ondertoezichtstelling afwijzen.
5.4.
De kinderrechter geeft nog mee dat zij van de ouders en de heer [persoon] verwacht dat zij zullen meewerken aan de hulpverlening voor [minderjarige] en het systeem zoals tijdens de zitting besproken en aan alle andere hulpverlening die [minderjarige] (in de toekomst) nodig zal hebben. Hieronder valt ook de waarheidsgetrouwde statusvoorlichting voor [minderjarige] . De kinderrechter vindt het verder belangrijk dat er systeemtherapie wordt ingezet. Tijdens de zitting hebben de volwassenen gezegd hieraan mee te werken. De kinderrechter verwacht en hoopt dat de ouders en de heer [persoon] zich aan deze toezeggingen zullen houden.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2025 in aanwezigheid van mr. Vork, griffier en op schrift gesteld op 3 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.