Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-11-05
ECLI:NL:RBZWB:2025:7548
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
13,028 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/1493
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2025 in de zaak tussen
mr. [eiser] , uit [plaats] , eiser
en
de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, de minister.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de beslissing op het bezwaar van 24 januari 2024 (bestreden besluit) waarin de minister het bezwaar van eiser gegrond heeft verklaard en, op grond van de Wet open overheid (Woo) aanvullend meer documenten (gedeeltelijk) openbaar heeft gemaakt. Eiser is het hier nog niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de (gedeeltelijke) openbaarmaking van de stukken.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister niet in redelijkheid de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder i van de Woo categorisch heeft kunnen toepassen op alle inzendingen voor het project Paarse krokodil. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 26 augustus 2023 heeft eiser een verzoek ingediend op grond van de Woo bij het Rijksvastgoedbedrijf (RVB). De minister heeft bij besluit van 25 maart 2023 een deel van de gevraagde informatie openbaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 24 januari 2024 heeft de minister het bezwaar gegrond verklaard en aanvullend meer documenten (gedeeltelijk) openbaar gemaakt.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en namens de minister mr. P.A. van Naamen en mr. A. Aydogdu.
Beoordeling
Woo-verzoek, primair besluit en bezwaar
3. Het Woo-verzoek ziet op hoofdstuk 7 en 8 van de Agentschapsdoorlichting Rijksvastgoedbedrijf 2016 – 2020 (Agentschapsdoorlichting). In het verzoek vraagt eiser om:
algemene informatie met betrekking tot de uitgewerkte en/of opgevolgde aanbevelingen en suggesties in de Agentschapsdoorlichting;
informatie en antwoord op vragen over het project ‘Paarse krokodil’ en hoe de ‘LEAN-Methodiek’ bij dit project is toegepast. Specifiek vraagt eiser informatie die vanuit de organisatie is opgehaald uit e-mails, documenten, correspondentie en hoe deze informatie is verwerkt;
informatie en antwoord op vragen over de ‘RVB 2.0’. Specifiek vraagt eiser of in 2023 andere/nieuwe conclusies kunnen worden getrokken over de ontwikkeling van ‘RVB 2.0’ en over het wegwerken van knelpunten bij het ‘VORS1 werken’. Eiser vraagt om hierbij te verduidelijken hoe de LEAN-Methode is toegepast;
informatie over hoe de conclusies en aanbevelingen van paragraaf 8.5 – over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het functioneren van het RVB tot nu toe – zijn verwerkt in 2023;
informatie over en antwoord op de vraag hoe de aanbeveling van paragraaf 8.6 – over het communiceren met stakeholders en aandacht over kennisbundeling en professionalisering – is uitgewerkt. In het bijzonder ziet dit onderdeel van het verzoek op de afdelingen verhuur en verkoop.
3.1.
Met het besluit van 25 maart 2023 heeft de minister een deel van de gevraagde informatie openbaar gemaakt. In bezwaar heeft eiser ook verzocht om de zoekvragen uit te breiden, namelijk om de beschikbare informatie, tussenrapportages en evaluaties over de conclusie en aanbevelingen van de Agentschapsdoorlichting te publiceren.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft het bezwaar gegrond verklaard omdat de verrichte zoekslag onvolledig en onjuist was. De minister heeft alsnog een extra aantal documenten (gedeeltelijk) openbaar gemaakt. Deze documenten en de toegepaste weigeringsgronden zijn genoemd op de inventarislijst bij het besluit.
Toetsingskader
5. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1.
Op grond van artikel 4.1, eerste lid, van de Woo kan eenieder een verzoek om publieke informatie richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. In het laatste geval beslist het verantwoordelijke bestuursorgaan op het verzoek. Het vierde lid bepaalt dat de verzoeker bij zijn verzoek de aangelegenheid of het daarop betrekking hebbende document vermeldt, waarover hij informatie wenst te ontvangen.
5.2.
Artikel 5.1, tweede lid bevat relatieve weigeringsgronden. Het bestuursorgaan moet het in de uitzonderingsgrond genoemde belang afwegen tegen het algemene belang bij openbaarheid van de betrokken informatie. Het uitgangspunt dat informatie openbaar is, weegt daarbij zwaar. Het specifieke belang van de verzoeker speelt in die belangenafweging geen rol, evenmin diens persoon of oogmerk.
Heeft de minister een juiste zoekslag toegepast en is geloofwaardig dat alles is gevonden?
6. Eiser stelt dat de minister zijn verzoek te beperkt heeft opgevat en dat de zoekslag daardoor onvolledig is. Dit heeft ertoe geleid dat vooral documenten over het project Paarse krokodil zijn openbaar gemaakt. Het verzoek strekt echter ook tot informatie omtrent (actuele) aanpassingen voor het opstellen, implementeren en uitvoeren van het beleid naar aanleiding van de Agentschapsdoorlichting en gaat dus niet alleen over het project Paarse krokodil.
6.1.
De rechtbank oordeelt dat de verrichte zoekslag volledig is geweest en dat de mededeling van de minister dat met deze zoekslag alle documenten zijn gevonden die zien op de opvolging van de Agentschapsdoorlichting daardoor niet ongeloofwaardig is. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) volgt, dat wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en zo’n mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt is om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust. Een bestuursorgaan dient zijn mededeling te onderbouwen door inzichtelijk te maken op welke wijze is gezocht naar gevraagde documenten. De minister heeft toegelicht dat is gezocht in het digitale systeem van het RVB, in mailboxen van medewerkers die zijn betrokken geweest bij het project Paarse krokodil en in mailboxen van medewerkers die betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van de Agentschapsdoorlichting. Hierbij heeft de minister gebruik gemaakt van de volgende zoektermen: ‘doorlichting’, ‘doorlichtingsrapportage’, ‘Paarse krokodil’, ‘VORS 1’ en ‘RVB 2.0’. Ook heeft de minister navraag gedaan bij de volgende personen: de directeur financiën en bestuursadvisering van het RVB, de plaatsvervanger van de directeur financiën en bestuursadvisering, het hoofd planning en control financiën en bestuursadvisering van het RVB en de Secretaris Agentschapsdoorlichting. Ten slotte heeft de minister ook gezocht in de mailbox van het project Paarse krokodil. De rechtbank stelt vast dat de minister zich dus niet slechts heeft beperkt tot zoektermen die alleen verband houden met het project Paarse krokodil, maar dat gebruik is gemaakt van specifieke zoektermen die zijn vastgesteld op basis van het Woo-verzoek van eiser. De rechtbank kan de minister daarom volgen dat met deze zoekslag alle documenten zijn gevonden die zien op de opvolging van de Agentschapsdoorlichting. De omstandigheid dat eiser vindt dat het RVB meer had moeten of kunnen doen om opvolging te geven aan de doorlichtingsrapportage maakt dit niet anders. De minister heeft zelf immers erkend dat de meerderheid van de aangetroffen documenten gaat over het project Paarse krokodil, maar heeft ook toegelicht dat met deze zoekslag alle documenten zijn gevonden die zien op de opvolging die is gegeven aan de doorlichtingsrapportage. Dit komt omdat verder niets op schrift is vastgelegd over initiatieven naar aanleiding van de Agentschapsdoorlichting.De minister heeft ten slotte toegelicht dat met de hierboven bedoelde zoekslag ook documenten zijn gevonden over initiatieven ter verbetering van het RVB die al in gang waren gezet vóór de Agentschapsdoorlichting. De rechtbank kan het betoog van de minister volgen dat deze documenten buiten de reikwijdte van het Woo-verzoek vallen. Tijdens de zitting heeft de minister namelijk verduidelijkt dat deze lopende initiatieven niet specifiek zijn ondernomen in het kader van de Agentschapsdoorlichting of naar aanleiding daarvan zijn opgestart. Uit de tekst van het oorspronkelijke Woo-verzoek en de aanvulling blijkt dat de Agentschapsdoorlichting de aanleiding is geweest voor het verzoek. De rechtbank leest bovendien dat alle vragen zijn toegespitst op informatie over de Agentschapsdoorlichting en de opvolging die daaraan is gegeven. Als de mededeling dat er geen andere documenten berusten onder een bestuursorgaan niet ongeloofwaardig is, dan moet eiser volgens vaste rechtspraak aannemelijk maken dat er wel meer documenten zijn. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten aangevoerd die aannemelijk maken dat toch meer documenten bestaan die onder de reikwijdte vallen maar niet zijn verstrekt.
Heeft de minister de weigeringsgronden mogen toepassen?
7.
Conclusie
10. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van zes weken. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier op 5 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet open overheid
Artikel 1.1
Eenieder heeft recht op toegang tot publieke informatie zonder daartoe een belang te hoeven stellen, behoudens bij deze wet gestelde beperkingen.
Artikel 2.1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
document: een door een orgaan, persoon of college als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, opgemaakt of ontvangen schriftelijk stuk of ander geheel van vastgelegde gegevens dat naar zijn aard verband houdt met de publieke taak van dat orgaan, die persoon of dat college;
(…)
Artikel 3.1
1. Het bestuursorgaan dat het rechtstreeks aangaat, maakt bij de uitvoering van zijn taak uit eigen beweging de bij het bestuursorgaan berustende informatie neergelegd in documenten voor eenieder openbaar, indien dit zonder onevenredige inspanning of kosten redelijkerwijs mogelijk is, behoudens voor zover de artikelen 5.1, eerste, tweede en vijfde lid, en 5.2 aan openbaarmaking in de weg staan of met de openbaarmaking geen redelijk belang wordt gediend. Deze informatie betreft in ieder geval informatie over het beleid, inclusief de voorbereiding, uitvoering, naleving, handhaving en evaluatie.
(…)
Artikel 4.1
Eenieder kan een verzoek om publieke informatie richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. In het laatste geval beslist het verantwoordelijke bestuursorgaan op het verzoek.
Een verzoek kan mondeling of schriftelijk worden ingediend en kan elektronisch worden verzonden op de door het bestuursorgaan aangegeven wijze.
De verzoeker behoeft bij zijn verzoek geen belang te stellen.
De verzoeker vermeldt bij zijn verzoek de aangelegenheid of het daarop betrekking hebbende document, waarover hij informatie wenst te ontvangen.
Indien een verzoek te algemeen geformuleerd is, verzoekt het bestuursorgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek de verzoeker om het verzoek te preciseren en is het de verzoeker daarbij behulpzaam.
Het bestuursorgaan kan besluiten een verzoek niet te behandelen, indien de verzoeker niet meewerkt aan een verzoek tot precisering als bedoeld het vijfde lid. In afwijking van artikel 4:5, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het besluit om het verzoek niet te behandelen aan de verzoeker bekendgemaakt binnen twee weken nadat het verzoek is gepreciseerd of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
Een verzoek om informatie wordt ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in hoofdstuk 5.
Artikel 4.5
Het bestuursorgaan verstrekt de informatie in de door verzoeker verzochte vorm of, indien dit redelijkerwijs niet gevergd kan worden, met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.4, derde lid.
Indien de informatie reeds in een voor de verzoeker gemakkelijk toegankelijke vorm voor het publiek beschikbaar is, wijst het bestuursorgaan de verzoeker daarop.
Artikel 5.1, tweede en derde lid
2. Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
3. de betrekkingen van Nederland met andere landen en staten en met internationale organisaties;
4. de economische of financiële belangen van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen, in geval van milieu-informatie slechts voor zover de informatie betrekking heeft op handelingen met een vertrouwelijk karakter;
5. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;
6. de inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;
7. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
8. de bescherming van andere dan in het eerste lid, onderdeel c, genoemde concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens;
9. de bescherming van het milieu waarop deze informatie betrekking heeft;
10. de beveiliging van personen en bedrijven en het voorkomen van sabotage;
11. het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen.
12. Indien een verzoek tot openbaarmaking op een van de in het tweede lid genoemde gronden wordt afgewezen, bevat het besluit hiervoor een uitdrukkelijke motivering.
Artikel 5.2, eerste en tweede lid
In geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, wordt geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. Onder persoonlijke beleidsopvattingen worden verstaan ambtelijke adviezen, visies, standpunten en overwegingen ten behoeve van intern beraad, niet zijnde feiten, prognoses, beleidsalternatieven, de gevolgen van een bepaald beleidsalternatief of andere onderdelen met een overwegend objectief karakter.
Het bestuursorgaan kan over persoonlijke beleidsopvattingen met het oog op een goede en democratische bestuursvoering informatie verstrekken in niet tot personen herleidbare vorm. Indien degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd, kan de informatie in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt.
ABRvS 8 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:488.
ABRvS 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:143.
ABRvS 26 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1223.
ABRvS 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1743.
Kamerstukken II, 2018/19, 35 112, nr. 3, blz. 22-23.
ABRvS 30 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2699, r.o. 5.4.
Zie: www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/wet-open-overheid-woo/hoofdlijnen-woo.
Rb. Zeeland-West-Brabant 2 januari 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:11, r.o. 6.3.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/1493
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2025 in de zaak tussen
mr. [eiser] , uit [plaats] , eiser
en
de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, de minister.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de beslissing op het bezwaar van 24 januari 2024 (bestreden besluit) waarin de minister het bezwaar van eiser gegrond heeft verklaard en, op grond van de Wet open overheid (Woo) aanvullend meer documenten (gedeeltelijk) openbaar heeft gemaakt. Eiser is het hier nog niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de (gedeeltelijke) openbaarmaking van de stukken.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister niet in redelijkheid de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder i van de Woo categorisch heeft kunnen toepassen op alle inzendingen voor het project Paarse krokodil. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 26 augustus 2023 heeft eiser een verzoek ingediend op grond van de Woo bij het Rijksvastgoedbedrijf (RVB). De minister heeft bij besluit van 25 maart 2023 een deel van de gevraagde informatie openbaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 24 januari 2024 heeft de minister het bezwaar gegrond verklaard en aanvullend meer documenten (gedeeltelijk) openbaar gemaakt.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en namens de minister mr. P.A. van Naamen en mr. A. Aydogdu.
Beoordeling
Woo-verzoek, primair besluit en bezwaar
3. Het Woo-verzoek ziet op hoofdstuk 7 en 8 van de Agentschapsdoorlichting Rijksvastgoedbedrijf 2016 – 2020 (Agentschapsdoorlichting). In het verzoek vraagt eiser om:
algemene informatie met betrekking tot de uitgewerkte en/of opgevolgde aanbevelingen en suggesties in de Agentschapsdoorlichting;
informatie en antwoord op vragen over het project ‘Paarse krokodil’ en hoe de ‘LEAN-Methodiek’ bij dit project is toegepast. Specifiek vraagt eiser informatie die vanuit de organisatie is opgehaald uit e-mails, documenten, correspondentie en hoe deze informatie is verwerkt;
informatie en antwoord op vragen over de ‘RVB 2.0’. Specifiek vraagt eiser of in 2023 andere/nieuwe conclusies kunnen worden getrokken over de ontwikkeling van ‘RVB 2.0’ en over het wegwerken van knelpunten bij het ‘VORS1 werken’. Eiser vraagt om hierbij te verduidelijken hoe de LEAN-Methode is toegepast;
informatie over hoe de conclusies en aanbevelingen van paragraaf 8.5 – over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het functioneren van het RVB tot nu toe – zijn verwerkt in 2023;
informatie over en antwoord op de vraag hoe de aanbeveling van paragraaf 8.6 – over het communiceren met stakeholders en aandacht over kennisbundeling en professionalisering – is uitgewerkt. In het bijzonder ziet dit onderdeel van het verzoek op de afdelingen verhuur en verkoop.
3.1.
Met het besluit van 25 maart 2023 heeft de minister een deel van de gevraagde informatie openbaar gemaakt. In bezwaar heeft eiser ook verzocht om de zoekvragen uit te breiden, namelijk om de beschikbare informatie, tussenrapportages en evaluaties over de conclusie en aanbevelingen van de Agentschapsdoorlichting te publiceren.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft het bezwaar gegrond verklaard omdat de verrichte zoekslag onvolledig en onjuist was. De minister heeft alsnog een extra aantal documenten (gedeeltelijk) openbaar gemaakt. Deze documenten en de toegepaste weigeringsgronden zijn genoemd op de inventarislijst bij het besluit.
Toetsingskader
5. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1.
Op grond van artikel 4.1, eerste lid, van de Woo kan eenieder een verzoek om publieke informatie richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. In het laatste geval beslist het verantwoordelijke bestuursorgaan op het verzoek. Het vierde lid bepaalt dat de verzoeker bij zijn verzoek de aangelegenheid of het daarop betrekking hebbende document vermeldt, waarover hij informatie wenst te ontvangen.
5.2.
Artikel 5.1, tweede lid bevat relatieve weigeringsgronden. Het bestuursorgaan moet het in de uitzonderingsgrond genoemde belang afwegen tegen het algemene belang bij openbaarheid van de betrokken informatie. Het uitgangspunt dat informatie openbaar is, weegt daarbij zwaar. Het specifieke belang van de verzoeker speelt in die belangenafweging geen rol, evenmin diens persoon of oogmerk.
Heeft de minister een juiste zoekslag toegepast en is geloofwaardig dat alles is gevonden?
6. Eiser stelt dat de minister zijn verzoek te beperkt heeft opgevat en dat de zoekslag daardoor onvolledig is. Dit heeft ertoe geleid dat vooral documenten over het project Paarse krokodil zijn openbaar gemaakt. Het verzoek strekt echter ook tot informatie omtrent (actuele) aanpassingen voor het opstellen, implementeren en uitvoeren van het beleid naar aanleiding van de Agentschapsdoorlichting en gaat dus niet alleen over het project Paarse krokodil.
6.1.
De rechtbank oordeelt dat de verrichte zoekslag volledig is geweest en dat de mededeling van de minister dat met deze zoekslag alle documenten zijn gevonden die zien op de opvolging van de Agentschapsdoorlichting daardoor niet ongeloofwaardig is. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) volgt, dat wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en zo’n mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt is om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust. Een bestuursorgaan dient zijn mededeling te onderbouwen door inzichtelijk te maken op welke wijze is gezocht naar gevraagde documenten. De minister heeft toegelicht dat is gezocht in het digitale systeem van het RVB, in mailboxen van medewerkers die zijn betrokken geweest bij het project Paarse krokodil en in mailboxen van medewerkers die betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van de Agentschapsdoorlichting. Hierbij heeft de minister gebruik gemaakt van de volgende zoektermen: ‘doorlichting’, ‘doorlichtingsrapportage’, ‘Paarse krokodil’, ‘VORS 1’ en ‘RVB 2.0’. Ook heeft de minister navraag gedaan bij de volgende personen: de directeur financiën en bestuursadvisering van het RVB, de plaatsvervanger van de directeur financiën en bestuursadvisering, het hoofd planning en control financiën en bestuursadvisering van het RVB en de Secretaris Agentschapsdoorlichting. Ten slotte heeft de minister ook gezocht in de mailbox van het project Paarse krokodil. De rechtbank stelt vast dat de minister zich dus niet slechts heeft beperkt tot zoektermen die alleen verband houden met het project Paarse krokodil, maar dat gebruik is gemaakt van specifieke zoektermen die zijn vastgesteld op basis van het Woo-verzoek van eiser. De rechtbank kan de minister daarom volgen dat met deze zoekslag alle documenten zijn gevonden die zien op de opvolging van de Agentschapsdoorlichting. De omstandigheid dat eiser vindt dat het RVB meer had moeten of kunnen doen om opvolging te geven aan de doorlichtingsrapportage maakt dit niet anders. De minister heeft zelf immers erkend dat de meerderheid van de aangetroffen documenten gaat over het project Paarse krokodil, maar heeft ook toegelicht dat met deze zoekslag alle documenten zijn gevonden die zien op de opvolging die is gegeven aan de doorlichtingsrapportage. Dit komt omdat verder niets op schrift is vastgelegd over initiatieven naar aanleiding van de Agentschapsdoorlichting.De minister heeft ten slotte toegelicht dat met de hierboven bedoelde zoekslag ook documenten zijn gevonden over initiatieven ter verbetering van het RVB die al in gang waren gezet vóór de Agentschapsdoorlichting. De rechtbank kan het betoog van de minister volgen dat deze documenten buiten de reikwijdte van het Woo-verzoek vallen. Tijdens de zitting heeft de minister namelijk verduidelijkt dat deze lopende initiatieven niet specifiek zijn ondernomen in het kader van de Agentschapsdoorlichting of naar aanleiding daarvan zijn opgestart. Uit de tekst van het oorspronkelijke Woo-verzoek en de aanvulling blijkt dat de Agentschapsdoorlichting de aanleiding is geweest voor het verzoek. De rechtbank leest bovendien dat alle vragen zijn toegespitst op informatie over de Agentschapsdoorlichting en de opvolging die daaraan is gegeven. Als de mededeling dat er geen andere documenten berusten onder een bestuursorgaan niet ongeloofwaardig is, dan moet eiser volgens vaste rechtspraak aannemelijk maken dat er wel meer documenten zijn. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten aangevoerd die aannemelijk maken dat toch meer documenten bestaan die onder de reikwijdte vallen maar niet zijn verstrekt.
Heeft de minister de weigeringsgronden mogen toepassen?
7.
Conclusie
10. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van zes weken. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier op 5 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet open overheid
Artikel 1.1
Eenieder heeft recht op toegang tot publieke informatie zonder daartoe een belang te hoeven stellen, behoudens bij deze wet gestelde beperkingen.
Artikel 2.1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
document: een door een orgaan, persoon of college als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, opgemaakt of ontvangen schriftelijk stuk of ander geheel van vastgelegde gegevens dat naar zijn aard verband houdt met de publieke taak van dat orgaan, die persoon of dat college;
(…)
Artikel 3.1
1. Het bestuursorgaan dat het rechtstreeks aangaat, maakt bij de uitvoering van zijn taak uit eigen beweging de bij het bestuursorgaan berustende informatie neergelegd in documenten voor eenieder openbaar, indien dit zonder onevenredige inspanning of kosten redelijkerwijs mogelijk is, behoudens voor zover de artikelen 5.1, eerste, tweede en vijfde lid, en 5.2 aan openbaarmaking in de weg staan of met de openbaarmaking geen redelijk belang wordt gediend. Deze informatie betreft in ieder geval informatie over het beleid, inclusief de voorbereiding, uitvoering, naleving, handhaving en evaluatie.
(…)
Artikel 4.1
Eenieder kan een verzoek om publieke informatie richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. In het laatste geval beslist het verantwoordelijke bestuursorgaan op het verzoek.
Een verzoek kan mondeling of schriftelijk worden ingediend en kan elektronisch worden verzonden op de door het bestuursorgaan aangegeven wijze.
De verzoeker behoeft bij zijn verzoek geen belang te stellen.
De verzoeker vermeldt bij zijn verzoek de aangelegenheid of het daarop betrekking hebbende document, waarover hij informatie wenst te ontvangen.
Indien een verzoek te algemeen geformuleerd is, verzoekt het bestuursorgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek de verzoeker om het verzoek te preciseren en is het de verzoeker daarbij behulpzaam.
Het bestuursorgaan kan besluiten een verzoek niet te behandelen, indien de verzoeker niet meewerkt aan een verzoek tot precisering als bedoeld het vijfde lid. In afwijking van artikel 4:5, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het besluit om het verzoek niet te behandelen aan de verzoeker bekendgemaakt binnen twee weken nadat het verzoek is gepreciseerd of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
Een verzoek om informatie wordt ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in hoofdstuk 5.
Artikel 4.5
Het bestuursorgaan verstrekt de informatie in de door verzoeker verzochte vorm of, indien dit redelijkerwijs niet gevergd kan worden, met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.4, derde lid.
Indien de informatie reeds in een voor de verzoeker gemakkelijk toegankelijke vorm voor het publiek beschikbaar is, wijst het bestuursorgaan de verzoeker daarop.
Artikel 5.1, tweede en derde lid
2. Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
3. de betrekkingen van Nederland met andere landen en staten en met internationale organisaties;
4. de economische of financiële belangen van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen, in geval van milieu-informatie slechts voor zover de informatie betrekking heeft op handelingen met een vertrouwelijk karakter;
5. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;
6. de inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;
7. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
8. de bescherming van andere dan in het eerste lid, onderdeel c, genoemde concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens;
9. de bescherming van het milieu waarop deze informatie betrekking heeft;
10. de beveiliging van personen en bedrijven en het voorkomen van sabotage;
11. het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen.
12. Indien een verzoek tot openbaarmaking op een van de in het tweede lid genoemde gronden wordt afgewezen, bevat het besluit hiervoor een uitdrukkelijke motivering.
Artikel 5.2, eerste en tweede lid
In geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, wordt geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. Onder persoonlijke beleidsopvattingen worden verstaan ambtelijke adviezen, visies, standpunten en overwegingen ten behoeve van intern beraad, niet zijnde feiten, prognoses, beleidsalternatieven, de gevolgen van een bepaald beleidsalternatief of andere onderdelen met een overwegend objectief karakter.
Het bestuursorgaan kan over persoonlijke beleidsopvattingen met het oog op een goede en democratische bestuursvoering informatie verstrekken in niet tot personen herleidbare vorm. Indien degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd, kan de informatie in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt.
ABRvS 8 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:488.
ABRvS 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:143.
ABRvS 26 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1223.
ABRvS 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1743.
Kamerstukken II, 2018/19, 35 112, nr. 3, blz. 22-23.
ABRvS 30 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2699, r.o. 5.4.
Zie: www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/wet-open-overheid-woo/hoofdlijnen-woo.
Rb. Zeeland-West-Brabant 2 januari 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:11, r.o. 6.3.
Beoordeling
Eiser voert aan dat ten onrechte gebruik is gemaakt van de weigeringsgronden van artikel 5.1, tweede lid onder e en i, van de Woo met betrekking tot de 81 geheel niet openbaar gemaakte inzendingen voor het project Paarse krokodil. De motivering bij art. 5.1, tweede lid onder i, van de Woo is namelijk onduidelijk omdat de minister het heeft over ‘sommige informatie’ die van invloed is op het goed functioneren van de Staat. De minister had de andere personen die naar de Paarse krokodil hadden gemaild ook moeten vragen over het al dan niet anoniem publiceren van hun inzending. Dat heeft de minister namelijk wel gedaan voor de Paarse krokodil-inzending van eiser zelf. Deze 81 documenten moeten alsnog geanonimiseerd worden gepubliceerd.
7.1.
De minister heeft ter zitting verduidelijkt dat alleen op de Paarse krokodil-inzending van eiser zelf de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo is toegepast. De andere Paarse krokodil-inzendingen, van andere medewerkers, zijn geheel niet openbaar gemaakt met toepassing van de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder i van de Woo. De minister stelt dat de Paarse krokodil-postbus een vertrouwelijk karakter kent. De opzet was namelijk voor medewerkers om bureaucratische hobbels bij de LEAN-adviseur aan te leveren zodat de adviseur kon beoordelen of en bij wie het probleem kon worden belegd. Het was bij medewerkers bekend dat de inzendingen vertrouwelijk waren. Openbaar maken van deze inzendingen staat daarom haaks op het vertrouwelijke karakter en het doel om intern problemen aan de kaak te stellen. Het kan zijn dat het vertrouwen van medewerkers wordt geschaad voor een (toekomstig) initiatief als deze vertrouwelijk ingezonden problemen alsnog openbaar worden gemaakt. Dat zou dan weer betekenen dat in de toekomst minder goed informatie kan worden verzameld uit de organisatie. Als minder informatie over problemen kan worden opgehaald, frustreert dat de mogelijkheid om de organisatie te verbeteren en dat schaadt dus het belang van het goed functioneren van de staat. Dat belang weegt in dit geval zwaarder dan het belang van openbaarmaking.
7.2.
De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis genomen van de stukken waar de minister weigeringsgronden op heeft toegepast. Vooropgesteld begrijpt de rechtbank dat eiser met deze grond alleen opkomt tegen het geheel niet openbaar maken van de 81 Paarse krokodil-inzendingen van andere personen dan eiser. Zijn eigen Paarse krokodil-inzending is immers (gedeeltelijk) openbaar gemaakt. De rechtbank beoordeelt daarom alleen het toepassen van artikel 5.1, tweede lid, onder i van de Woo op de 81 paarse krokodil inzendingen van andere personen die geheel niet openbaar zijn gemaakt.
7.3.
Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank oordeelt dat de minister niet in redelijkheid de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder i van de Woo categorisch heeft kunnen toepassen op de 81 inzendingen voor het project Paarse krokodil. Dit levert een motiveringsgebrek op. In dit geval heeft de minister namelijk onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom het functioneren van het RVB in het geding is als de 81 inzendingen (deels) openbaar worden gemaakt. Het standpunt van de minister dat alle Paarse krokodil-inzendingen per definitie niet openbaar kunnen worden gemaakt omdat zij onder een vertrouwelijke mailbox vallen en dat openbaar maken in de toekomst kan leiden tot terughoudendheid bij de medewerkers bij soortgelijke initiatieven, volgt de rechtbank daarmee niet. Zoals ook blijkt uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo kan deze weigeringsgrond onder andere worden ingeroepen bij interne disciplinaire onderzoeken. Bij dergelijke onderzoeken is vertrouwelijkheid noodzakelijk om de feiten boven water te krijgen. De verwachting tijdens een disciplinair onderzoek kan zijn dat openbaarmaking tot gevolg zal hebben dat derden terughoudender zullen worden om medewerking te verlenen. In de eerste plaats is in dit geval geen sprake van een intern disciplinair onderzoek. Uit de geheime stukken leidt de rechtbank namelijk af dat de mailbox van de Paarse krokodil meer functioneerde als interne ideeënbus voor medewerkers om bureaucratische hobbels aan te kaarten. In de oproep staat immers dat de mailbox is bedoeld voor het melden van omslachtige werkwijzen in het werkproces. In de oproep aan de medewerkers staat ook dat de meldingen (mogelijk) in het MT worden besproken en uit de geheime stukken blijkt dat de meldingen die via de Paarse krokodil mailbox binnen kwamen, in veel gevallen intern werden doorgestuurd naar andere medewerkers zodat zij deze meldingen konden oppakken. Voor medewerkers was dus duidelijk dat hun inzendingen in ieder geval binnen de organisatie zouden worden gedeeld. De rechtbank volgt de minister dus niet in het betoog dat alle inzendingen per definitie een zodanig vertrouwelijk karakter hebben dat het openbaar maken van deze meldingen het functioneren van de staat zal schaden, om de enkele reden dat zij vallen onder de mailbox van het project Paarse krokodil. Ten tweede komt hierbij dat de inzendingen ook verschillen van aard en ook in de mate waarin zij zijn gerelateerd aan meer persoonlijke problemen. Een aantal hobbels kunnen verder in elke organisatie voorkomen. Naar oordeel van de rechtbank is dus ook niet aannemelijk dat het functioneren van de staat in het geding kan komen gelet op de inhoud van elk van de inzendingen. De rechtbank weegt ten slotte ook mee dat de oproep voor het project Paarse krokodil in 2021 werd gedaan. Ook wanneer wel sprake zou zijn van een met een intern disciplinair onderzoek vergelijkbaar project ten aanzien van het vertrouwelijk karakter, betekent dat nog niet dat deze weigeringsgrond voor onbepaalde tijd en integraal voor de gehele documenten geldt. De ABRvS heeft immers eerder overwogen dat denkbaar is dat de openbaarmaking slechts tijdelijk het goed functioneren van de overheid belemmert. Wanneer een onderzoek zich in een vergevorderd stadium bevindt of zelfs is afgerond, dan zal dit in de belangenafweging moeten worden meegewogen. Ook dit heeft de minister niet meegenomen in de beoordeling. De minister kan gelet op de aard van de mailbox, de aard van de meldingen en het tijdsverloop in dit geval dus niet volstaan met de algemene stelling dat de gehele Paarse krokodil-mailbox valt onder deze weigeringsgrond. Het toepassen van deze weigeringsgrond kan geen stand houden zonder per melding te motiveren waarom het openbaar maken niet mogelijk is met het oog op het goed functioneren van de staat.
Moest de minister het Woo-verzoek ook openbaar maken?
8. Eiser voert aan dat zijn oorspronkelijke verzoek ook moet worden openbaar gemaakt en gepubliceerd. Het Woo-verzoek valt namelijk onder de definitie van document van artikel 2.1 van de Woo. Het openbaar maken van het Woo-verzoek is bovendien nodig voor belangstellende burgers om het besluit op het verzoek en het bestreden besluit te kunnen begrijpen. Bovendien noemt de rijksoverheid op haar eigen website zeventien soorten informatie die de overheid uit eigen beweging openbaar moet maken. Specifiek staat onder veertien het Woo-verzoek.
8.1.
De rechtbank overweegt dat uit de Woo niet volgt dat de minister het oorspronkelijke Woo-verzoek moet publiceren bij de beslissing op dat verzoek en/of een eventuele beslissing op bezwaar. Tussen partijen is niet in geschil dat een Woo-verzoek een document is in de zin van artikel 1.1 van de Woo. Een Woo-verzoek kan dus vallen binnen de reikwijdte van een Woo-verzoek. Een Woo-verzoek kan echter niet binnen de reikwijdte van het verzoek zelf vallen, maar wel onder de reikwijdte van een ander Woo-verzoek. Een andere interpretatie zou namelijk inhouden dat een bestuursorgaan nooit een Woo-verzoek kan afwijzen omdat geen documenten zijn aangetroffen die binnen de reikwijdte vallen.
Beoordeling
Eiser voert aan dat ten onrechte gebruik is gemaakt van de weigeringsgronden van artikel 5.1, tweede lid onder e en i, van de Woo met betrekking tot de 81 geheel niet openbaar gemaakte inzendingen voor het project Paarse krokodil. De motivering bij art. 5.1, tweede lid onder i, van de Woo is namelijk onduidelijk omdat de minister het heeft over ‘sommige informatie’ die van invloed is op het goed functioneren van de Staat. De minister had de andere personen die naar de Paarse krokodil hadden gemaild ook moeten vragen over het al dan niet anoniem publiceren van hun inzending. Dat heeft de minister namelijk wel gedaan voor de Paarse krokodil-inzending van eiser zelf. Deze 81 documenten moeten alsnog geanonimiseerd worden gepubliceerd.
7.1.
De minister heeft ter zitting verduidelijkt dat alleen op de Paarse krokodil-inzending van eiser zelf de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo is toegepast. De andere Paarse krokodil-inzendingen, van andere medewerkers, zijn geheel niet openbaar gemaakt met toepassing van de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder i van de Woo. De minister stelt dat de Paarse krokodil-postbus een vertrouwelijk karakter kent. De opzet was namelijk voor medewerkers om bureaucratische hobbels bij de LEAN-adviseur aan te leveren zodat de adviseur kon beoordelen of en bij wie het probleem kon worden belegd. Het was bij medewerkers bekend dat de inzendingen vertrouwelijk waren. Openbaar maken van deze inzendingen staat daarom haaks op het vertrouwelijke karakter en het doel om intern problemen aan de kaak te stellen. Het kan zijn dat het vertrouwen van medewerkers wordt geschaad voor een (toekomstig) initiatief als deze vertrouwelijk ingezonden problemen alsnog openbaar worden gemaakt. Dat zou dan weer betekenen dat in de toekomst minder goed informatie kan worden verzameld uit de organisatie. Als minder informatie over problemen kan worden opgehaald, frustreert dat de mogelijkheid om de organisatie te verbeteren en dat schaadt dus het belang van het goed functioneren van de staat. Dat belang weegt in dit geval zwaarder dan het belang van openbaarmaking.
7.2.
De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis genomen van de stukken waar de minister weigeringsgronden op heeft toegepast. Vooropgesteld begrijpt de rechtbank dat eiser met deze grond alleen opkomt tegen het geheel niet openbaar maken van de 81 Paarse krokodil-inzendingen van andere personen dan eiser. Zijn eigen Paarse krokodil-inzending is immers (gedeeltelijk) openbaar gemaakt. De rechtbank beoordeelt daarom alleen het toepassen van artikel 5.1, tweede lid, onder i van de Woo op de 81 paarse krokodil inzendingen van andere personen die geheel niet openbaar zijn gemaakt.
7.3.
Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank oordeelt dat de minister niet in redelijkheid de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder i van de Woo categorisch heeft kunnen toepassen op de 81 inzendingen voor het project Paarse krokodil. Dit levert een motiveringsgebrek op. In dit geval heeft de minister namelijk onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom het functioneren van het RVB in het geding is als de 81 inzendingen (deels) openbaar worden gemaakt. Het standpunt van de minister dat alle Paarse krokodil-inzendingen per definitie niet openbaar kunnen worden gemaakt omdat zij onder een vertrouwelijke mailbox vallen en dat openbaar maken in de toekomst kan leiden tot terughoudendheid bij de medewerkers bij soortgelijke initiatieven, volgt de rechtbank daarmee niet. Zoals ook blijkt uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo kan deze weigeringsgrond onder andere worden ingeroepen bij interne disciplinaire onderzoeken. Bij dergelijke onderzoeken is vertrouwelijkheid noodzakelijk om de feiten boven water te krijgen. De verwachting tijdens een disciplinair onderzoek kan zijn dat openbaarmaking tot gevolg zal hebben dat derden terughoudender zullen worden om medewerking te verlenen. In de eerste plaats is in dit geval geen sprake van een intern disciplinair onderzoek. Uit de geheime stukken leidt de rechtbank namelijk af dat de mailbox van de Paarse krokodil meer functioneerde als interne ideeënbus voor medewerkers om bureaucratische hobbels aan te kaarten. In de oproep staat immers dat de mailbox is bedoeld voor het melden van omslachtige werkwijzen in het werkproces. In de oproep aan de medewerkers staat ook dat de meldingen (mogelijk) in het MT worden besproken en uit de geheime stukken blijkt dat de meldingen die via de Paarse krokodil mailbox binnen kwamen, in veel gevallen intern werden doorgestuurd naar andere medewerkers zodat zij deze meldingen konden oppakken. Voor medewerkers was dus duidelijk dat hun inzendingen in ieder geval binnen de organisatie zouden worden gedeeld. De rechtbank volgt de minister dus niet in het betoog dat alle inzendingen per definitie een zodanig vertrouwelijk karakter hebben dat het openbaar maken van deze meldingen het functioneren van de staat zal schaden, om de enkele reden dat zij vallen onder de mailbox van het project Paarse krokodil. Ten tweede komt hierbij dat de inzendingen ook verschillen van aard en ook in de mate waarin zij zijn gerelateerd aan meer persoonlijke problemen. Een aantal hobbels kunnen verder in elke organisatie voorkomen. Naar oordeel van de rechtbank is dus ook niet aannemelijk dat het functioneren van de staat in het geding kan komen gelet op de inhoud van elk van de inzendingen. De rechtbank weegt ten slotte ook mee dat de oproep voor het project Paarse krokodil in 2021 werd gedaan. Ook wanneer wel sprake zou zijn van een met een intern disciplinair onderzoek vergelijkbaar project ten aanzien van het vertrouwelijk karakter, betekent dat nog niet dat deze weigeringsgrond voor onbepaalde tijd en integraal voor de gehele documenten geldt. De ABRvS heeft immers eerder overwogen dat denkbaar is dat de openbaarmaking slechts tijdelijk het goed functioneren van de overheid belemmert. Wanneer een onderzoek zich in een vergevorderd stadium bevindt of zelfs is afgerond, dan zal dit in de belangenafweging moeten worden meegewogen. Ook dit heeft de minister niet meegenomen in de beoordeling. De minister kan gelet op de aard van de mailbox, de aard van de meldingen en het tijdsverloop in dit geval dus niet volstaan met de algemene stelling dat de gehele Paarse krokodil-mailbox valt onder deze weigeringsgrond. Het toepassen van deze weigeringsgrond kan geen stand houden zonder per melding te motiveren waarom het openbaar maken niet mogelijk is met het oog op het goed functioneren van de staat.
Moest de minister het Woo-verzoek ook openbaar maken?
8. Eiser voert aan dat zijn oorspronkelijke verzoek ook moet worden openbaar gemaakt en gepubliceerd. Het Woo-verzoek valt namelijk onder de definitie van document van artikel 2.1 van de Woo. Het openbaar maken van het Woo-verzoek is bovendien nodig voor belangstellende burgers om het besluit op het verzoek en het bestreden besluit te kunnen begrijpen. Bovendien noemt de rijksoverheid op haar eigen website zeventien soorten informatie die de overheid uit eigen beweging openbaar moet maken. Specifiek staat onder veertien het Woo-verzoek.
8.1.
De rechtbank overweegt dat uit de Woo niet volgt dat de minister het oorspronkelijke Woo-verzoek moet publiceren bij de beslissing op dat verzoek en/of een eventuele beslissing op bezwaar. Tussen partijen is niet in geschil dat een Woo-verzoek een document is in de zin van artikel 1.1 van de Woo. Een Woo-verzoek kan dus vallen binnen de reikwijdte van een Woo-verzoek. Een Woo-verzoek kan echter niet binnen de reikwijdte van het verzoek zelf vallen, maar wel onder de reikwijdte van een ander Woo-verzoek. Een andere interpretatie zou namelijk inhouden dat een bestuursorgaan nooit een Woo-verzoek kan afwijzen omdat geen documenten zijn aangetroffen die binnen de reikwijdte vallen.