Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-11-03
ECLI:NL:RBZWB:2025:7532
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,008 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/2479
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 november 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 4 januari 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting met [aanslagnummer] opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft namens belanghebbende deelgenomen: [naam]. De heffingsambtenaar heeft zich afgemeld voor de zitting.
1.4.
De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.
Feiten
2. De auto met [kenteken] stond op 5 juni 2023 omstreeks 10:23 uur stil aan [adres] te [plaats]. Tijdens een controle op voornoemde datum en tijd is door parkeercontroleurs geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan.
2.1.
Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 59,25 bestaande uit een bedrag aan belasting van € 1,50 en € 57,75 aan kosten van de naheffingsaanslag.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht en tot een juiste hoogte aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar terecht een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd, maar niet naar de juiste hoogte. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Motivering
5. Tussen partijen is niet in geschil dat de auto van belanghebbende op 5 juni 2023 geparkeerd stond aan [adres] te [plaats] en dat deze locatie door het college van burgemeester en wethouders is aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. Belanghebbende heeft ook niet betwist dat hij geen parkeerbelasting heeft voldaan op het moment van de controle.
5.1.
Vast staat dat de kosten van de naheffingsaanslag tot een te hoog bedrag zijn opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag welke gevolgen de te hoog in rekening gebrachte kosten met zich brengen. Volgens belanghebbende bestaat recht op een vergoeding van de proceskosten.
5.2.
De heffingsambtenaar stelt dat geen recht bestaat op een vergoeding van de proceskosten. Het bericht aan belanghebbende dat € 5 aan kosten zal worden gerestitueerd is geen besluit, het oorspronkelijke besluit is niet herroepen en er is geen wijziging ontstaan in het rechtsgevolg dat voortvloeit uit het besluit, aangezien belanghebbende nog steeds belastingschuldig is voor het voldaan van de naheffingsaanslag.
5.3.
Op basis van artikel 10, eerste lid, van de Verordening parkeerbelastingen Breda 2023 in combinatie met onderdeel E van Bijlage 1 Tarieven- en kostentabel parkeerbelastingen 2023 bedragen de kosten van de naheffingsaanslag € 52,75. Op de naheffingsaanslag is een bedrag aan kosten van € 57,75 vermeld. De heffingsambtenaar heeft een hoger bedrag aan kosten opgelegd dan wettelijk gezien is toegestaan. De naheffingsaanslag is niet naar de juiste hoogte opgelegd. De rechtbank ziet aanleiding om de naheffingsaanslag te verminderen tot een bedrag van € 54,25 bestaande uit € 1,50 aan belasting en € 52,75 aan kosten van de naheffingsaanslag. Het beroep tegen de naheffingsaanslag is daarom gegrond. Om die reden bestaat recht op een proceskostenvergoeding in beroep.
5.4.
De heffingsambtenaar stelt dat de te hoog in rekening gebrachte kosten zijn gerestitueerd en dat hiervan een bericht is verzonden naar belanghebbende. Deze stelling geeft de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen. In deze zaak beoordeelt de rechtbank namelijk de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 4 januari 2024.
5.5.
Naar het oordeel van de rechtbank bestaat eveneens recht op een vergoeding van de bezwaarkosten omdat het bestreden besluit wordt herroepen en dit een gevolg is van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
Conclusie
6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en vermindert de naheffingsaanslag.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. De vergoeding wordt berekend aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Belanghebbende heeft recht op 1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een waarde van € 647 per punt. Daarnaast heeft belanghebbende recht op 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 907 per punt. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een lichte zaak en kent daarom een wegingsfactor 0,5 toe. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.554.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 54,25;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 1.554 aan proceskosten aan belanghebbende;
- beslist dat voor zover de vergoeding van het griffierecht en de toegekende proceskostenvergoeding niet tijdig worden betaald, de wettelijke rente daarover in zoverre is gaan lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier, op 3 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.
Aan deze uitspraak hoeft pas uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Gerechtshof Amsterdam 17 oktober 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:3732, r.o. 5.3.10.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 11 november 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3315.
Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.