Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-10-29
ECLI:NL:RBZWB:2025:7428
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,207 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/7872 tot en met 24/7875
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 oktober 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende
en
de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over de beroepen van belanghebbende tegen de bestreden uitspraken op bezwaar van de ontvanger van 4 oktober 2024. De uitspraken op bezwaar zien op de in rekening gebrachte invorderingskosten voor de aanslagen motorrijtuigenbelasting met aanslagnummers: [BSN].Y.3.4, [BSN].Y.3.5, [BSN].Y.4. en [BSN].Y.4.2.
1.1.
Omdat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn omdat ze te laat zijn ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar. Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop de uitspraak op bezwaar is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.
3.1.
Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.
Is het beroep te laat ingediend?
4. Vast staat dat de dagtekening van de uitspraken op bezwaar 4 oktober 2024 is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde dus op 15 november 2024.
4.1.
Belanghebbende heeft op 20 november 2024 digitaal beroep ingesteld. De beroepschriften zijn dus niet tijdig ingediend.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
5. Belanghebbende heeft geen reden gegeven voor deze termijnoverschrijding. De rechtbank acht ook geen sprake van geringe verwijtbaarheid aan de zijde van belanghebbende. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. De beroepen zijn daarom niet-ontvankelijk.
Tot slot
6. Belanghebbende heeft niet alleen gronden aangevoerd tegen de uitspraken op bezwaar van 4 oktober 2024, maar ook tegen de boetes opgelegd bij de naheffingsaanslagen [BSN].Y.4.3. en [BSN].Y.4.4. Aangezien alleen beroep kan worden ingesteld tegen uitspraken op bezwaar en uit de stukken alleen volgt dat bezwaar is gemaakt en geen uitspraken op bezwaar zijn overgelegd, gaat de rechtbank in deze procedure daaraan voorbij.
Conclusie
7. De beroepen zijn niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank de beroepen niet inhoudelijk beoordeelt en dat de bestreden besluiten in stand blijven. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van D. Weijtens, griffier, op 29 oktober 2025 en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.
Dit volgt uit artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.