Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-10-29
ECLI:NL:RBZWB:2025:7427
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,234 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/5320 tot en met 24/5322
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 oktober 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over de beroepen van belanghebbende tegen de bestreden uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 12 juni 2024. De beroepen zien op de (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet over het jaar 2018 met aanslagnummers [BSN].H.86.01, [BSN].H.87.01 en [BSN].W.86.01.4 en de bij beschikking opgelegde boete en vastgestelde belastingrente.
1.1.
Omdat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn omdat belanghebbende de gronden van de beroepen niet heeft vermeld en dat verzuim niet tijdig heeft hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Iemand die beroep instelt, moet in het beroepschrift de gronden van het beroep vermelden. Dat houdt in: zeggen op welke specifieke punten hij of zij het niet eens is met het bestreden besluit. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank na een herstelmogelijkheid het beroep op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
Heeft belanghebbende de gronden tijdig vermeld?
4. Belanghebbende heeft geen beroepsgronden vermeld in het beroepschrift. De rechtbank heeft belanghebbende in haar bericht van 23 juli 2024 verzocht om binnen vier weken dit verzuim te herstellen. Dit verzoek is herhaald bij aangetekende brief van 9 september 2024 met een termijn van twee weken.
4.1.
Op 30 september 2024 heeft belanghebbende in reactie daarop nogmaals het beroepschrift overgelegd met daarbij een aantal bijlagen (de uitspraak op bezwaar en de aanvulling daarop en twee dwangbevelen). Aangezien in het beroepschrift is verzocht om uitstel voor het indienen van de motivering van het beroep, heeft de rechtbank deze brief opgevat als een verzoek om uitstel. Bij bericht van 2 oktober 2024 is er uitstel verleend met een termijn van vier weken. Vervolgens is op 3 juli 2025 opnieuw uitstel verleend, ditmaal per aangetekende brief, eveneens met een termijn van vier weken. De enveloppe waarin deze brief aangetekend is verzonden, is ongeopend ter griffie terugontvangen met de aantekening ‘Niet afgehaald’. De griffier heeft de brief vervolgens nogmaals verstuurd op 25 juli 2025, nu per gewone post en met een laatste termijn van twee weken. Deze brief is verstuurd naar het door belanghebbende opgegeven adres.
4.2.
Belanghebbende heeft binnen de gestelde termijn geen gronden ingediend. Belanghebbende heeft de beroepsgronden dus niet tijdig gemeld.
Is het niet tijdig vermelden van de gronden verontschuldigbaar?
5. Belanghebbende heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.
Conclusie
6. De beroepen zijn daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank de beroepen niet inhoudelijk beoordeelt en dat de bestreden besluiten in stand blijven. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van D. Weijtens, griffier, op 29 oktober 2025 en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst en wordt aan de partij die niet digitaal procedeert aangetekend per post verzonden op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb.
Dit staat in artikel 6:6 van de Awb.