Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-10-14
ECLI:NL:RBZWB:2025:7237
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
1,681 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/4166
uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 oktober 2025 in de zaak tussen
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit [plaats] , verzoekers
(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde 2] ).
Als derde partij nemen aan de zaak deel: [naam 1] en [naam 2] .
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekers hangende de beroepsprocedure tegen de beslissing op bezwaar van 12 augustus 2025 inzake het verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) van de derde partij.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk gegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk gegrond is.
1.2.
Op 7 maart 2024 heeft de derde partij een Woo-verzoek ingediend bij het college. Het college heeft met het besluit van 3 oktober 2024 op het Woo-verzoek beslist. Tegen dit besluit hebben zowel verzoekers als de derde partij bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 12 augustus 2025 heeft het college de bezwaren van verzoekers en van de derde partij gedeeltelijk gegrond verklaard. Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld en zij hebben een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
Beoordeling
2. Het college heeft een verzoek op grond van de Woo ontvangen. In dit verzoek wordt gevraagd om openbaarmaking van informatie met betrekking tot het vergunningsproces, toezicht en handhaving ten aanzien van het adres [adres] te [plaats] . Dit is het adres van verzoekers.
2.1.
In artikel 4.4, vijfde lid van de Woo is bepaald dat indien wordt verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb, de openbaarmaking wordt opgeschort totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan of het verzoek is ingetrokken. In lijn met die wettelijke bepaling heeft het college bevestigd de feitelijke openbaarmaking van de documenten horende bij het bestreden besluit uit te stellen totdat in de onderhavige procedure uitspraak is gedaan.
3. De vraag die thans voorligt, is of de openbaarmaking langer moet worden opgeschort. In dit verband overweegt de voorzieningenrechter dat afwijzing van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zou betekenen dat de openbaarmaking reeds zal plaatsvinden voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist. De beroepsprocedure zou daarmee zinledig worden. Uit het dossier is de voorzieningenrechter niet gebleken dat er sprake is van een spoedeisend belang waardoor niet gewacht zou kunnen worden met openbaarmaking van de stukken totdat in de hoofdzaak door de rechtbank op het beroep is beslist. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat het verzoek om voorlopige voorziening buiten zitting kan worden afgedaan op de wijze zoals hierna onder 5. vermeld.
4. Tot slot wijst de voorzieningenrechter op het volgende. Als iemand hangende een beroepsprocedure een verzoek om voorlopige voorziening indient, kan de voorzieningenrechter gelijk uitspraak doen op het beroep als hij van oordeel is dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Dit wordt kortsluiten genoemd. De voorzieningenrechter constateert dat het college heeft verzocht om kort te sluiten. Verzoekers hebben aangegeven zich daartegen te verzetten.
4.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze zaak er zich niet voor leent om nu al op het beroep van verzoekers te beslissen. Daarbij speelt mee dat de derde partij inmiddels ook beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit. Wanneer de voorzieningenrechter ervoor zou kiezen om in de beroepsprocedure van verzoekers een uitspraak te doen, zouden de beroepen van verzoekers en derde partij uit elkaar gaan lopen, terwijl deze beroepen tegen hetzelfde besluit gericht zijn. Dat acht de voorzieningenrechter niet wenselijk. Voor zover kortsluiting mogelijk zou zijn na voeging van de beroepszaken, geldt bovendien dat beide partijen uitgebreid gronden aanvoeren tegen verschillende onderdelen van het bestreden besluit van 12 augustus 2025. De voorlopige voorzieningprocedure is een spoedprocedure en is niet geschikt om daarover een uitgebreid debat te voeren. Daarom heeft de voorzieningenrechter besloten om geen gebruik te maken van de bevoegdheid om het beroep van verzoekers kort te sluiten.
Conclusie
5. Het verzoek is kennelijk gegrond. De voorzieningenrechter treft de voorziening dat geen openbaarmaking zal plaatsvinden tot twee weken nadat de rechtbank uitspraak heeft gedaan. De rechtbank streeft ernaar om de beroepszaak binnen drie maanden na heden op zitting te behandelen.
5.1
Gezien de toewijzing van het verzoek ziet de voorzieningenrechter aanleiding om te bepalen dat het college het griffierecht moet vergoeden en dat verzoekers ook een vergoeding krijgen van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen verzoekers een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde van verzoekers heeft het verzoekschrift ingediend. Omdat elke proceshandeling een waarde heeft van € 907,-, bedraagt de vergoeding in totaal € 907,-.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- bepaalt dat openbaarmaking wordt opgeschort tot twee weken nadat uitspraak zal zijn gedaan in de bodemprocedure;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan verzoekers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan verzoekers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 14 oktober 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)