Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-10-21
ECLI:NL:RBZWB:2025:7236
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening
966 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5046
uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 oktober 2025 in de zaak tussen
[verzoekster], uit [plaats], verzoekster
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(gemachtigde: ).
Inleiding
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster inzake de weigering een Wajong-uitkering toe te kennen.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.
Beoordeling
3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol.
5. De griffier heeft aan verzoekster gevraagd om het spoedeisend belang nader toe te lichten. Verzoekster heeft op 12 oktober 2025 een onderbouwing gegeven waarom zij van mening is dat er sprake is van spoed. Zij heeft gesteld dat zij echt wil dat het UWV stappen onderneemt. Het kan niet zo zijn dat het UWV kan volstaan met uitbetaling van een dwangsom en vervolgens de kwestie open kan laten tot het oneindige. Verzoekster heeft aangegeven niet meer te kunnen/willen wachten op een uiteindelijke beslissing van het UWV. Verzoekster heeft bij haar reactie ook bankafschriften overgelegd.
6. Met de door verzoekster gegeven toelichting is onvoldoende gebleken dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij een voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter. Uit de bankafschriften blijkt dat verzoekster ruim € 10.000 spaargeld heeft. Gelet hierop bestaat er financieel gezien geen spoedeisend belang bij een oordeel van de voorzieningenrechter. Overigens stelt verzoekster dit ook niet. Zij is van mening dat het UWV in actie moet komen en het niet zo kan zijn dat de voorzieningenrechter een open einde oké vindt. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekster duidelijkheid wil krijgen over haar recht op een Wajong-uitkering en het daarom van belang is dat zij een beslissing op haar bezwaarschrift ontvangt, levert alleen deze wens geen spoedeisend belang op. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal daarom worden afgewezen.
7. Terzijde merkt de voorzieningenrechter nog op dat verzoekster beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaarschrift. In die procedure kan verzoekster een oordeel van de bestuursrechter krijgen over het uitblijven van de beslissing op bezwaar. Deze zaken worden met voorrang behandeld.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 21 oktober 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.