Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-10-23
ECLI:NL:RBZWB:2025:7178
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,004 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/7098
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 oktober 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats], belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 4 september 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag in de erfbelasting opgelegd naar een belaste verkrijging van € 29.866. Daarbij is € 310 aan belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de belaste verkrijging verminderd tot € 28.318. De belastingrente is verminderd met € 16.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen belanghebbende en haar [dochter]. Namens de inspecteur hebben deelgenomen mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2].
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de aanslag erfbelasting en de belastingrentebeschikking niet tot een te hoog bedrag heeft vastgesteld.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de aanslag en de belastingrentebeschikking niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Op 29 juli 2021 is de zoon van belanghebbende overleden. De erfgenamen zijn zijn moeder (belanghebbende), zijn zus en de twee kinderen van zijn vooroverleden broer.
3.1.
Belanghebbende is op 3 november 2021 uitgenodigd tot het doen van aangifte erfbelasting. Zij heeft de aangifte erfbelasting op 30 september 2022 ingediend. De hoogte van de totale nalatenschap zoals vermeld in de aangifte bedraagt € 240.790.
3.2.
Met dagtekening 20 maart 2024 is een aanslag erfbelasting opgelegd volgens de ingediende aangifte. Het te betalen bedrag aan erfbelasting voor belanghebbende bedraagt € 8.959. Gelijktijdig met op het opleggen van de aanslag is € 310 belastingrente in rekening gebracht.
3.3.
Belanghebbende heeft op 4 april 2024 namens alle erfgenamen bezwaar gemaakt omdat een bedrag aan schulden niet is meegenomen in de nalatenschap. De inspecteur heeft in de bezwaarfase alsnog rekening gehouden met de schulden conform het verzoek van belanghebbende en de nalatenschap verlaagd.
3.4.
In de uitspraak op bezwaar van 4 september 2024 is het bezwaar gegrond verklaard en is het bedrag aan verschuldigde erfbelasting voor belanghebbende verlaagd naar € 8.495. De belastingrente is verlaagd naar € 294.
3.5.
Belanghebbende heeft op 15 oktober 2024 een beroepschrift ingediend, uitsluitend met betrekking tot haar eigen aanslag erfbelasting.
Motivering
4. Ter zitting is duidelijk geworden dat belanghebbende het eens is met de door haar verschuldigde erfbelasting, zoals deze is vastgesteld in de uitspraak op bezwaar. Het beroep ziet op de erfbelasting die is verschuldigd door de overige erfgenamen. Belanghebbende verkeert in de veronderstelling dat de overige erfgenamen nog teveel erfbelasting verschuldigd zijn.
4.1.
De rechtbank overweegt dat een beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard als de indiener van dat rechtsmiddel geen belang daarbij heeft. Uit het verhandelde ter zitting maakt de rechtbank op dat er geen geschil meer bestaat met betrekking tot de door belanghebbende verschuldigde erfbelasting. Belanghebbende heeft uitsluitend voor haarzelf een beroepschrift ingediend. Daarmee is het belang aan deze procedure komen te ontvallen. De rechtbank zal daarom het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4.2.
Ter zitting heeft de inspecteur bevestigd dat ook voor de overige erfgenamen naar aanleiding van de uitspraak op bezwaar de door hen verschuldigde erfbelasting is verlaagd. De inspecteur heeft de toezegging gedaan deze verminderingsbeschikkingen nogmaals aan belanghebbende toe te sturen. De rechtbank constateert dat de inspecteur dit een dag na de zitting heeft gedaan en ook de rechtbank daarvan in kennis heeft gesteld.
Conclusie
5. Het beroep is niet-ontvankelijk. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier, op 23 oktober 2025. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst en wordt aan de partij die niet digitaal procedeert aangetekend per post verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/7098
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 oktober 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats], belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 4 september 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag in de erfbelasting opgelegd naar een belaste verkrijging van € 29.866. Daarbij is € 310 aan belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de belaste verkrijging verminderd tot € 28.318. De belastingrente is verminderd met € 16.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen belanghebbende en haar [dochter]. Namens de inspecteur hebben deelgenomen mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2].
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de aanslag erfbelasting en de belastingrentebeschikking niet tot een te hoog bedrag heeft vastgesteld.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de aanslag en de belastingrentebeschikking niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Op 29 juli 2021 is de zoon van belanghebbende overleden. De erfgenamen zijn zijn moeder (belanghebbende), zijn zus en de twee kinderen van zijn vooroverleden broer.
3.1.
Belanghebbende is op 3 november 2021 uitgenodigd tot het doen van aangifte erfbelasting. Zij heeft de aangifte erfbelasting op 30 september 2022 ingediend. De hoogte van de totale nalatenschap zoals vermeld in de aangifte bedraagt € 240.790.
3.2.
Met dagtekening 20 maart 2024 is een aanslag erfbelasting opgelegd volgens de ingediende aangifte. Het te betalen bedrag aan erfbelasting voor belanghebbende bedraagt € 8.959. Gelijktijdig met op het opleggen van de aanslag is € 310 belastingrente in rekening gebracht.
3.3.
Belanghebbende heeft op 4 april 2024 namens alle erfgenamen bezwaar gemaakt omdat een bedrag aan schulden niet is meegenomen in de nalatenschap. De inspecteur heeft in de bezwaarfase alsnog rekening gehouden met de schulden conform het verzoek van belanghebbende en de nalatenschap verlaagd.
3.4.
In de uitspraak op bezwaar van 4 september 2024 is het bezwaar gegrond verklaard en is het bedrag aan verschuldigde erfbelasting voor belanghebbende verlaagd naar € 8.495. De belastingrente is verlaagd naar € 294.
3.5.
Belanghebbende heeft op 15 oktober 2024 een beroepschrift ingediend, uitsluitend met betrekking tot haar eigen aanslag erfbelasting.
Motivering
4. Ter zitting is duidelijk geworden dat belanghebbende het eens is met de door haar verschuldigde erfbelasting, zoals deze is vastgesteld in de uitspraak op bezwaar. Het beroep ziet op de erfbelasting die is verschuldigd door de overige erfgenamen. Belanghebbende verkeert in de veronderstelling dat de overige erfgenamen nog teveel erfbelasting verschuldigd zijn.
4.1.
De rechtbank overweegt dat een beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard als de indiener van dat rechtsmiddel geen belang daarbij heeft. Uit het verhandelde ter zitting maakt de rechtbank op dat er geen geschil meer bestaat met betrekking tot de door belanghebbende verschuldigde erfbelasting. Belanghebbende heeft uitsluitend voor haarzelf een beroepschrift ingediend. Daarmee is het belang aan deze procedure komen te ontvallen. De rechtbank zal daarom het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4.2.
Ter zitting heeft de inspecteur bevestigd dat ook voor de overige erfgenamen naar aanleiding van de uitspraak op bezwaar de door hen verschuldigde erfbelasting is verlaagd. De inspecteur heeft de toezegging gedaan deze verminderingsbeschikkingen nogmaals aan belanghebbende toe te sturen. De rechtbank constateert dat de inspecteur dit een dag na de zitting heeft gedaan en ook de rechtbank daarvan in kennis heeft gesteld.
Conclusie
5. Het beroep is niet-ontvankelijk. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier, op 23 oktober 2025. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst en wordt aan de partij die niet digitaal procedeert aangetekend per post verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.