Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-10-08
ECLI:NL:RBZWB:2025:6873
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,223 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/1802
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 oktober 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 28 december 2023.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting met [aanslagnummer] opgelegd (de naheffingsaanslag).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag gegrond verklaard. Daarbij is de naheffingsaanslag vernietigd en het verzoek om een kostenvergoeding afgewezen.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van belanghebbende deelgenomen. De heffingsambtenaar heeft zich afgemeld voor de zitting.
1.5.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank een schriftelijke uitspraak aangekondigd. De termijn daarvoor is zes weken. Deze termijn is niet haalbaar gebleken en de rechtbank heeft de uitspraaktermijn moeten verlengen. De rechtbank betreurt dat. Dat heeft ook gevolgen voor de redelijke termijn voor het doen van uitspraak. De rechtbank gaat daar in onderdeel 5 nader op in.
Feiten
2. Belanghebbende heeft op 5 september 2023 een auto met [kenteken] geparkeerd aan de [straat] te Tilburg . Tijdens een controle omstreeks 17.37 uur is door middel van een scanauto geconstateerd dat voor de auto geen parkeerbelasting was voldaan.
2.1.
Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag opgelegd van € 54,77, bestaande uit een bedrag aan belasting van € 1,00 en € 53,77 aan kosten van de naheffingsaanslag.
2.2.
De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag van belanghebbende uit coulance vernietigd, omdat is gebleken dat belanghebbende in de auto aanwezig was.
2.3.
Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van haar proceskosten. De heffingsambtenaar heeft dit verzoek afgewezen.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht de naheffingsaanslag aan belanghebbende heeft opgelegd en of de heffingsambtenaar de hoorplicht heeft geschonden. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van belanghebbende niet. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Motivering
Vooraf: inconsistentie tussen het dictum en de motivering van de uitspraak op bezwaar
4. Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende toegelicht dat zij niet op de hoogte was van de vernietiging van de naheffingsaanslag. Het dictum van de uitspraak op bezwaar luidt namelijk:
´Op grond van hetgeen u heeft aangevoerd wordt uw bezwaar ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag ten bedrage van €54,77 zal worden gehandhaafd.´
In de motivering van de uitspraak op bezwaar is echter te lezen dat de naheffingsaanslag uit coulance wordt vernietigd. Hiermee is sprake van een inconsistentie tussen het dictum en de motivering. Aangezien belanghebbende hierdoor niet op de hoogte was van de vernietiging van de naheffingsaanslag heeft zij beroep ingesteld, aldus belanghebbende.
4.1.
De rechtbank neemt in overweging dat zowel uit de motivering van de uitspraak op bezwaar als uit het verweerschrift volgt dat de naheffingsaanslag is vernietigd. Daarom kan de beoordeling van de vraag of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd achterwege worden gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het in dit geval puur om een inconsistentie tussen het dictum en de motivering van de uitspraak op bezwaar. Dat op zichzelf is onvoldoende voor een gegrond beroep. In deze gang van zaken ziet de rechtbank echter wel aanleiding om de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende te laten vergoeden.
4.2.
Voor zover de afwijzing van de kostenvergoeding in de bezwaarfase in geschil is merkt de rechtbank op dat op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb de heffingsambtenaar de kosten die belanghebbende redelijkerwijs voor de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken uitsluitend op verzoek van belanghebbende worden vergoed voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Zoals hiervoor benoemd blijkt uit de stukken dat de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag uit coulance heeft vernietigd. De rechtbank is van oordeel dat de herroeping van de naheffingsaanslag in bezwaar daarmee niet het gevolg is geweest van een aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid, als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. De heffingsambtenaar heeft het verzoek om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase dan ook terecht afgewezen.
Is sprake van een schending van de hoorplicht?
4.3.
Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende gesteld dat de schending van de hoorplicht nog wel in geschil is.
Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een schending van de hoorplicht. De heffingsambtenaar is in de bezwaarfase volledig tegemoet gekomen aan het bezwaar van belanghebbende door de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag te vernietigen. Daarom kon de heffingsambtenaar – gelet op het bepaalde in artikel 7:3, aanhef en letter e, van de Awb – afzien van het horen van belanghebbende.
Ambtshalve: lange duur van de procedure
5. De rechtbank stelt vast dat de totale duur van de procedure meer dan 24 maanden bedraagt. Deze overschrijding is ontstaan na de aangekondigde termijn voor het doen van uitspraak. Voor dat geval is geen verzoek tot compensatie voor de lange duur vereist en ligt het op de weg van de rechtbank om ambtshalve te beoordelen of sprake is van een ongeoorloofde overschrijding van de redelijke termijn en welke gevolgen dat heeft. De rechtbank heeft dat onderzoek gedaan. De slotsom is dat de redelijke termijn is overschreden, dat dit echter minder dan 12 maanden betreft en ook dat het belang kleiner is dan de ondergrens om voor een financiële vergoeding in aanmerking te komen. De rechtbank volstaat daarom met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden, hetgeen zij betreurt (zie ook 1.5).
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.
6.1.
Vanwege de onzuiverheid in de uitspraak op bezwaar moet de heffingsambtenaar wel het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden;
- beslist dat voor zover de vergoeding van het griffierecht niet tijdig wordt betaald, de wettelijke rente daarover in zoverre is gaan lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van F. de Jong, griffier, op 8 oktober 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.