Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-08-18
ECLI:NL:RBZWB:2025:6778
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Kort geding
2,912 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11832051 \ VV EXPL 25-67
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 18 augustus 2025
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [plaats 1] (België),
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. R.H.W. van Ewijk, advocaat te Rotterdam,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J.J.A. Braspenning, advocaat te Tilburg.
Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Breda.
De zaak wordt behandeld door mr. C.J.G.M. van der Weide, kantonrechter, bijgestaan door B.M.A.J. Felet als griffier.
Aanwezig zijn:
- [eiser] in persoon, bijgestaan door mr. Van Ewijk voornoemd;
- [gedaagde] in persoon (via Microsoft Teams), bijgestaan door mr. Braspenning voornoemd.
De volgende stukken zijn op de zitting aan het procesdossier toegevoegd:
- de betekende dagvaarding;
- de akte producties van [eiser] ; - de akte overleggen producties van [gedaagde] .
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de kantonrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.
Beoordeling
Toetsingskader:
1.1.
Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar moet zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. Bij de toepassing van deze maatstaf in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel blijft buiten beschouwing, met dien verstande dat de kantonrechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.
1.2.
De kantonrechter stelt vast dat in het tussen partijen gewezen vonnis onder zaaknummer 11103900 \ CV EXPL 24-2500 geen gemotiveerde beslissing is gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Daarom moet worden aangenomen dat nog geen afweging van de belangen van partijen heeft plaatsgevonden aan de hand van de daarvoor van belang zijnde feiten en omstandigheden. Daarbij geldt bovendien dat in het onderhavige vonnis sprake is van een verstekverlening tegen [eiser] . Zoals hiervoor reeds overwogen betekent het enkele feit dat dit vonnis is gewezen zonder dat inhoudelijk verweer naar voren is gebracht, nog niet dat in een executiegeschil (alsnog) een inhoudelijke toets dient plaats te vinden. Bij een verstekvonnis kan wel eerder dan bij een op tegenspraak gewezen vonnis gekomen worden tot een belangenafweging waarbij een belangenafweging in het voordeel van de veroordeelde partij uitvalt, omdat de bij verstek toegewezen vordering uitsluitend is getoetst op onrechtmatigheid of ongegrondheid enkel op basis van de stellingen van de executant en niet op de standpunten van de veroordeelde.
Verstekverlening (on)terecht:
1.3.
[eiser] stelt dat de dagvaarding niet aan het juiste adres is betekend, zodat zij daar geen kennis van heeft kunnen nemen. Als zij bekend was geweest met de dagvaarding was zij tijdig in de procedure verschenen en zou zij verweer hebben gevoerd. [gedaagde] betwist dat de dagvaarding niet op het juiste adres is betekend.
1.4.
De kantonrechter overweegt dat door [eiser] formeel geen beroep wordt gedaan op de nietigheid van de dagvaarding. Daarbij volgt uit productie 3 bij de dagvaarding in de eerdere procedure tussen partijen dat toentertijd in het handelsregister hetzelfde zaakadres van [eiser] was opgenomen als het adres, waarop de dagvaarding is betekend. De kantonrechter gaat dan ook uit van een juiste betekening van de dagvaarding. Dat [eiser] ervoor heeft gekozen een kantooradres aan te houden in [plaats 3], terwijl zij in [plaats 1] woont, en ervoor heeft gekozen de op het adres in [plaats 3] ontvangen post te laten doorsturen door een zaakwaarnemer, maakt het voorgaande niet anders, omdat dit voor rekening en risico van [eiser] komt. De kantonrechter gaat voorbij aan dit verweer.
Belangenafweging:
1.5.
[eiser] stelt vervolgens dat de door [gedaagde] geleden schade wel degelijk op [B.V.] kan worden verhaald. Het is juist dat er geen opnamestaat of inboedellijst is opgemaakt bij aanvang van de huurperiode, maar dit is besproken met [gedaagde] en hij is hiermee akkoord gegaan. De eindopname wilden beide partijen niet ondertekenen, zodat [eiser] als beheerder/bemiddelaar niet meer kon doen. Het was vervolgens aan [gedaagde] en [B.V.] om het verder onderling te regelen. [eiser] heeft zich dus behoorlijk van haar taak gekweten. Bovendien geldt er tussen partijen een exoneratiebeding. Dit beding is niet vernietigd in of buiten rechte, zodat nog steeds van de geldigheid van dat beding moet worden uitgegaan. De schade kan ook op die grond niet op haar worden verhaald. Voor zover de schade al op haar verhaald zou kunnen worden, betekent het ontbreken van een opnamestaat en inboedellijst bij aanvang van de huurperiode niet dat er geen bewijs is van de staat van het gehuurde bij aanvang van de huurperiode. Daarbij is van belang dat de wet enkel uitgaat van het leveren van tegenbewijs en niet het bewijs van het tegendeel. Het ligt dus op de weg van [gedaagde] om [B.V.] in hoger beroep te betrekken en zijn vordering voldoende te onderbouwen, zodat de schade door [B.V.] moet worden gedragen. [gedaagde] heeft hier (nog) niet voor gekozen, zodat hij niet aan zijn schadebeperkingsplicht ten opzichte van [eiser] voldoet. De gestelde omvang van de schade is vervolgens onvoldoende onderbouwd, gelet op het beperkt aantal herstelposten die bij de eindopname tussen partijen is besproken, de beperkte hoeveelheid klachten over de oplevering vanuit [gedaagde] na oplevering van het gehuurde en de wijze waarop de uiteindelijke berekening van [gedaagde] tot stand is gekomen. Bovendien is er geen rekening gehouden met de ‘nieuw-voor-oud’ correctie, aldus nog steeds [eiser] .
1.6.
[gedaagde] blijft – kort gezegd – bij zijn standpunt in de eerdere procedure. Hij heeft op [eiser] vertrouwd en dat is deze huurperiode niet goed gegaan. Toen hij thuiskwam herkende hij het gehuurde niet meer terug.
1.7.
De kantonrechter overweegt dat in de rechtsverhouding tussen [eiser] en [gedaagde] [eiser] als professionele opdrachtnemer moet worden gekwalificeerd en [gedaagde] als consument. Vervolgens zijn er twee overeenkomsten gesloten, op grond waarvan [eiser] verantwoordelijk was voor het bemiddelen bij de totstandkoming van een huurovereenkomst tussen de huurder en [gedaagde] en het beheren van het gehuurde tijdens de huurperiode. Het was dus aan haar om [gedaagde] afdoende te adviseren en ervoor zorg te dragen dat alle gebruikelijke handelingen bij het sluiten van een huurovereenkomst als de onderhavige werden uitgevoerd, en [gedaagde] niet te volgen in het afzien daarvan. Dit maakt dat niet aannemelijk is dat er geen tekortkoming in haar dienstverlening wordt aangenomen. Of zij vervolgens een beroep kan doen op haar exoneratiebeding is evenmin aannemelijk, omdat haar tekortkoming de kern van haar verplichtingen raakt en [gedaagde] een consument is en (buiten)gerechtelijke vernietiging, al dan niet ambtshalve door het gerechtshof, in hoger beroep nog open staat.
1.8.
De slagingskans van het beroep op de schadebeperkingsplicht is evenmin aannemelijk. [gedaagde] heeft [B.V.] in rechte betrokken, zodat hij daarmee aan zijn schadebeperkingsplicht in eerste aanleg heeft voldaan. De vordering jegens haar is echter afgewezen door de behandelend kantonrechter. Van [gedaagde] kan niet worden verwacht dat hij blijft voortprocederen tegen [B.V.] zonder [eiser] daarbij te betrekken als hij van mening is dat zij ook tekort is geschoten jegens hem en ook schadeplichtig is.
1.9.
Met betrekking tot de omvang van de schade is de kantonrechter van oordeel dat nadere bewijsvoering nodig is, waarvoor in deze procedure geen ruimte is, zodat dit niet ertoe kan leiden dat aannemelijk is dat het vonnis in hoger beroep geen stand houdt. Hetzelfde geldt voor de ‘nieuw-voor-oud’ correctie.
1.10.
Tot slot overweegt de kantonrechter dat het evident is dat [gedaagde] belang heeft bij de tenuitvoerlegging van het vonnis.
Conclusie
1.15.
De vorderingen van [eiser] worden afgewezen.
Proceskosten:
1.16.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris advocaat
€
543,00
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
678,00
Dictum
De kantonrechter
2.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
2.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 678,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
2.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. Van der Weide en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.
Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.