Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-06-16
ECLI:NL:RBZWB:2025:6764
Civiel recht; Arbeidsrecht
Beschikking
11,234 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummers / rekestnummers: 11520337 \ AZ VERZ 25-8 en 11520627 \ AZ VERZ 25-9
Beschikking van 16 juni 2025
in de zaken van
[werknemer]
,
te [plaats] ,
verzoekende partij in de zaak 11520337 en verwerende partij in de zaak 11520627,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. M.A.C. Backx,
tegen
[werkgever] B.V.,
te Breda,
verwerende partij in de zaak 11520337 en verzoekende partij in de zaak 11520627,
hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: mr. B.J. Bloemendal.
De zaken in het kort
Werkgever heeft werknemer op staande voet ontslagen. Werknemer berust in het feit dat zijn dienstverband door het ontslag is geëindigd, maar verzoekt in deze zaak om toekenning van verschillende vergoedingen. De kantonrechter stelt vast dat het ontslag (rechts)geldig is. Daarom worden de verzoeken van werknemer afgewezen, behalve dat aan hem een gedeeltelijke transitievergoeding wordt toegekend en dat werkgever wordt veroordeeld tot uitbetaling van de eindafrekening. Verder veroordeelt de kantonrechter werknemer, op verzoek van werkgever, tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding in dien zin dat deze wordt verrekend met de (hogere) gedeeltelijke transitievergoeding van werknemer.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de verzoekschriften van partijen
- de verweerschriften van partijen
- de aanvullende stukken van [werknemer] van 18 april 2025
- de mondelinge behandeling van 22 april 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij de gemachtigden van partijen hun spreekaantekeningen hebben overgelegd. [werknemer] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij berust in het ontslag, waarna [werkgever] haar voorwaardelijke tegenverzoek heeft ingetrokken.
Feiten
2.1.
[werkgever] is gespecialiseerd in de ontwikkeling en productie van connectiesystemen, bekabeling en software voor de auto-industrie.
2.2.
[werknemer] , geboren op [datum] 1979, is sinds 1 maart 2013 in dienst bij [werkgever] . De functie van [werknemer] is manager research & development (R&D) met een loon van € 6.821,09 bruto per maand, exclusief emolumenten.
2.3.
Op 3 december 2024 is [werknemer] op staande voet ontslagen door middel van de volgende ontslagbrief.
3De verzoeken
3.1.
[werkgever] verzoekt de kantonrechter om voor recht te verklaren dat [werknemer] aan [werkgever] door opzet of schuld een dringende reden heeft gegeven het dienstverband onverwijld op te zeggen. Verder verzoekt [werkgever] de kantonrechter om [werknemer] te veroordelen om aan [werkgever] te betalen een (gefixeerde schade)vergoeding van € 15.119,00 bruto, een en ander met veroordeling van [werknemer] in de proceskosten.
3.2.
[werknemer] verzoekt de kantonrechter om een billijke vergoeding toe te kennen en verzoekt om [werkgever] te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding met nevenvorderingen. Volgens [werknemer] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig.
3.3.
Partijen voeren verweer tegen elkaars verzoeken en stellen over en weer dat de verzoeken moeten worden afgewezen met veroordeling van de andere partij in de proceskosten, waarbij [werknemer] tevens heeft verzocht om de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van deze beschikking.
Beoordeling
Ten aanzien van zaak 11520337
4.1.
Het gaat in deze zaak in de kern om de vragen of aan [werknemer] een billijke vergoeding moet worden toegekend en of [werkgever] moet worden veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding. In dat kader is van belang of het ontslag op staande voet al dan niet rechtsgeldig is.
4.2.
De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is en legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Toetsingskader ontslag op staande voet
4.3.
Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is, dat wil zeggen zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Ook moet er onverwijld worden opgezegd en moet de dringende reden onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren. Het gaat er daarbij om dat het voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen voor de werkgever aanleiding zijn geweest voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. De werkgever moet de dringende reden bewijzen.
Dringende reden
4.4.
In de ontslagbrief staan drie ontslaggronden, namelijk:
Foutieve stekkerdoos in ACPS/Tesla-product TS-008-HLC;
Versturen ongunstig DEKRA-testrapport aan ACPS/Tesla;
Vervalsing van het testplan en nalaten van toelichting.
4.5.
De focus in de ontslagbrief en tijdens de procedure ligt op de laatstgenoemde ontslaggrond. Bovendien staat in de ontslagbrief de volgende zin: “Ook in het geval er slechts een deel van de hierboven genoemde feiten en omstandigheden komt vast
dit voor ons een reden voor ontslag op staande voet.”
4.6.
De kantonrechter oordeelt over de dringende reden als volgt. Partijen zijn het erover eens dat voor het ACPS/Tesla-product TS-008-HLC een [werkgever] -stekkerdoos is gebruikt, terwijl daarvoor conform de tekening van de klant (ACPS) een Plastimat stekkerdoos gebruikt had moeten worden. Na klachten over lekkageproblemen is voormelde fout ontdekt. In een poging om aan te tonen dat de [werkgever] -stekkerdoos niet de oorzaak van de lekkageproblemen is, heeft [werknemer] vervolgens een eerder opgesteld rapport van Dekra aan de klant toegestuurd. In dat rapport bleken echter vijf zogenaamde ‘fails’ op waterbestendigheid te staan. [werknemer] brengt daartegen in dat deze ‘fails’ niet de (on)geschiktheid van de [werkgever] -stekkerdoos betreffen, maar lekkageproblemen bij bijvoorbeeld verkeerd gebruik en alleen onder bepaalde omstandigheden. Toch riep het bij de klant vragen op en daarom vroeg de klant om opheldering bij een collega van [werknemer] ([naam 1], commercieel directeur). [naam 1] heeft daarop een Teams-vergadering gepland met hemzelf, [naam 2] (algemeen directeur), [naam 3] (kwaliteitsmanager) en [werknemer] . Ondertussen ontdekte [werknemer] dat het door hem aan de klant toegestuurde Dekra-rapport gebaseerd was op een testplan dat stekkerdozen van FEP en Plastimat bevatte en niet van [werkgever] . Volgens [werknemer] zou voor de [werkgever] -stekkerdoos echter hetzelfde gelden als voor de FEP-stekkerdoos. Daarom en om te voorkomen dat de klant zou ontdekken dat het toegestuurde Dekra-rapport is gebaseerd op een testplan dat geen [werkgever] -stekkerdoos bevatte, heeft [werknemer] het testplan zonder informeren van of overleggen met (personen binnen) [werkgever] aangepast, zodanig dat het leek alsof het testplan dat ten grondslag lag aan het Dekra-rapport (wel) stekkerdozen van [werkgever] en Plastimat bevatte. Een link naar dit (aangepaste) testplan in MS Excel format heeft [werknemer] op 27 november 2024 – voorafgaand aan de geplande Teams-vergadering – naar de teamleden binnen [werkgever] gemaild. Tijdens de Teams-vergadering waren er onduidelijkheden en vragen over het door [werknemer] gemailde testplan. Daarom ging men op zoek naar het oorspronkelijke document. Na enige tijd werd het oorspronkelijke document gevonden en op dat moment constateerde [naam 2] dat het oorspronkelijke testplan afweek van het door [werknemer] gemailde testplan, in die zin dat het oorspronkelijke testplan geen [werkgever] -stekkerdoos bevatte (en het door [werknemer] gemailde testplan wel). Verder merkte [naam 1] op dat uit de versiegeschiedenis blijkt dat [werknemer] het betreffende bestand diezelfde dag (27 november 2024) om 12:35 uur haf aangepast, hetgeen [werknemer] op dat moment heeft erkend.
4.7.
De kantonrechter is van oordeel dat het hiervoor omschreven aanpassen van het testplan door [werknemer] een dringende reden voor ontslag oplevert. Hierbij is van belang dat [werknemer] het testplan heeft aangepast zonder medeweten van of overleg binnen [werkgever] . Bovendien heeft [werknemer] het testplan zo aangepast dat de aanpassingen niet zichtbaar waren en het leek alsof het aangepaste document het oorspronkelijke testplan betrof. Dit kwalificeert naar het oordeel van de kantonrechter als een dringende reden voor ontslag. Ook als uit wordt gegaan van de stelling van [werknemer] dat het testplan niet anders zou luiden als het een stekkerdoos van [werkgever] in plaats van FEP zou bevatten, levert de heimelijke aanpassing van het testplan naar het oordeel van de kantonrechter nog steeds een dringende reden voor ontslag op. Een en ander geldt temeer nu [werknemer] pas erkende het testplan te hebben aangepast, nadat [naam 1] hem ermee confronteerde dat uit de versiegeschiedenis van het bestand bleek dat [werknemer] het testplan op 27 november 2024 om 12:35 uur had gewijzigd. Tot die tijd heeft [werknemer] zijn mond gehouden, ook toen zijn teamgenoten op zoek waren naar het oorspronkelijke bestand van het testplan, dat [werknemer] allang gevonden (en aangepast) had. Er zijn naar het oordeel van de kantonrechter ook geen persoonlijke omstandigheden aangevoerd of gebleken die zo gewichtig of bijzonder zijn dat ze voormeld oordeel over de rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet anders maken.
4.8.
Gelet op het voorgaande behoeven de overige twee ontslaggronden (1. Foutieve stekkerdoos in ACPS/Tesla-product TS-008-HLC en 2. Versturen ongunstig Dekra-testrapport aan ACPS/Tesla) geen – nadere – bespreking meer. Immers, de derde ontslaggrond (3. Vervalsing van het testplan en nalaten van toelichting) levert op zichzelf al een dringende reden voor ontslag op en in de ontslagbrief is ook opgemerkt dat ook als een deel van ontslaggronden komt vast te staan, dat voor [werkgever] reden voor ontslag vormt.
4.9.
Los van het voorgaande doet [werknemer] nog een beroep op strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat een collega van [werknemer] ([naam 4]) in een soortgelijke situatie niet op staande voet werd ontslagen, maar slechts een waarschuwing kreeg. [werkgever] heeft echter weersproken dat het om gelijk(soortig)e situaties gaat, aangezien het bij [naam 4] om een fout/onzorgvuldigheid ging, terwijl [werknemer] bewust en heimelijk een testplan heeft aangepast.
4.10.
Volgens [werknemer] gaat [werkgever] in deze kwestie van de stekkerdozen ook niet vrijuit. Dit, omdat [werkgever] heeft besloten om het door [werknemer] aangepaste testplan toch naar de klant te sturen en daarbij zelfs nog een aantal extra wijzigingen in het oorspronkelijke testplan heeft aangebracht. Ook heeft [werkgever] het aangepaste testplan als afbeelding naar de klant gestuurd om te voorkomen dat de klant de versiegeschiedenis kon inzien.
Dictum
De kantonrechter
Ten aanzien van de zaak 11520337
5.1.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen een bedrag van € 378,92 netto ter zake van de uitbetaling van de eindafrekening inclusief wettelijke verhoging, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 januari 2025 tot de dag van de (volledige) betaling,
5.2.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen een bedrag van € 750,02 bruto ter zake van het – na verrekening met de gefixeerde schadevergoeding – resterende deel van de gedeeltelijke transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 januari 2025 tot de dag van de (volledige) betaling,
5.3.
veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van € 1.221,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werknemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders verzochte af,
Ten aanzien van de zaak 11520627
5.6.
verklaart voor recht dat [werknemer] aan [werkgever] door opzet of schuld een dringende reden heeft gegeven het dienstverband onverwijld op te zeggen als bedoeld in artikel 7:677 lid 2 BW,
5.7.
veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van € 1.461,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werknemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.8.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
5.9.
wijst het meer of anders verzochte af, met inachtneming van het overwogene onder 4.20. van deze beschikking.
Deze beschikking is gegeven door mr. Tilman-Knoester en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2025.
Artikel 7:673 lid 7, onder c, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummers / rekestnummers: 11520337 \ AZ VERZ 25-8 en 11520627 \ AZ VERZ 25-9
Beschikking van 16 juni 2025
in de zaken van
[werknemer]
,
te [plaats] ,
verzoekende partij in de zaak 11520337 en verwerende partij in de zaak 11520627,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. M.A.C. Backx,
tegen
[werkgever] B.V.,
te Breda,
verwerende partij in de zaak 11520337 en verzoekende partij in de zaak 11520627,
hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: mr. B.J. Bloemendal.
De zaken in het kort
Werkgever heeft werknemer op staande voet ontslagen. Werknemer berust in het feit dat zijn dienstverband door het ontslag is geëindigd, maar verzoekt in deze zaak om toekenning van verschillende vergoedingen. De kantonrechter stelt vast dat het ontslag (rechts)geldig is. Daarom worden de verzoeken van werknemer afgewezen, behalve dat aan hem een gedeeltelijke transitievergoeding wordt toegekend en dat werkgever wordt veroordeeld tot uitbetaling van de eindafrekening. Verder veroordeelt de kantonrechter werknemer, op verzoek van werkgever, tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding in dien zin dat deze wordt verrekend met de (hogere) gedeeltelijke transitievergoeding van werknemer.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de verzoekschriften van partijen
- de verweerschriften van partijen
- de aanvullende stukken van [werknemer] van 18 april 2025
- de mondelinge behandeling van 22 april 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij de gemachtigden van partijen hun spreekaantekeningen hebben overgelegd. [werknemer] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij berust in het ontslag, waarna [werkgever] haar voorwaardelijke tegenverzoek heeft ingetrokken.
Feiten
2.1.
[werkgever] is gespecialiseerd in de ontwikkeling en productie van connectiesystemen, bekabeling en software voor de auto-industrie.
2.2.
[werknemer] , geboren op [datum] 1979, is sinds 1 maart 2013 in dienst bij [werkgever] . De functie van [werknemer] is manager research & development (R&D) met een loon van € 6.821,09 bruto per maand, exclusief emolumenten.
2.3.
Op 3 december 2024 is [werknemer] op staande voet ontslagen door middel van de volgende ontslagbrief.
3De verzoeken
3.1.
[werkgever] verzoekt de kantonrechter om voor recht te verklaren dat [werknemer] aan [werkgever] door opzet of schuld een dringende reden heeft gegeven het dienstverband onverwijld op te zeggen. Verder verzoekt [werkgever] de kantonrechter om [werknemer] te veroordelen om aan [werkgever] te betalen een (gefixeerde schade)vergoeding van € 15.119,00 bruto, een en ander met veroordeling van [werknemer] in de proceskosten.
3.2.
[werknemer] verzoekt de kantonrechter om een billijke vergoeding toe te kennen en verzoekt om [werkgever] te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding met nevenvorderingen. Volgens [werknemer] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig.
3.3.
Partijen voeren verweer tegen elkaars verzoeken en stellen over en weer dat de verzoeken moeten worden afgewezen met veroordeling van de andere partij in de proceskosten, waarbij [werknemer] tevens heeft verzocht om de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van deze beschikking.
Beoordeling
Ten aanzien van zaak 11520337
4.1.
Het gaat in deze zaak in de kern om de vragen of aan [werknemer] een billijke vergoeding moet worden toegekend en of [werkgever] moet worden veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding. In dat kader is van belang of het ontslag op staande voet al dan niet rechtsgeldig is.
4.2.
De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is en legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Toetsingskader ontslag op staande voet
4.3.
Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is, dat wil zeggen zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Ook moet er onverwijld worden opgezegd en moet de dringende reden onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren. Het gaat er daarbij om dat het voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen voor de werkgever aanleiding zijn geweest voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. De werkgever moet de dringende reden bewijzen.
Dringende reden
4.4.
In de ontslagbrief staan drie ontslaggronden, namelijk:
Foutieve stekkerdoos in ACPS/Tesla-product TS-008-HLC;
Versturen ongunstig DEKRA-testrapport aan ACPS/Tesla;
Vervalsing van het testplan en nalaten van toelichting.
4.5.
De focus in de ontslagbrief en tijdens de procedure ligt op de laatstgenoemde ontslaggrond. Bovendien staat in de ontslagbrief de volgende zin: “Ook in het geval er slechts een deel van de hierboven genoemde feiten en omstandigheden komt vast
dit voor ons een reden voor ontslag op staande voet.”
4.6.
De kantonrechter oordeelt over de dringende reden als volgt. Partijen zijn het erover eens dat voor het ACPS/Tesla-product TS-008-HLC een [werkgever] -stekkerdoos is gebruikt, terwijl daarvoor conform de tekening van de klant (ACPS) een Plastimat stekkerdoos gebruikt had moeten worden. Na klachten over lekkageproblemen is voormelde fout ontdekt. In een poging om aan te tonen dat de [werkgever] -stekkerdoos niet de oorzaak van de lekkageproblemen is, heeft [werknemer] vervolgens een eerder opgesteld rapport van Dekra aan de klant toegestuurd. In dat rapport bleken echter vijf zogenaamde ‘fails’ op waterbestendigheid te staan. [werknemer] brengt daartegen in dat deze ‘fails’ niet de (on)geschiktheid van de [werkgever] -stekkerdoos betreffen, maar lekkageproblemen bij bijvoorbeeld verkeerd gebruik en alleen onder bepaalde omstandigheden. Toch riep het bij de klant vragen op en daarom vroeg de klant om opheldering bij een collega van [werknemer] ([naam 1], commercieel directeur). [naam 1] heeft daarop een Teams-vergadering gepland met hemzelf, [naam 2] (algemeen directeur), [naam 3] (kwaliteitsmanager) en [werknemer] . Ondertussen ontdekte [werknemer] dat het door hem aan de klant toegestuurde Dekra-rapport gebaseerd was op een testplan dat stekkerdozen van FEP en Plastimat bevatte en niet van [werkgever] . Volgens [werknemer] zou voor de [werkgever] -stekkerdoos echter hetzelfde gelden als voor de FEP-stekkerdoos. Daarom en om te voorkomen dat de klant zou ontdekken dat het toegestuurde Dekra-rapport is gebaseerd op een testplan dat geen [werkgever] -stekkerdoos bevatte, heeft [werknemer] het testplan zonder informeren van of overleggen met (personen binnen) [werkgever] aangepast, zodanig dat het leek alsof het testplan dat ten grondslag lag aan het Dekra-rapport (wel) stekkerdozen van [werkgever] en Plastimat bevatte. Een link naar dit (aangepaste) testplan in MS Excel format heeft [werknemer] op 27 november 2024 – voorafgaand aan de geplande Teams-vergadering – naar de teamleden binnen [werkgever] gemaild. Tijdens de Teams-vergadering waren er onduidelijkheden en vragen over het door [werknemer] gemailde testplan. Daarom ging men op zoek naar het oorspronkelijke document. Na enige tijd werd het oorspronkelijke document gevonden en op dat moment constateerde [naam 2] dat het oorspronkelijke testplan afweek van het door [werknemer] gemailde testplan, in die zin dat het oorspronkelijke testplan geen [werkgever] -stekkerdoos bevatte (en het door [werknemer] gemailde testplan wel). Verder merkte [naam 1] op dat uit de versiegeschiedenis blijkt dat [werknemer] het betreffende bestand diezelfde dag (27 november 2024) om 12:35 uur haf aangepast, hetgeen [werknemer] op dat moment heeft erkend.
4.7.
De kantonrechter is van oordeel dat het hiervoor omschreven aanpassen van het testplan door [werknemer] een dringende reden voor ontslag oplevert. Hierbij is van belang dat [werknemer] het testplan heeft aangepast zonder medeweten van of overleg binnen [werkgever] . Bovendien heeft [werknemer] het testplan zo aangepast dat de aanpassingen niet zichtbaar waren en het leek alsof het aangepaste document het oorspronkelijke testplan betrof. Dit kwalificeert naar het oordeel van de kantonrechter als een dringende reden voor ontslag. Ook als uit wordt gegaan van de stelling van [werknemer] dat het testplan niet anders zou luiden als het een stekkerdoos van [werkgever] in plaats van FEP zou bevatten, levert de heimelijke aanpassing van het testplan naar het oordeel van de kantonrechter nog steeds een dringende reden voor ontslag op. Een en ander geldt temeer nu [werknemer] pas erkende het testplan te hebben aangepast, nadat [naam 1] hem ermee confronteerde dat uit de versiegeschiedenis van het bestand bleek dat [werknemer] het testplan op 27 november 2024 om 12:35 uur had gewijzigd. Tot die tijd heeft [werknemer] zijn mond gehouden, ook toen zijn teamgenoten op zoek waren naar het oorspronkelijke bestand van het testplan, dat [werknemer] allang gevonden (en aangepast) had. Er zijn naar het oordeel van de kantonrechter ook geen persoonlijke omstandigheden aangevoerd of gebleken die zo gewichtig of bijzonder zijn dat ze voormeld oordeel over de rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet anders maken.
4.8.
Gelet op het voorgaande behoeven de overige twee ontslaggronden (1. Foutieve stekkerdoos in ACPS/Tesla-product TS-008-HLC en 2. Versturen ongunstig Dekra-testrapport aan ACPS/Tesla) geen – nadere – bespreking meer. Immers, de derde ontslaggrond (3. Vervalsing van het testplan en nalaten van toelichting) levert op zichzelf al een dringende reden voor ontslag op en in de ontslagbrief is ook opgemerkt dat ook als een deel van ontslaggronden komt vast te staan, dat voor [werkgever] reden voor ontslag vormt.
4.9.
Los van het voorgaande doet [werknemer] nog een beroep op strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat een collega van [werknemer] ([naam 4]) in een soortgelijke situatie niet op staande voet werd ontslagen, maar slechts een waarschuwing kreeg. [werkgever] heeft echter weersproken dat het om gelijk(soortig)e situaties gaat, aangezien het bij [naam 4] om een fout/onzorgvuldigheid ging, terwijl [werknemer] bewust en heimelijk een testplan heeft aangepast.
4.10.
Volgens [werknemer] gaat [werkgever] in deze kwestie van de stekkerdozen ook niet vrijuit. Dit, omdat [werkgever] heeft besloten om het door [werknemer] aangepaste testplan toch naar de klant te sturen en daarbij zelfs nog een aantal extra wijzigingen in het oorspronkelijke testplan heeft aangebracht. Ook heeft [werkgever] het aangepaste testplan als afbeelding naar de klant gestuurd om te voorkomen dat de klant de versiegeschiedenis kon inzien.
Dictum
De kantonrechter
Ten aanzien van de zaak 11520337
5.1.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen een bedrag van € 378,92 netto ter zake van de uitbetaling van de eindafrekening inclusief wettelijke verhoging, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 januari 2025 tot de dag van de (volledige) betaling,
5.2.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen een bedrag van € 750,02 bruto ter zake van het – na verrekening met de gefixeerde schadevergoeding – resterende deel van de gedeeltelijke transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 januari 2025 tot de dag van de (volledige) betaling,
5.3.
veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van € 1.221,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werknemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders verzochte af,
Ten aanzien van de zaak 11520627
5.6.
verklaart voor recht dat [werknemer] aan [werkgever] door opzet of schuld een dringende reden heeft gegeven het dienstverband onverwijld op te zeggen als bedoeld in artikel 7:677 lid 2 BW,
5.7.
veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van € 1.461,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werknemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.8.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
5.9.
wijst het meer of anders verzochte af, met inachtneming van het overwogene onder 4.20. van deze beschikking.
Deze beschikking is gegeven door mr. Tilman-Knoester en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2025.
Artikel 7:673 lid 7, onder c, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.
Beoordeling
Bovendien heeft [werkgever] tegen de klant (ACPS) gezegd dat zij (ACPS) mondeling akkoord is gegaan met de levering van [werkgever] -stekkerdozen, terwijl [werkgever] wist dat ACPS daarmee niet akkoord is gegaan. Deze verwijten aan het adres van [werkgever] – en de overige verwijten die [werknemer] [werkgever] maakt – nemen naar het oordeel van de kantonrechter de dringende reden voor het ontslag van [werknemer] niet weg. Niet alleen omdat het verwijtbare gedrag van de een het verwijtbare gedrag van de ander niet wegneemt, maar ook omdat het verwijtbare gedrag van [werknemer] de interne verhouding binnen (het management van) [werkgever] betreft, terwijl het verwijtbare gedrag van [werkgever] de (externe) relatie met de klant betreft.
Onverwijlde opzegging en mededeling van de dringende reden
4.11.
[werkgever] stelt niet alleen dat er sprake is van een dringende reden, maar ook van een onverwijlde opzegging en een onverwijlde mededeling van de dringende reden door de ontslagbrief van 3 december 2024. [werknemer] betwist dat er sprake is van een onverwijlde opzegging. Daartoe voert hij aan dat [werkgever] al op 28 november 2024 op de hoogte was van alle relevante feiten en omstandigheden, maar pas op 3 december 2024 het ontslag op staande voet heeft gegeven. [werkgever] wijst er in dit kader op dat zij [werknemer] wel al op 28 november 2024 heeft geschorst en dat zij vrijdag 29 november 2024 en maandag 2 december 2024 de relevante e-mailcorrespondentie heeft onderzocht, overleg heeft gevoerd met het managementteam en de aandeelhouder en juridisch advies heeft ingewonnen. De kantonrechter is van oordeel dat [werkgever] hiermee voldoende voortvarend heeft gehandeld, mede gelet op het weekend dat tussen donderdag 28 november 2024 en dinsdag 3 december 2024 zit.
4.12.
Kortom, de kantonrechter is van oordeel dat [werkgever] de arbeidsovereenkomst met [werknemer] op 3 december 2024 rechtsgeldig heeft opgezegd met onmiddellijke ingang.
4.13.
Het verzoek van [werknemer] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt afgewezen, omdat het ontslag rechtsgeldig is.
4.14.
Wat betreft het verzoek om [werkgever] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding overweegt de kantonrechter als volgt. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat sprake is van feiten en omstandigheden die een dringende reden opleveren voor het ontslag op staande voet. Die feiten en omstandigheden brengen in dit geval ook mee dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van handelen of nalaten van [werknemer] dat als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. Daarom is in beginsel geen transitievergoeding verschuldigd. Echter, [werknemer] doet ook een beroep op artikel 7:673 lid 8 BW, waarin is bepaald dat de kantonrechter aan de werknemer ondanks zijn ernstige verwijtbaarheid toch de transitievergoeding geheel of gedeeltelijk kan toekennen als het niet toekennen ervan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Daarvan is naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval sprake. Daarbij spelen met name de volgende feiten en omstandigheden een rol: de lange duur van het dienstverband, het relatief – ten opzichte van zijn functie en laatst genoten loon – lage opleidingsniveau van [werknemer] en het feit dat [werkgever] het door [werknemer] aangepaste testplan wel heeft gebruikt richting haar klant. In dat licht zal de kantonrechter de transitievergoeding gedeeltelijk toewijzen, namelijk ter hoogte van twee bruto maandsalarissen inclusief vakantiegeld en 13e maand. Dat betekent dat in plaats van de volledige transitievergoeding van € 31.738,03 een bedrag zal worden toegewezen van € 15.869,02 bruto. Deze gedeeltelijke transitievergoeding zal verrekend worden met de aan [werkgever] toekomende gefixeerde schadevergoeding. Deze bedraagt, zoals later in deze beschikking zal worden toegelicht, € 15.119,00 bruto, zodat van de gedeeltelijke transitievergoeding nog door [werkgever] aan [werknemer] betaald moet worden een bedrag van € 750,02 bruto. De gevorderde wettelijke rente hierover is op grond van artikel 7:686a lid 1 BW toewijsbaar vanaf 3 januari 2025 tot de dag van de (volledige) betaling.
4.15.
Met betrekking tot de eindafrekening is niet meer in geschil dat [werkgever] wel een eindafrekening heeft opgesteld, maar wegens een beroep op verrekening met de gefixeerde schadevergoeding niet heeft uitbetaald. Aangezien de gefixeerde schadevergoeding al volledig wordt verrekend met de gedeeltelijke transitievergoeding zal de vordering tot betaling van de eindafrekening van € 344,47 netto worden toegewezen. De gevorderde wettelijke verhoging zal worden gematigd tot 10% (€ 34,44), aangezien ook wettelijke rente zal worden toegewezen en [werkgever] in de veronderstelling verkeerde dat zij deze schuld kon verrekenen met de door haar gevorderde gefixeerde schadevergoeding. De gevorderde wettelijke rente over het voorgaande is eveneens toewijsbaar vanaf 3 januari 2025 tot de dag van de (volledige) betaling.
4.16.
De proceskosten komen voor rekening van [werknemer] , omdat [werknemer] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [werknemer] . De proceskosten aan de zijde van [werkgever] worden begroot op € 1.221,00 (€ 1.086,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
4.17.
Gezien deze (eind)beslissing komt de kantonrechter niet toe aan de behandeling van de door [werknemer] gevorderde voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv.
Ten aanzien van zaak 11520627
4.18.
Hetgeen hiervoor is overwogen in de zaak 11520337 dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
4.19.
Gelet op het voorgaande is de gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar.
4.20.
Uit het overwogene over de rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet volgt dat [werknemer] [werkgever] naar het oordeel van de kantonrechter door ernstig verwijtbar handelen een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen. Dat brengt op grond van artikel 7:677 lid 2 BW mee dat [werknemer] aan [werkgever] een vergoeding verschuldigd is. Op grond van artikel 7:677 lid 3 aanhef en onder a. BW is deze gefixeerde schadevergoeding gelijk aan het loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging door in dit geval [werknemer] had behoren voort te duren. Gelet op de voor [werknemer] geldende opzegtermijn van een maand tegen het einde van de maand loopt deze termijn in dit geval vanaf 4 december 2024 tot en met 31 januari 2025. [werkgever] heeft onweersproken gesteld dat het loon over deze periode € 15.119,00 bruto bedraagt, zodat [werkgever] recht heeft op de door haar gevorderde gefixeerde schadevergoeding ter hoogte van dit bedrag. Zoals is overwogen wordt dit bedrag volledig verrekend met de aan [werknemer] toekomende gedeeltelijke transitievergoeding, zodat [werknemer] niet zal worden veroordeeld tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding.
4.21.
De proceskosten komen voor rekening van [werknemer] , omdat [werknemer] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [werknemer] . De proceskosten aan de zijde van [werkgever] worden begroot op € 1.461,00 aan griffierecht. Gelet op de samenhang tussen deze zaak en zaak 11520337 – waarin [werknemer] eveneens is veroordeeld in de proceskosten, waaronder € 1.086,00 aan salaris gemachtigde – wordt het salaris van de gemachtigde in deze zaak geacht te zijn begrepen in voormelde € 1.086,00.
Beoordeling
Bovendien heeft [werkgever] tegen de klant (ACPS) gezegd dat zij (ACPS) mondeling akkoord is gegaan met de levering van [werkgever] -stekkerdozen, terwijl [werkgever] wist dat ACPS daarmee niet akkoord is gegaan. Deze verwijten aan het adres van [werkgever] – en de overige verwijten die [werknemer] [werkgever] maakt – nemen naar het oordeel van de kantonrechter de dringende reden voor het ontslag van [werknemer] niet weg. Niet alleen omdat het verwijtbare gedrag van de een het verwijtbare gedrag van de ander niet wegneemt, maar ook omdat het verwijtbare gedrag van [werknemer] de interne verhouding binnen (het management van) [werkgever] betreft, terwijl het verwijtbare gedrag van [werkgever] de (externe) relatie met de klant betreft.
Onverwijlde opzegging en mededeling van de dringende reden
4.11.
[werkgever] stelt niet alleen dat er sprake is van een dringende reden, maar ook van een onverwijlde opzegging en een onverwijlde mededeling van de dringende reden door de ontslagbrief van 3 december 2024. [werknemer] betwist dat er sprake is van een onverwijlde opzegging. Daartoe voert hij aan dat [werkgever] al op 28 november 2024 op de hoogte was van alle relevante feiten en omstandigheden, maar pas op 3 december 2024 het ontslag op staande voet heeft gegeven. [werkgever] wijst er in dit kader op dat zij [werknemer] wel al op 28 november 2024 heeft geschorst en dat zij vrijdag 29 november 2024 en maandag 2 december 2024 de relevante e-mailcorrespondentie heeft onderzocht, overleg heeft gevoerd met het managementteam en de aandeelhouder en juridisch advies heeft ingewonnen. De kantonrechter is van oordeel dat [werkgever] hiermee voldoende voortvarend heeft gehandeld, mede gelet op het weekend dat tussen donderdag 28 november 2024 en dinsdag 3 december 2024 zit.
4.12.
Kortom, de kantonrechter is van oordeel dat [werkgever] de arbeidsovereenkomst met [werknemer] op 3 december 2024 rechtsgeldig heeft opgezegd met onmiddellijke ingang.
4.13.
Het verzoek van [werknemer] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt afgewezen, omdat het ontslag rechtsgeldig is.
4.14.
Wat betreft het verzoek om [werkgever] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding overweegt de kantonrechter als volgt. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat sprake is van feiten en omstandigheden die een dringende reden opleveren voor het ontslag op staande voet. Die feiten en omstandigheden brengen in dit geval ook mee dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van handelen of nalaten van [werknemer] dat als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. Daarom is in beginsel geen transitievergoeding verschuldigd. Echter, [werknemer] doet ook een beroep op artikel 7:673 lid 8 BW, waarin is bepaald dat de kantonrechter aan de werknemer ondanks zijn ernstige verwijtbaarheid toch de transitievergoeding geheel of gedeeltelijk kan toekennen als het niet toekennen ervan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Daarvan is naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval sprake. Daarbij spelen met name de volgende feiten en omstandigheden een rol: de lange duur van het dienstverband, het relatief – ten opzichte van zijn functie en laatst genoten loon – lage opleidingsniveau van [werknemer] en het feit dat [werkgever] het door [werknemer] aangepaste testplan wel heeft gebruikt richting haar klant. In dat licht zal de kantonrechter de transitievergoeding gedeeltelijk toewijzen, namelijk ter hoogte van twee bruto maandsalarissen inclusief vakantiegeld en 13e maand. Dat betekent dat in plaats van de volledige transitievergoeding van € 31.738,03 een bedrag zal worden toegewezen van € 15.869,02 bruto. Deze gedeeltelijke transitievergoeding zal verrekend worden met de aan [werkgever] toekomende gefixeerde schadevergoeding. Deze bedraagt, zoals later in deze beschikking zal worden toegelicht, € 15.119,00 bruto, zodat van de gedeeltelijke transitievergoeding nog door [werkgever] aan [werknemer] betaald moet worden een bedrag van € 750,02 bruto. De gevorderde wettelijke rente hierover is op grond van artikel 7:686a lid 1 BW toewijsbaar vanaf 3 januari 2025 tot de dag van de (volledige) betaling.
4.15.
Met betrekking tot de eindafrekening is niet meer in geschil dat [werkgever] wel een eindafrekening heeft opgesteld, maar wegens een beroep op verrekening met de gefixeerde schadevergoeding niet heeft uitbetaald. Aangezien de gefixeerde schadevergoeding al volledig wordt verrekend met de gedeeltelijke transitievergoeding zal de vordering tot betaling van de eindafrekening van € 344,47 netto worden toegewezen. De gevorderde wettelijke verhoging zal worden gematigd tot 10% (€ 34,44), aangezien ook wettelijke rente zal worden toegewezen en [werkgever] in de veronderstelling verkeerde dat zij deze schuld kon verrekenen met de door haar gevorderde gefixeerde schadevergoeding. De gevorderde wettelijke rente over het voorgaande is eveneens toewijsbaar vanaf 3 januari 2025 tot de dag van de (volledige) betaling.
4.16.
De proceskosten komen voor rekening van [werknemer] , omdat [werknemer] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [werknemer] . De proceskosten aan de zijde van [werkgever] worden begroot op € 1.221,00 (€ 1.086,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
4.17.
Gezien deze (eind)beslissing komt de kantonrechter niet toe aan de behandeling van de door [werknemer] gevorderde voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv.
Ten aanzien van zaak 11520627
4.18.
Hetgeen hiervoor is overwogen in de zaak 11520337 dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
4.19.
Gelet op het voorgaande is de gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar.
4.20.
Uit het overwogene over de rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet volgt dat [werknemer] [werkgever] naar het oordeel van de kantonrechter door ernstig verwijtbar handelen een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen. Dat brengt op grond van artikel 7:677 lid 2 BW mee dat [werknemer] aan [werkgever] een vergoeding verschuldigd is. Op grond van artikel 7:677 lid 3 aanhef en onder a. BW is deze gefixeerde schadevergoeding gelijk aan het loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging door in dit geval [werknemer] had behoren voort te duren. Gelet op de voor [werknemer] geldende opzegtermijn van een maand tegen het einde van de maand loopt deze termijn in dit geval vanaf 4 december 2024 tot en met 31 januari 2025. [werkgever] heeft onweersproken gesteld dat het loon over deze periode € 15.119,00 bruto bedraagt, zodat [werkgever] recht heeft op de door haar gevorderde gefixeerde schadevergoeding ter hoogte van dit bedrag. Zoals is overwogen wordt dit bedrag volledig verrekend met de aan [werknemer] toekomende gedeeltelijke transitievergoeding, zodat [werknemer] niet zal worden veroordeeld tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding.
4.21.
De proceskosten komen voor rekening van [werknemer] , omdat [werknemer] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [werknemer] . De proceskosten aan de zijde van [werkgever] worden begroot op € 1.461,00 aan griffierecht. Gelet op de samenhang tussen deze zaak en zaak 11520337 – waarin [werknemer] eveneens is veroordeeld in de proceskosten, waaronder € 1.086,00 aan salaris gemachtigde – wordt het salaris van de gemachtigde in deze zaak geacht te zijn begrepen in voormelde € 1.086,00.