Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-04-10
ECLI:NL:RBZWB:2025:6758
Civiel recht; Arbeidsrecht
Beschikking
1,876 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer / rekestnummer: 11641233 \ AZ VERZ 25-26
Beschikking van 10 april 2025
in de zaak van
[werknemer]
,
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. C.E. Kriens
tegen
[werkgever] B.V.,
te [plaats 2] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: mr. D.K. Nijhuis.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt [werknemer] om vernietiging van haar ontslag op staande voet. [werkgever] stelt echter dat [werknemer] niet-ontvankelijk is, omdat zij het verzoek na het verstrijken van de vervaltermijn heeft ingediend. In een eerdere – ook nog lopende – zaak tegen [BV] heeft [werknemer] ook om vernietiging van haar ontslag op staande voet verzocht. In die zaak stelt [BV] zich op het standpunt dat [BV] niet de juiste partij is, omdat [werknemer] een arbeidsovereenkomst met [werkgever] zou hebben gesloten. [werkgever] stelt zich eveneens op dat standpunt. [BV] en [werkgever] verwijzen in dat kader naar een op 16 oktober 2020 door [werknemer] ondertekende arbeidsovereenkomst tussen haar en [werkgever] . [werknemer] betwist echter dat zij die arbeidsovereenkomst heeft ondertekend. In een beschikking in de zaak tussen [werknemer] en [BV] van eveneens vandaag heeft de kantonrechter overwogen dat hij het voornemen heeft om een deskundige te benoemen om onderzoek te doen naar de vraag of [werknemer] de arbeidsovereenkomst met [werkgever] heeft ondertekend. De kantonrechter zal de behandeling van onderhavig verzoek van [werknemer] tegen [werkgever] aanhouden totdat partijen zich in de zaak tussen [werknemer] en [BV] hebben uitgelaten over het voornemen van de kantonrechter en als er een deskundigenonderzoek wordt bevolen totdat het betreffende onderzoek is afgerond. Immers, (de uitkomst van) dat deskundigenonderzoek kan ook van belang zijn voor de beoordeling van onderhavige zaak. Daarom zullen alle stukken die in het kader van het (voornemen tot het bevelen van het) deskundigenonderzoek worden ingediend in de zaak [werknemer] tegen [BV] tevens geacht worden onderdeel uit te maken van het procesdossier in de zaak van [werknemer] tegen [werkgever] . Dat sluit ook aan bij de gelijktijdige en gezamenlijke mondelinge behandeling die in beide procedures heeft plaatsgevonden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- het verweerschrift, met een (voorwaardelijk) tegenverzoek
- het (voorwaardelijk) verweerschrift met (voorwaardelijk) nevenverzoek
- de mondelinge behandeling van 20 februari 2025, die gelijktijdig en gezamenlijk plaatsvond met de mondelinge behandeling van de procedure tussen [werknemer] en [BV] en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en ten behoeve waarvan de gemachtigden van partijen hun spreekaantekeningen hebben ingediend.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.
Feiten
2.1.
[werknemer] , geboren [1985] , is op 10 juli 2017 bij [BV] in dienst getreden. De functie van [werknemer] is huishoudelijke hulp met een loon van € 999,13 bruto per maand.
2.2.
Op 20 maart 2024 is [werknemer] uitgevallen wegens ziekte.
2.3.
Op 16 oktober 2024 was [werknemer] vrijwilliger tijdens een toernooi bij de lokale voetbalvereniging.
2.4.
Op 21 oktober 2024 is [werknemer] op staande voet ontslagen.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
[werknemer] verzoekt de kantonrechter het ontslag op staande voet te vernietigen en [werkgever] te veroordelen tot betaling van loon met nevenvorderingen. Volgens [werknemer] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig.
3.2.
[werkgever] voert verweer en stelt (primair) dat [werknemer] niet-ontvankelijk is in haar verzoek, omdat [werknemer] onderhavige verzoek pas na het verstrijken van de vervaltermijnen van artikel 7:686a BW heeft ingediend.
Beoordeling
4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd en of [werkgever] moet worden veroordeeld tot betaling van loon. Gelet op de standpunten van partijen in deze zaak en in de procedure tussen [werknemer] en [BV] dient daarvoor eerst de vraag beantwoord te worden of [werknemer] op het moment van het ontslag op staande voet (nog) in dienst was bij [BV] of dat zij met ingang van 5 oktober 2020 bij [werkgever] in dienst is getreden. De kantonrechter verwijst in dit kader naar hetgeen hij hiervoor heeft overwogen onder ‘De zaak in het kort’.
4.2.
Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter iedere verdere beslissing aanhouden totdat partijen zich in de zaak tussen [werknemer] en [BV] hebben uitgelaten over het voornemen van de kantonrechter tot het benoemen van een deskundige en als er een deskundigenonderzoek wordt bevolen totdat het betreffende onderzoek is afgerond. De kantonrechter geeft partijen nog wel het volgende mee.
4.3.
Als [BV] slaagt in het bewijs dat [werknemer] de arbeidsovereenkomst met [werkgever] heeft ondertekend, zal het uitgangspunt zijn dat [werknemer] met ingang van 5 oktober 2020 in dienst is bij [werkgever] . [werkgever] stelt zich echter op het standpunt dat [werknemer] dan (ook) niet-ontvankelijk is in haar verzoek tegen [werkgever] wegens het verstrijken van de vervaltermijn van artikel 7:686a BW. Zonder daarmee voortuit te willen lopen op de uiteindelijke beslissing wil de kantonrechter partijen ten aanzien daarvan meegeven dat niet uitgesloten kan worden dat het beroep van [werkgever] op de vervaltermijn zal worden verworpen, indien geoordeeld wordt dat dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
4.4.
In het geval dat de kantonrechter oordeelt dat het beroep van [werkgever] op de vervaltermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zal vervolgens beoordeeld moeten worden of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. De kantonrechter wil partijen meegeven dat niet uitgesloten kan worden dat in dat geval het ontslag op staande voet vernietigd zal kunnen worden wegens het ontbreken van een dringende reden. Dat zou meebrengen dat [werknemer] nog in dienst is bij [werkgever] . In dat geval zal de kantonrechter toekomen aan beoordeling van het voorwaardelijke tegenverzoek van [werkgever] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
bepaalt dat de zaak zal worden aangehouden totdat partijen zich in de zaak tussen [werknemer] en [BV] hebben uitgelaten over het voornemen van de kantonrechter om een deskundige te benoemen en als er een deskundigenonderzoek wordt bevolen totdat het betreffende onderzoek is afgerond,
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2025.