Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-04-10
ECLI:NL:RBZWB:2025:6756
Civiel recht; Arbeidsrecht
Beschikking
2,784 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer / rekestnummer: 11453166 \ AZ VERZ 24-95
Beschikking van 10 april 2025
in de zaak van
[werknemer]
,
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. C.E. Kriens,
tegen
[werkgever]
,
te [plaats 2] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: mr. D.K. Nijhuis.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt [werknemer] om vernietiging van haar ontslag op staande voet. [werkgever] stelt echter dat zij niet de juiste partij is, omdat [werknemer] een arbeidsovereenkomst met [B.V.] heeft gesloten. [werkgever] verwijst daarvoor naar een op 16 oktober 2020 door [werknemer] ondertekende arbeidsovereenkomst tussen haar en [B.V.] . [werknemer] betwist echter dat zij die arbeidsovereenkomst heeft ondertekend. Daarom heeft de kantonrechter het voornemen om een deskundige benoemen om onderzoek te doen naar voormelde handtekening. Nadat partijnen zich hebben uitgelaten over dat voornemen zal de kantonrechter het verzoek van [werknemer] verder behandelen.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- het verweerschrift, met een (voorwaardelijk) tegenverzoek
- het (voorwaardelijk) verweerschrift met (voorwaardelijk) nevenverzoek
- de mondelinge behandeling van 20 februari 2025, die gelijktijdig en gezamenlijk plaatsvond met de mondelinge behandeling van de procedure tussen [werknemer] en [B.V.] en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en ten behoeve waarvan de gemachtigden van partijen hun spreekaantekeningen hebben ingediend.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.
Feiten
2.1.
[werknemer] , geboren 4 december 1985, is op 10 juli 2017 bij [werkgever] in dienst getreden. De functie van [werknemer] is huishoudelijke hulp met een loon van € 999,13 bruto per maand.
2.2.
Op 20 maart 2024 is [werknemer] uitgevallen wegens ziekte.
2.3.
Op 16 oktober 2024 was [werknemer] vrijwilliger tijdens een toernooi bij de lokale voetbalvereniging.
2.4.
Op 21 oktober 2024 is [werknemer] op staande voet ontslagen.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
[werknemer] verzoekt de kantonrechter (primair) het ontslag op staande voet te vernietigen en [werkgever] te veroordelen tot betaling van loon met nevenvorderingen. Volgens [werknemer] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig.
3.2.
[werkgever] voert verweer en stelt (primair) dat [werknemer] niet-ontvankelijk is in haar verzoek, omdat niet [werkgever] , maar [B.V.] de (huidige) werkgever van [werknemer] is.
Beoordeling
4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd en of [werkgever] moet worden veroordeeld tot betaling van loon. Gelet op het gevoerde verweer moet echter eerst de vraag beantwoord worden of [werknemer] met [werkgever] de juiste partij in rechte heeft betrokken.
4.2.
Partijen zijn het erover eens dat [werknemer] bij [werkgever] in dienst is getreden. [werkgever] stelt echter dat [werknemer] sinds 5 oktober 2020 niet langer bij [werkgever] in dienst is, maar op die datum bij [B.V.] in dienst is getreden. De kantonrechter overweegt dat als dat het geval is, [werknemer] inderdaad niet-ontvankelijk is in haar verzoek tegen [werkgever] . Echter, als [werknemer] op 21 oktober 2024 nog in dienst was bij [werkgever] is zij wel ontvankelijk in haar verzoek.
4.3.
Ter onderbouwing van haar stelling wijst [werkgever] onder meer op loonspecificaties van [werknemer] op naam van [B.V.] , stukken van de bedrijfsarts met vermelding van [B.V.] en de ontslagbrief van [B.V.] . Maar op de eerste plaats wijst [werkgever] in dit kader op de arbeidsovereenkomst tussen [B.V.] en [werknemer] die op 16 oktober 2020 door [werknemer] ondertekend zou zijn. [werknemer] ontkent echter stellig dat zij deze arbeidsovereenkomst heeft ondertekend. Tijdens de mondelinge behandeling wees [werkgever] erop dat [werknemer] de betreffende arbeidsovereenkomst heeft ondertekend met een (stylus)pen op de iPad, vermoedelijk bij medewerkster [naam] . [werknemer] gaf echter aan dat zij nog nooit iets op een iPad heeft ondertekend.
4.4.
De kantonrechter is vooralsnog van oordeel dat voor de vraag of [werknemer] ontvankelijk is in haar verzoek tegen [werkgever] de kwestie met de arbeidsovereenkomst doorslaggevend is. Als [werknemer] de arbeidsovereenkomst met [B.V.] heeft ondertekend, is zij in beginsel daar in dienst sinds 5 oktober 2020. Echter, als [werknemer] de arbeidsovereenkomst met [B.V.] niet heeft ondertekend, is zij in beginsel in dienst gebleven bij [werkgever] . De enkele vermelding van [B.V.] op de loonspecificaties, de stukken van de bedrijfsarts en de ontslagbrief zijn niet van voldoende gewicht om aan het geschilpunt van de ondertekening van de arbeidsovereenkomst voorbij te (kunnen) gaan.
4.5.
Aangezien [werkgever] zich beroept op een schriftelijke (arbeids)overeenkomst, waarvan de ondertekening door [werknemer] stellig wordt ontkend is artikel 159 lid 2 Rv van toepassing. Op grond van dat artikel levert de betreffende arbeidsovereenkomst geen bewijs op, zolang niet bewezen is van wie de ondertekening afkomstig is.
4.6.
Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter overweegt om een onderzoek door een deskundige in te laten stellen. Voordat daartoe wordt overgegaan, zal de kantonrechter partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over:
- de wenselijkheid van een deskundigenbericht;
- de aan de deskundige voor te leggen vragen.
4.7.
De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat de volgende vragen moeten worden gesteld:
Is de handtekening en zijn de parafen op de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen [B.V.] en [werknemer] (overgelegd als productie 1 bij het verweerschrift) afkomstig van [werknemer] ?
Als niet met volledige zekerheid kan worden geoordeeld dat voormelde handtekening wel of niet van [werknemer] afkomstig is, met welke mate van zekerheid kan dan hierover een uitspraak worden gedaan?
Wat is volgens u de kans dat – gelet op de stellingen van [werknemer] onder met name 7. van de spreekaantekeningen van haar gemachtigde – de handtekening en de parafen op de betreffende arbeidsovereenkomst vals zijn, in die zin dat [werknemer] die niet met een (stylus)pen heeft gezet, maar dat ze bijvoorbeeld zijn gekopieerd en geplakt uit een ander document?
Wilt u bij de beantwoording van de vragen zoveel mogelijk onderbouwen op welke gronden u tot uw beantwoording bent gekomen?
Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?
4.8.
De kantonrechter ziet in de bewijslastverdeling aanleiding om te bepalen dat het voorschot op de kosten van de deskundige door [werkgever] moet worden betaald.
4.9.
In het eindvonnis zal de kantonrechter beslissen wie van partijen uiteindelijk de kosten van de deskundige moet betalen.
4.10.
De kantonrechter gaat ervan uit dat partijen in onderling overleg overeenstemming bereiken over de persoon die als deskundige gaat optreden. Voor zover partijen daarover geen overeenstemming kunnen bereiken en om die reden iedere partij een deskundige voorstelt, moeten partijen gemotiveerd aangeven waarom zij de voorkeur geven aan de door henzelf voorgestelde deskundige en waarom de door de wederpartij voorgestelde deskundige niet voor benoeming in aanmerking mag komen. Daarbij valt te denken aan zwaarwegende redenen als gebrek aan deskundigheid of gerechtvaardigde twijfels met betrekking tot de onpartijdigheid van de deskundige. Die zwaarwegende redenen moeten worden onderbouwd. De kantonrechter zal dan, na weging van de onderbouwing vóór en tegen de benoeming van een potentiële deskundige, een door partijen aangedragen deskundige of een eigen deskundige benoemen.
4.11.
De kantonrechter zal bepalen dat partijen zich hierover uiterlijk 1 mei 2025 bij schriftelijk bericht kunnen uitlaten. Partijen moeten het concept-bericht uiterlijk een week vóór 1 mei 2025 naar elkaar toesturen, zodat zij in hun definitieve bericht op het bericht van de wederpartij kunnen reageren.
4.12.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden, maar de kantonrechter geeft partijen nog wel het volgende mee.
4.13.
Als [werkgever] niet slaagt in het bewijs zal het uitgangspunt zijn dat [werknemer] in dienst is bij [werkgever] en ontvankelijk is in haar verzoek tegen [werkgever] (en niet-ontvankelijk in haar verzoek tegen [B.V.] ). Zonder daarmee voortuit te willen lopen op de uiteindelijke beslissing wil de kantonrechter partijen meegeven dat niet uitgesloten kan worden dat in dat geval in de procedure tegen [werkgever] het ontslag op staande voet vernietigd zal worden wegens het ontbreken van een dringende reden. Dat zou meebrengen dat [werknemer] in dienst is (gebleven) van [werkgever] en dan zal de kantonrechter toekomen aan de beoordeling van het voorwaardelijke tegenverzoek van [werkgever] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
4.14.
Als [werkgever] wel slaagt in het bewijs zal het uitgangspunt zijn dat [werknemer] met ingang van 5 oktober 2020 niet meer in dienst is bij [werkgever] , maar bij [B.V.] . Dan is het uitgangspunt verder dat [werknemer] niet-ontvankelijk is in haar verzoek tegen [werkgever] .
Dictum
De kantonrechter
5.1.
bepaalt dat de zaak zal worden aangehouden tot donderdag 24 april 2025 om beide partijen in de gelegenheid te stellen een bericht in te dienen waarin zij zich uitlaten over het aangekondigde deskundigenbericht,
5.2.
bepaalt dat partijen elkaar uiterlijk een week vóór de hiervoor genoemde datum het concept-bericht moeten toesturen, zodat zij ieder in hun eigen bericht nog kunnen reageren op de standpunten van de wederpartij,
5.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2025.