Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-01-28
ECLI:NL:RBZWB:2025:675
Strafrecht
Raadkamer
1,286 tokens
Dictum
[verzoeker],
geboren op [datum] 2004 te [plaats],
wonende op het [adres],
mr. N.R. Coffi, advocaat te Amersfoort,
hierna te noemen: verzoeker.
Procesverloop
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het op 16 september 2024 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
€ 270,00, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
€ 6,38, voor vergoeding van reiskosten;
€ 81,68, voor vergoeding van gederfde inkomsten;
€ 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
de aantekening van het mondelinge vonnis van de kantonrechter van 23 juli 2023 waarbij verzoeker is vrijgesproken;
de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie;
de overige stukken in het raadkamerdossier.
Op 14 januari 2025 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis en mr. N.R. Coffie als gemachtigd advocaat van verzoeker, gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
De advocaat van verzoeker heeft aangevoerd dat door indiening van verzet op 1 augustus 2022 tegen de aan verzoeker uitgevaardigde strafbeschikking, hij zich onmiskenbaar als advocaat van verzoeker heeft gesteld. Door het CVOM wordt - na later blijkt - verzuimd om dit in het systeem te registreren. Verzoeker heeft daarom alleen zelf een oproep voor de kantonzitting van 23 juli 2023 ontvangen en de advocaat niet. Gelet op de lange doorlooptijd van de zaak was verzoeker wellicht vergeten dat hij de advocaat om hulp had gevraagd en omdat hij van de advocaat ook niets hoorde, heeft verzoeker uiteindelijk zonder enige vorm van rechtsbijstand de zitting bijgewoond. Pas op 2 augustus 2024 heeft de advocaat vernomen dat de strafzaak tegen verzoeker was afgedaan. Door toedoen van het CVOM is verzoeker de kans op rechtsbijstand ontnomen, terwijl hij de zaak eerder in goed vertrouwen aan de advocaat had gegeven. Om die reden acht de advocaat het rechtvaardig en billijk om verzoeker ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek en aan hem de verzochte vergoeding van gemaakte kosten toe te kennen. Deze kosten zijn redelijk en onderbouwd.
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn verzoek, nu het verzoek te laat is ingediend. Dat het contact tussen de advocaat en het CVOM niet goed is verlopen, doet daar niet aan af. Verzoeker is vrijgesproken en was bij de zitting aanwezig. Hij heeft een eigen verantwoordelijkheid in het geheel. Subsidiair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de verzochte vergoeding toewijsbaar is.
Beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd.
Op grond van artikel 529, tweede lid, Sv dient een verzoek tot schadevergoeding binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak te worden ingediend. Het vonnis waarbij verzoeker is vrijgesproken is op 28 juli 2023 onherroepelijk geworden. Het verzoek is op 16 september 2024 op de griffie binnengekomen. De rechtbank stelt vast dat het verzoek feitelijk te laat is ingediend. Uit hetgeen door de advocaat naar voren is gebracht kan worden afgeleid dat het CVOM de advocaat ten onrechte niet als gemachtigde heeft aangemerkt. Dit laat naar het oordeel van de rechtbank echter onverlet dat tussen verzoeker en de advocaat een dienstverleningsovereenkomst zou zijn en dat als verzoeker verzuimt om de advocaat (verder) bij zijn zaak te betrekken, dat niet voor rekening van de Staat dient te komen. Nu het vonnis op tegenspraak was, ziet de rechtbank in het verzuim van het CVOM geen aanleiding om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Daarom zal de verzoeker niet-ontvankelijk worden verklaard in het verzoek.
Hetgeen voor het overige is aangevoerd behoeft gelet op het voorgaande geen verdere bespreking.
Dictum
De rechtbank verklaart de verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. T.M. Brouwer, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2025.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.