Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-06-23
ECLI:NL:RBZWB:2025:6718
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
9,758 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster I Civiele kantonzaken
Tilburg
zaak/rolnr.: 11745868 VV EXPL 25-50
vonnis in kort geding d.d. 23 juni 2025
inzake
[eiseres]
,
wonende te [adres] ,
eiseres,
gedeeltelijk kosteloos procederend met een toevoeging met nummer: [nummer] ,
gemachtigde: mr. J. van Boekel, advocaat te Tilburg,
tegen
de stichting Stichting WonenBreburg,
gevestigd en kantoorhoudende te (5041 AB) Tilburg aan het adres Joannes van Oisterwijkstraat 35,
gedaagde,
gemachtigde: mr. C.P. van den Berg, advocaat te Leiden.
Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiseres] ” en “WonenBreburg”.
De zaak in het kort
1Het verloop van het geding
1.1
De procesgang blijkt uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 16 juni 2025 met producties;
de brief van WonenBreburg van 17 juni 2025 met producties.
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 juni 2025. Ter zitting waren aanwezig [eiseres] in persoon, bijgestaan door mr. Van Boekel voornoemd, alsmede [naam 1] en [naam 2] , werkzaam bij WonenBreburg, bijgestaan door mr. Van den Berg voornoemd. De gemachtigden van partijen hebben op de mondelinge behandeling hun pleitaantekeningen overgelegd en voorgelezen. Van het verhandelde op de mondelinge behandeling zijn aantekeningen gemaakt.
2De vaststaande feiten
2.1
WonenBreburg is een woningbouwcoöperatie en een toegelaten instelling, zoals bedoeld in artikel 19 van de Woningwet.
2.2
[eiseres] huurt met ingang van 28 augustus 2012 de woning, staande en gelegen te [adres] (verder: het gehuurde) van WonenBreburg.
2.3
Tussen partijen heeft in 2020 een kort geding gelopen onder zaaknummer 374692 KG ZA 20-396. Deze procedure is geëindigd in het vonnis van 15 oktober 2020, waarin [eiseres] is veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, rente en kosten.
2.4
In 2021 heeft WonenBreburg een bodemprocedure gestart tegen [eiseres] . Deze is geëindigd in de vaststellingsovereenkomst van 4 april 2022, waarin partijen onder andere afstand doen van hun vorderingen over en weer, behalve voor wat betreft de proceskostenveroordeling in de procedure onder nummer 374692 KG ZA 20-396.
2.5
Bij dagvaarding van 16 oktober 2023 is WonenBreburg een bodemprocedure gestart tegen [eiseres] , waarin zij ontruiming van het gehuurde vorderde, alsmede de betaling van huurachterstand en nevenvorderingen. Deze procedure is geëindigd in het vonnis van 27 maart 2024, waarin de betaling van de huurachterstand is toegewezen. De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde zijn afgewezen. Daarover is overwogen: “(…) Alle omstandigheden afgewogen, is de kantonrechter van oordeel dat het toewijzen van een ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning in deze situatie niet passend is. [eiseres] heeft een huurachterstand laten ontstaan, maar is niet geheel gestopt met betalen. Zij heeft uitgelegd waardoor zij in financiële problemen is gekomen en is bezig dit op te lossen. Geheel ten overvloede merkt de kantonrechter op dat [eiseres] er misschien goed aan zou doen hierbij (meer) hulp te zoeken en aanvaarden (…)”.
2.6
WonenBreburg heeft bij dagvaarding van 11 juli 2024 een kort geding aanhangig gemaakt, waarin zij vorderde het gehuurde te ontruimen en [eiseres] te veroordelen tot betaling van de op dat moment openstaande huurachterstand. Deze procedure is geëindigd in het vonnis van 25 juli 2024, waarin de kantonrechter heeft overwogen en beslist:
“(…) 4.4. [eiseres] heeft op 10 juli 2024, één dag vóór het uitbrengen van de dagvaarding, een bedrag van € 1.126,14 betaald. De gemachtigde van [eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat [eiseres] daarmee dacht huurachterstand te betalen, maar zij heeft per abuis niet goed gekeken en de betaling toegewezen aan de proceskostenveroordeling uit het vonnis van 27 maart 2024. De gemachtigde verzoekt deze betaling alsnog toe te wijzen aan de huurachterstand, zodat deze gedeeltelijk zal zijn ingelopen. Nu sprake is van een kennelijke vergissing van [eiseres] bij de betaling van het bedrag van € 1.126,14, zal de kantonrechter dit bedrag inderdaad toerekenen aan de (huur)achterstand. Daardoor was op het moment van dagvaarden sprake van een (huur)achterstand van € 1.328,53 (€ 2.454,67 - € 1.126,14), inclusief een bedrag van € 212,47 voor het vervangen van een binnendeur. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is voldoende aannemelijk dat deze vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Dit bedrag zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente die onweersproken is. Voor de goede orde en om misverstanden bij [eiseres] te voorkomen, merkt de kantonrechter nog het volgende op. De toerekening door de kantonrechter aan de (huur)achterstand van het door [eiseres] betaalde bedrag van € 1.126,14, betekent uiteraard dat [eiseres] de proceskosten-veroordeling van € 1.126,14 uit het vonnis van 27 maart 2024 nog wel onverkort aan WonenBreburg verschuldigd is. (…)
4.5.
De kantonrechter is van oordeel dat het betalingsgedrag van [eiseres] , bestaande uit het herhaaldelijk te laat of niet betalen van de huur, een zodanig ernstige tekortkoming oplevert dat dit in beginsel een ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. Verder is op zich ook volkomen begrijpelijk dat het geduld van WonenBreburg met [eiseres] op is, want ondanks mooie toezeggingen van [eiseres] is daarna nog steeds niets terecht gekomen van een tijdige en volledige huurbetaling. Dat hieraan plotselinge uitkeringsperikelen ten grondslag liggen is vervelend voor [eiseres] , maar WonenBreburg gaat dat niet aan. Temeer niet gelet op de lange voorgeschiedenis van problematisch betalingsgedrag van [eiseres] . In beginsel kan van WonenBreburg daarom niet worden verlangd dat zij [eiseres] nog langer in het genot van het gehuurde laat. En de kantonrechter acht het dan ook voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure ten minste een voorwaardelijke ontbinding van de huurovereenkomst zal worden toegewezen. [eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling om een terme de grace gevraagd. De kantonrechter begrijpt hieruit dat [eiseres] om een allerlaatste kans vraagt om haar woning te behouden. Omdat het woonbelang van haar zwaar weegt, zal [eiseres] die
allerlaatste kans
(onderstreping door de kantonrechter) van de kantonrechter krijgen om de ontruiming te voorkomen. Om de belangen van WonenBreburg bij die laatste kans voor [eiseres] te waarborgen, zullen aan die allerlaatste kans echter bijzonder strenge voorwaarden worden verbonden, in die zin dat de kantonrechter de vordering tot ontruiming voorwaardelijk zal toewijzen, zoals hierna in de beslissing is bepaald. [eiseres] moet zich daarbij goed realiseren -en haar advocaat dient haar daar zo nodig nog eens heel goed op te wijzen- dat het niet nakomen van de daar genoemde voorwaarde door [eiseres] automatisch met zich meebrengt dat zij het door haar gehuurde dan alsnog zal moeten ontruimen. [eiseres] heeft het vanaf nu dan ook helemaal zelf in de hand of dit al dan niet gebeurt.
Geschil
3.1
[eiseres] vordert om bij wege van voorlopige voorziening, bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, WonenBreburg te verbieden tot ontruiming van het gehuurde over te gaan, dan wel de executie van het vonnis van 25 juli 2024 onder zaaknummer 11195985 VV EXPL: 24-63 te staken en gestaakt te houden op straffe van een dwangsom, met veroordeling van WonenBreburg in de proceskosten.
3.2
Als onderbouwing van haar vordering stelt [eiseres] dat WonenBreburg zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de huur niet op tijd is betaald. In de dagvaarding verwijst zij als onderbouwing van haar stelling naar het bedrag van € 1.126,41 dat op 10 juli 2024 is betaald, dat ten onrechte op de proceskosten uit een eerdere procedure in mindering is gebracht. Daarnaast verwijst zij naar het totaalbedrag van € 290,42 dat op 11 augustus 2024 is betaald en ontbreekt op het betaaloverzicht van WonenBreburg. Op de mondelinge behandeling heeft zij nog gewezen op het bedrag van € 424,26 dat op 5 maart 2021 is betaald, terwijl in de vaststellingsovereenkomst van 4 april 2022 de huur tot en met maart 2021 is kwijtgescholden. Zij stelt dat er feitelijk sprake is van een voorstand in de huurbetalingen. WonenBreburg heeft de betalingen van [eiseres] dus niet juist geadministreerd, zodat niet van de huurachterstanden in de tussen partijen gewezen vonnissen uit kan worden gegaan. De voorstand in de huurbetalingen leidt ertoe dat WonenBreburg niet gerechtigd is het vonnis van 25 juli 2024 ten uitvoer te leggen. Daarnaast is sprake van een na het vonnis ontstane noodtoestand bij [eiseres] . Zij is gediagnosticeerd met kanker en hoort komende maand welk behandelingstraject wordt ingegaan. Tot slot moeten de belangen van partijen worden gewogen om te bepalen of de ontruiming gerechtvaardigd is. Daarbij is van belang dat [eiseres] haar woning dreigt kwijt te raken. Voor WonenBreburg is dit één van de vele woningen in haar bezit. Zij heeft dus enkel een financieel belang. Het belang van WonenBreburg is dat zij afwil van het ‘slepersgedrag’ van [eiseres] en daarvan is inmiddels sprake omdat [eiseres] voorloopt in de huurbetalingen. Bovendien had het op de weg van WonenBreburg gelegen om [eiseres] eerst op een achterstand aan te spreken en een incassoprocedure te starten, voordat zij tot ontruiming zou overgaan.
3.3
WonenBreburg voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.
3.4
Als onderbouwing van haar verweer wijst zij erop dat in het vonnis van 25 juli 2024, waarvan niet in hoger beroep is gegaan, is geoordeeld dat [eiseres] een laatste kans krijgt om op tijd te gaan betalen, waarbij zij ervoor dient zorg te dragen dat iedere huurbetaling voor de eerste van de maand wordt ontvangen door WonenBreburg. Als [eiseres] dit nalaat, is WonenBreburg direct gerechtigd het gehuurde te ontruimen. Dit staat duidelijk in het vonnis vermeld en dit heeft de behandelend kantonrechter ook duidelijk op de mondelinge behandeling met partijen besproken. [eiseres] was dan ook een gewaarschuwd mens. Vanaf februari 2025 betaalt [eiseres] de huur in delen en een aantal dagen te laat. Uit coulance heeft WonenBreburg op dat moment daar nog geen actie op ondernomen. In mei 2025 was op de veertiende nog geen betaling ontvangen, zodat WonenBreburg alsnog heeft besloten het vonnis ten uitvoer te gaan leggen. Dit heeft zij bericht aan [eiseres] , waarna de huur op 19 mei 2025 werd ontvangen. Er is geen sprake van een voorstand in de huur, omdat in het vonnis van 25 juli 2024 het bedrag van € 1.126,41 al in mindering is gebracht op de op dat moment openstaande huurachterstand. Het bedrag van € 290,42 ziet op de betaling van indexeringen. Het ter mondelinge behandeling aangehaalde bedrag, dat op 5 maart 2001 is betaald, kan WonenBreburg niet thuisbrengen op de mondelinge behandeling. Zij kon geen contact krijgen met degene die dat na kon kijken. Zij blijft erbij dat er geen sprake is van misbruik van bevoegdheid, omdat de tekst van het vonnis van 25 juli 2024 duidelijk is. Er is bovendien niet enkel een financieel belang bij WonenBreburg, nu de betaling van de huur een kernverplichting is uit hoofde van de huurovereenkomst en de exploitatie en liquiditeit van WonenBreburg raakt. Er is al jarenlang sprake van wanbetaling en WonenBreburg heeft [eiseres] meerdere handreikingen gedaan door haar hulp bij haar financiën aan te raden en een andere huurwoning voor een lagere huurprijs aan te bieden. Hiermee is [eiseres] niet akkoord gegaan. Dit heeft uiteindelijk geleid tot de laatste kans, die [eiseres] heeft gekregen in het vonnis van 25 juli 2024. Deze heeft zij niet aangepakt. Tot slot is niet onderbouwd dat sprake is van een noodtoestand. Mocht de vordering worden toegewezen, vraagt WonenBreburg de dwangsom te beperken.
Beoordeling
Toetsingskader:
4.1
In een executiegeschil kan de kantonrechter de tenuitvoerlegging van een executoriale titel slechts schorsen, indien er – kort gezegd – sprake is van misbruik van bevoegdheid (artikel 3:13 BW) Daarvan is sprake indien de executant (in dit geval WonenBreburg) – mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde (in dit geval [eiseres] ) die door de executie zullen worden geschaad – geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn/haar bevoegdheid tot executie over te gaan. Dit zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de executie op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde executie niet kan worden aanvaard. (ECLI:NL:HR:1983:AG4575).
Voorstand huurbetalingen:
4.2
[eiseres] stelt dat sprake is van een misbruik van bevoegdheid door WonenBreburg om het vonnis van 25 juli 2024 ten uitvoer te leggen, omdat er een voorstand is in de huurbetalingen.
4.3
De kantonrechter overweegt dat [eiseres] er steeds op wijst dat de administratie van WonenBreburg niet zou kloppen en daarmee de voorstand in de huurbetalingen aannemelijker zou zijn. Zij gaat daarbij echter voorbij aan het feit dat zij zich stelt op het standpunt dat de huur zou zijn betaald en zij op grond van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering die betalingen dient te bewijzen als deze worden betwist door WonenBreburg. Het bewijsrisico ligt dus aan haar zijde.
4.4
In de procedure, die heeft geleid tot het vonnis van 25 juli 2024, is aangenomen dat de huurachterstand € 2.454,67 was ten tijde van die procedure. Hier is het bedrag van € 1.126,14, dat volgens [eiseres] ten onrechte op de proceskosten in een eerdere procedure was betaald, vanaf getrokken, zodat een bedrag van € 1.328,53 aan achterstallige huur wordt toegewezen. Er is dus al rekening gehouden met het bedrag van € 1.126,14. Dit bedrag kan dus niet als voorstand worden aangenomen.
4.5
Ook volgt (impliciet) uit dat vonnis dat er al rekening is gehouden met het bedrag van € 424,26, dat is betaald op 5 maart 2021, nu de kantonrechter in dat vonnis de op dat moment geldende huurachterstand heeft vastgesteld. De kantonrechter gaat daar in deze procedure ook vanuit. Hoewel [eiseres] stelt dat dit bedrag niet klopt, heeft zij geen hoger beroep tegen dat vonnis ingesteld. Ook heeft zij niet iedere betaling overgelegd sinds maart 2021, waaruit zou moeten blijken dat er toch een voorstand is in de huurbetalingen. Bovendien heeft zij pas op de mondelinge behandeling een beroep gedaan op dit bedrag, zonder nadere onderbouwing, terwijl het op haar weg had gelegen dit al in haar dagvaarding op te nemen, zodat WonenBreburg hier gedegen op had kunnen reageren. Aan dit bedrag gaat de kantonrechter dan ook voorbij.
4.6
Tot slot doet zij nog een beroep op het bedrag van € 290,42, dat op 11 augustus 2024 is betaald. WonenBreburg stelt dat dit bedrag in mindering is betaald op indexeringen, die [eiseres] afzonderlijk betaalde van de huurpenningen. Wat daar ook van zij, maakt dit bedrag niet dat [eiseres] een voorstand had in de huurbetalingen van de huur over één maand (of meer). Ook al was dit een voorstand had [eiseres] , gelet op de beslissing in het vonnis van 25 juli 2024, het restant van de huur iedere keer voor de eerste van de maand moeten voldoen. Dit heeft zij niet gedaan.
Noodtoestand:
4.7
[eiseres] voert vervolgens als noodtoestand aan dat zij met kanker is gediagnosticeerd. Deze stelling heeft zij niet onderbouwd. Daarbij blijkt uit haar uitleg op de mondelinge behandeling niet dat bekend is welke vorm van kanker zij heeft, hoe ernstig het is en welke behandeling zij moet ondergaan. Het voorgaande leidt ertoe, hoe vervelend ook voor [eiseres] , dat onvoldoende is onderbouwd dat haar gezondheidssituatie leidt tot een noodtoestand die tot toewijzing van de vordering kan leiden.
Geen rechtens te respecteren belang:
4.8
Tot slot overweegt de kantonrechter dat uit de tussen partijen gevoerde procedures volgt dat er al jarenlang sprake is van wanbetaling door [eiseres] . Op dit moment zijn de huurachterstanden uit het verleden zelfs nog niet volledig betaald door [eiseres] . Uit het vonnis van 25 juli 2024 volgt dat [eiseres] een laatste kans is geboden onder de strikte voorwaarde dat [eiseres] tijdig de huur zou gaan betalen. Ook is zij door WonenBreburg en de diverse behandelend rechters er meerdere malen op gewezen structurele hulp te zoeken bij haar financiën. Dit heeft zij afgehouden en zelf is het haar niet gelukt zich aan de voorwaarde van het vonnis van 25 juli 2024 te houden. Er is wederom een huurachterstand ontstaan. Die heeft ze weliswaar weer ingelopen, maar dat maakt niet dat geoordeeld moet worden dat WonenBreburg geen rechtens te respecteren belang heeft om gebruik te maken van het vonnis. WonenBreburg heeft (gelet op haar eigen financiële continuïteit) immers belang bij correct en op tijd betalende huurders. [eiseres] was – na het laatste vonnis van de kantonrechter – een meer dan gewaarschuwd mens.
4.9
Aan het voorgaande doet niet af dat er niet (nog) een incassoprocedure is ingezet door WonenBreburg. Uit het vonnis van 25 juli 2024 volgt immers dat dit niet meer nodig was. Het lag op de weg van [eiseres] om op tijd te betalen. Dit heeft zij niet gedaan.
Conclusie
4.10
Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering van [eiseres] wordt afgewezen.
4.11
[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het geding. Aan de zijde van WonenBreburg worden deze begroot op € 543,00 aan gemachtigdensalaris en € 135,00 aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing).
Dictum
De kantonrechter:
wijst de vordering af;
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten van € 678,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiseres] niet op tijd aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij ook de kosten van betekening betalen;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2025.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster I Civiele kantonzaken
Tilburg
zaak/rolnr.: 11745868 VV EXPL 25-50
vonnis in kort geding d.d. 23 juni 2025
inzake
[eiseres]
,
wonende te [adres] ,
eiseres,
gedeeltelijk kosteloos procederend met een toevoeging met nummer: [nummer] ,
gemachtigde: mr. J. van Boekel, advocaat te Tilburg,
tegen
de stichting Stichting WonenBreburg,
gevestigd en kantoorhoudende te (5041 AB) Tilburg aan het adres Joannes van Oisterwijkstraat 35,
gedaagde,
gemachtigde: mr. C.P. van den Berg, advocaat te Leiden.
Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiseres] ” en “WonenBreburg”.
De zaak in het kort
1Het verloop van het geding
1.1
De procesgang blijkt uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 16 juni 2025 met producties;
de brief van WonenBreburg van 17 juni 2025 met producties.
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 juni 2025. Ter zitting waren aanwezig [eiseres] in persoon, bijgestaan door mr. Van Boekel voornoemd, alsmede [naam 1] en [naam 2] , werkzaam bij WonenBreburg, bijgestaan door mr. Van den Berg voornoemd. De gemachtigden van partijen hebben op de mondelinge behandeling hun pleitaantekeningen overgelegd en voorgelezen. Van het verhandelde op de mondelinge behandeling zijn aantekeningen gemaakt.
2De vaststaande feiten
2.1
WonenBreburg is een woningbouwcoöperatie en een toegelaten instelling, zoals bedoeld in artikel 19 van de Woningwet.
2.2
[eiseres] huurt met ingang van 28 augustus 2012 de woning, staande en gelegen te [adres] (verder: het gehuurde) van WonenBreburg.
2.3
Tussen partijen heeft in 2020 een kort geding gelopen onder zaaknummer 374692 KG ZA 20-396. Deze procedure is geëindigd in het vonnis van 15 oktober 2020, waarin [eiseres] is veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, rente en kosten.
2.4
In 2021 heeft WonenBreburg een bodemprocedure gestart tegen [eiseres] . Deze is geëindigd in de vaststellingsovereenkomst van 4 april 2022, waarin partijen onder andere afstand doen van hun vorderingen over en weer, behalve voor wat betreft de proceskostenveroordeling in de procedure onder nummer 374692 KG ZA 20-396.
2.5
Bij dagvaarding van 16 oktober 2023 is WonenBreburg een bodemprocedure gestart tegen [eiseres] , waarin zij ontruiming van het gehuurde vorderde, alsmede de betaling van huurachterstand en nevenvorderingen. Deze procedure is geëindigd in het vonnis van 27 maart 2024, waarin de betaling van de huurachterstand is toegewezen. De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde zijn afgewezen. Daarover is overwogen: “(…) Alle omstandigheden afgewogen, is de kantonrechter van oordeel dat het toewijzen van een ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning in deze situatie niet passend is. [eiseres] heeft een huurachterstand laten ontstaan, maar is niet geheel gestopt met betalen. Zij heeft uitgelegd waardoor zij in financiële problemen is gekomen en is bezig dit op te lossen. Geheel ten overvloede merkt de kantonrechter op dat [eiseres] er misschien goed aan zou doen hierbij (meer) hulp te zoeken en aanvaarden (…)”.
2.6
WonenBreburg heeft bij dagvaarding van 11 juli 2024 een kort geding aanhangig gemaakt, waarin zij vorderde het gehuurde te ontruimen en [eiseres] te veroordelen tot betaling van de op dat moment openstaande huurachterstand. Deze procedure is geëindigd in het vonnis van 25 juli 2024, waarin de kantonrechter heeft overwogen en beslist:
“(…) 4.4. [eiseres] heeft op 10 juli 2024, één dag vóór het uitbrengen van de dagvaarding, een bedrag van € 1.126,14 betaald. De gemachtigde van [eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat [eiseres] daarmee dacht huurachterstand te betalen, maar zij heeft per abuis niet goed gekeken en de betaling toegewezen aan de proceskostenveroordeling uit het vonnis van 27 maart 2024. De gemachtigde verzoekt deze betaling alsnog toe te wijzen aan de huurachterstand, zodat deze gedeeltelijk zal zijn ingelopen. Nu sprake is van een kennelijke vergissing van [eiseres] bij de betaling van het bedrag van € 1.126,14, zal de kantonrechter dit bedrag inderdaad toerekenen aan de (huur)achterstand. Daardoor was op het moment van dagvaarden sprake van een (huur)achterstand van € 1.328,53 (€ 2.454,67 - € 1.126,14), inclusief een bedrag van € 212,47 voor het vervangen van een binnendeur. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is voldoende aannemelijk dat deze vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Dit bedrag zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente die onweersproken is. Voor de goede orde en om misverstanden bij [eiseres] te voorkomen, merkt de kantonrechter nog het volgende op. De toerekening door de kantonrechter aan de (huur)achterstand van het door [eiseres] betaalde bedrag van € 1.126,14, betekent uiteraard dat [eiseres] de proceskosten-veroordeling van € 1.126,14 uit het vonnis van 27 maart 2024 nog wel onverkort aan WonenBreburg verschuldigd is. (…)
4.5.
De kantonrechter is van oordeel dat het betalingsgedrag van [eiseres] , bestaande uit het herhaaldelijk te laat of niet betalen van de huur, een zodanig ernstige tekortkoming oplevert dat dit in beginsel een ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. Verder is op zich ook volkomen begrijpelijk dat het geduld van WonenBreburg met [eiseres] op is, want ondanks mooie toezeggingen van [eiseres] is daarna nog steeds niets terecht gekomen van een tijdige en volledige huurbetaling. Dat hieraan plotselinge uitkeringsperikelen ten grondslag liggen is vervelend voor [eiseres] , maar WonenBreburg gaat dat niet aan. Temeer niet gelet op de lange voorgeschiedenis van problematisch betalingsgedrag van [eiseres] . In beginsel kan van WonenBreburg daarom niet worden verlangd dat zij [eiseres] nog langer in het genot van het gehuurde laat. En de kantonrechter acht het dan ook voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure ten minste een voorwaardelijke ontbinding van de huurovereenkomst zal worden toegewezen. [eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling om een terme de grace gevraagd. De kantonrechter begrijpt hieruit dat [eiseres] om een allerlaatste kans vraagt om haar woning te behouden. Omdat het woonbelang van haar zwaar weegt, zal [eiseres] die
allerlaatste kans
(onderstreping door de kantonrechter) van de kantonrechter krijgen om de ontruiming te voorkomen. Om de belangen van WonenBreburg bij die laatste kans voor [eiseres] te waarborgen, zullen aan die allerlaatste kans echter bijzonder strenge voorwaarden worden verbonden, in die zin dat de kantonrechter de vordering tot ontruiming voorwaardelijk zal toewijzen, zoals hierna in de beslissing is bepaald. [eiseres] moet zich daarbij goed realiseren -en haar advocaat dient haar daar zo nodig nog eens heel goed op te wijzen- dat het niet nakomen van de daar genoemde voorwaarde door [eiseres] automatisch met zich meebrengt dat zij het door haar gehuurde dan alsnog zal moeten ontruimen. [eiseres] heeft het vanaf nu dan ook helemaal zelf in de hand of dit al dan niet gebeurt.
Geschil
3.1
[eiseres] vordert om bij wege van voorlopige voorziening, bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, WonenBreburg te verbieden tot ontruiming van het gehuurde over te gaan, dan wel de executie van het vonnis van 25 juli 2024 onder zaaknummer 11195985 VV EXPL: 24-63 te staken en gestaakt te houden op straffe van een dwangsom, met veroordeling van WonenBreburg in de proceskosten.
3.2
Als onderbouwing van haar vordering stelt [eiseres] dat WonenBreburg zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de huur niet op tijd is betaald. In de dagvaarding verwijst zij als onderbouwing van haar stelling naar het bedrag van € 1.126,41 dat op 10 juli 2024 is betaald, dat ten onrechte op de proceskosten uit een eerdere procedure in mindering is gebracht. Daarnaast verwijst zij naar het totaalbedrag van € 290,42 dat op 11 augustus 2024 is betaald en ontbreekt op het betaaloverzicht van WonenBreburg. Op de mondelinge behandeling heeft zij nog gewezen op het bedrag van € 424,26 dat op 5 maart 2021 is betaald, terwijl in de vaststellingsovereenkomst van 4 april 2022 de huur tot en met maart 2021 is kwijtgescholden. Zij stelt dat er feitelijk sprake is van een voorstand in de huurbetalingen. WonenBreburg heeft de betalingen van [eiseres] dus niet juist geadministreerd, zodat niet van de huurachterstanden in de tussen partijen gewezen vonnissen uit kan worden gegaan. De voorstand in de huurbetalingen leidt ertoe dat WonenBreburg niet gerechtigd is het vonnis van 25 juli 2024 ten uitvoer te leggen. Daarnaast is sprake van een na het vonnis ontstane noodtoestand bij [eiseres] . Zij is gediagnosticeerd met kanker en hoort komende maand welk behandelingstraject wordt ingegaan. Tot slot moeten de belangen van partijen worden gewogen om te bepalen of de ontruiming gerechtvaardigd is. Daarbij is van belang dat [eiseres] haar woning dreigt kwijt te raken. Voor WonenBreburg is dit één van de vele woningen in haar bezit. Zij heeft dus enkel een financieel belang. Het belang van WonenBreburg is dat zij afwil van het ‘slepersgedrag’ van [eiseres] en daarvan is inmiddels sprake omdat [eiseres] voorloopt in de huurbetalingen. Bovendien had het op de weg van WonenBreburg gelegen om [eiseres] eerst op een achterstand aan te spreken en een incassoprocedure te starten, voordat zij tot ontruiming zou overgaan.
3.3
WonenBreburg voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.
3.4
Als onderbouwing van haar verweer wijst zij erop dat in het vonnis van 25 juli 2024, waarvan niet in hoger beroep is gegaan, is geoordeeld dat [eiseres] een laatste kans krijgt om op tijd te gaan betalen, waarbij zij ervoor dient zorg te dragen dat iedere huurbetaling voor de eerste van de maand wordt ontvangen door WonenBreburg. Als [eiseres] dit nalaat, is WonenBreburg direct gerechtigd het gehuurde te ontruimen. Dit staat duidelijk in het vonnis vermeld en dit heeft de behandelend kantonrechter ook duidelijk op de mondelinge behandeling met partijen besproken. [eiseres] was dan ook een gewaarschuwd mens. Vanaf februari 2025 betaalt [eiseres] de huur in delen en een aantal dagen te laat. Uit coulance heeft WonenBreburg op dat moment daar nog geen actie op ondernomen. In mei 2025 was op de veertiende nog geen betaling ontvangen, zodat WonenBreburg alsnog heeft besloten het vonnis ten uitvoer te gaan leggen. Dit heeft zij bericht aan [eiseres] , waarna de huur op 19 mei 2025 werd ontvangen. Er is geen sprake van een voorstand in de huur, omdat in het vonnis van 25 juli 2024 het bedrag van € 1.126,41 al in mindering is gebracht op de op dat moment openstaande huurachterstand. Het bedrag van € 290,42 ziet op de betaling van indexeringen. Het ter mondelinge behandeling aangehaalde bedrag, dat op 5 maart 2001 is betaald, kan WonenBreburg niet thuisbrengen op de mondelinge behandeling. Zij kon geen contact krijgen met degene die dat na kon kijken. Zij blijft erbij dat er geen sprake is van misbruik van bevoegdheid, omdat de tekst van het vonnis van 25 juli 2024 duidelijk is. Er is bovendien niet enkel een financieel belang bij WonenBreburg, nu de betaling van de huur een kernverplichting is uit hoofde van de huurovereenkomst en de exploitatie en liquiditeit van WonenBreburg raakt. Er is al jarenlang sprake van wanbetaling en WonenBreburg heeft [eiseres] meerdere handreikingen gedaan door haar hulp bij haar financiën aan te raden en een andere huurwoning voor een lagere huurprijs aan te bieden. Hiermee is [eiseres] niet akkoord gegaan. Dit heeft uiteindelijk geleid tot de laatste kans, die [eiseres] heeft gekregen in het vonnis van 25 juli 2024. Deze heeft zij niet aangepakt. Tot slot is niet onderbouwd dat sprake is van een noodtoestand. Mocht de vordering worden toegewezen, vraagt WonenBreburg de dwangsom te beperken.
Beoordeling
Toetsingskader:
4.1
In een executiegeschil kan de kantonrechter de tenuitvoerlegging van een executoriale titel slechts schorsen, indien er – kort gezegd – sprake is van misbruik van bevoegdheid (artikel 3:13 BW) Daarvan is sprake indien de executant (in dit geval WonenBreburg) – mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde (in dit geval [eiseres] ) die door de executie zullen worden geschaad – geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn/haar bevoegdheid tot executie over te gaan. Dit zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de executie op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde executie niet kan worden aanvaard. (ECLI:NL:HR:1983:AG4575).
Voorstand huurbetalingen:
4.2
[eiseres] stelt dat sprake is van een misbruik van bevoegdheid door WonenBreburg om het vonnis van 25 juli 2024 ten uitvoer te leggen, omdat er een voorstand is in de huurbetalingen.
4.3
De kantonrechter overweegt dat [eiseres] er steeds op wijst dat de administratie van WonenBreburg niet zou kloppen en daarmee de voorstand in de huurbetalingen aannemelijker zou zijn. Zij gaat daarbij echter voorbij aan het feit dat zij zich stelt op het standpunt dat de huur zou zijn betaald en zij op grond van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering die betalingen dient te bewijzen als deze worden betwist door WonenBreburg. Het bewijsrisico ligt dus aan haar zijde.
4.4
In de procedure, die heeft geleid tot het vonnis van 25 juli 2024, is aangenomen dat de huurachterstand € 2.454,67 was ten tijde van die procedure. Hier is het bedrag van € 1.126,14, dat volgens [eiseres] ten onrechte op de proceskosten in een eerdere procedure was betaald, vanaf getrokken, zodat een bedrag van € 1.328,53 aan achterstallige huur wordt toegewezen. Er is dus al rekening gehouden met het bedrag van € 1.126,14. Dit bedrag kan dus niet als voorstand worden aangenomen.
4.5
Ook volgt (impliciet) uit dat vonnis dat er al rekening is gehouden met het bedrag van € 424,26, dat is betaald op 5 maart 2021, nu de kantonrechter in dat vonnis de op dat moment geldende huurachterstand heeft vastgesteld. De kantonrechter gaat daar in deze procedure ook vanuit. Hoewel [eiseres] stelt dat dit bedrag niet klopt, heeft zij geen hoger beroep tegen dat vonnis ingesteld. Ook heeft zij niet iedere betaling overgelegd sinds maart 2021, waaruit zou moeten blijken dat er toch een voorstand is in de huurbetalingen. Bovendien heeft zij pas op de mondelinge behandeling een beroep gedaan op dit bedrag, zonder nadere onderbouwing, terwijl het op haar weg had gelegen dit al in haar dagvaarding op te nemen, zodat WonenBreburg hier gedegen op had kunnen reageren. Aan dit bedrag gaat de kantonrechter dan ook voorbij.
4.6
Tot slot doet zij nog een beroep op het bedrag van € 290,42, dat op 11 augustus 2024 is betaald. WonenBreburg stelt dat dit bedrag in mindering is betaald op indexeringen, die [eiseres] afzonderlijk betaalde van de huurpenningen. Wat daar ook van zij, maakt dit bedrag niet dat [eiseres] een voorstand had in de huurbetalingen van de huur over één maand (of meer). Ook al was dit een voorstand had [eiseres] , gelet op de beslissing in het vonnis van 25 juli 2024, het restant van de huur iedere keer voor de eerste van de maand moeten voldoen. Dit heeft zij niet gedaan.
Noodtoestand:
4.7
[eiseres] voert vervolgens als noodtoestand aan dat zij met kanker is gediagnosticeerd. Deze stelling heeft zij niet onderbouwd. Daarbij blijkt uit haar uitleg op de mondelinge behandeling niet dat bekend is welke vorm van kanker zij heeft, hoe ernstig het is en welke behandeling zij moet ondergaan. Het voorgaande leidt ertoe, hoe vervelend ook voor [eiseres] , dat onvoldoende is onderbouwd dat haar gezondheidssituatie leidt tot een noodtoestand die tot toewijzing van de vordering kan leiden.
Geen rechtens te respecteren belang:
4.8
Tot slot overweegt de kantonrechter dat uit de tussen partijen gevoerde procedures volgt dat er al jarenlang sprake is van wanbetaling door [eiseres] . Op dit moment zijn de huurachterstanden uit het verleden zelfs nog niet volledig betaald door [eiseres] . Uit het vonnis van 25 juli 2024 volgt dat [eiseres] een laatste kans is geboden onder de strikte voorwaarde dat [eiseres] tijdig de huur zou gaan betalen. Ook is zij door WonenBreburg en de diverse behandelend rechters er meerdere malen op gewezen structurele hulp te zoeken bij haar financiën. Dit heeft zij afgehouden en zelf is het haar niet gelukt zich aan de voorwaarde van het vonnis van 25 juli 2024 te houden. Er is wederom een huurachterstand ontstaan. Die heeft ze weliswaar weer ingelopen, maar dat maakt niet dat geoordeeld moet worden dat WonenBreburg geen rechtens te respecteren belang heeft om gebruik te maken van het vonnis. WonenBreburg heeft (gelet op haar eigen financiële continuïteit) immers belang bij correct en op tijd betalende huurders. [eiseres] was – na het laatste vonnis van de kantonrechter – een meer dan gewaarschuwd mens.
4.9
Aan het voorgaande doet niet af dat er niet (nog) een incassoprocedure is ingezet door WonenBreburg. Uit het vonnis van 25 juli 2024 volgt immers dat dit niet meer nodig was. Het lag op de weg van [eiseres] om op tijd te betalen. Dit heeft zij niet gedaan.
Conclusie
4.10
Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering van [eiseres] wordt afgewezen.
4.11
[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het geding. Aan de zijde van WonenBreburg worden deze begroot op € 543,00 aan gemachtigdensalaris en € 135,00 aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing).
Dictum
De kantonrechter:
wijst de vordering af;
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten van € 678,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiseres] niet op tijd aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij ook de kosten van betekening betalen;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2025.