Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-04-17
ECLI:NL:RBZWB:2025:6698
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
1,290 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster I Civiele kantonzaken
Tilburg
zaak/rolnr.: 11617392 VV EXPL 25-22
vonnis in kort geding d.d. 17 april 2025
inzake
de rechtspersoonlijkheid bezittende stichting Stichting WonenBreburg,
gevestigd en kantoorhoudende te Tilburg,
eiseres,
gemachtigde: mr. M.M. de Cock, advocaat te Tilburg,
tegen
de besloten vennootschap [de bewindvoerder] B.V., gevestigd te [plaats] op een geheim adres, in haar hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van [gedaagde], voorheen wonende te [plaats] aan het [adres],
gedaagde,
gedeeltelijk kosteloos procederend via een toevoeging met nummer: [nummer],
gemachtigde: mr. J.M. Molkenboer, advocaat te Tilburg.
Partijen worden hierna aangeduid als “WonenBreburg”, “[de bewindvoerder]” en “[gedaagde]”.
1Het verloop van het geding
1.1
De procesgang blijkt uit de volgende stukken:
a. de dagvaarding van 28 maart 2025 met producties;
b. de brief van WonenBreburg van 1 april 2025 met één productie;
c. de brief van [gedaagde] van 2 april 2025;
d. het e-mailbericht van 2 april 2025 met één productie.
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 april 2025. Ter zitting waren aanwezig [naam 1], woonconsulent bij WonenBreburg, bijgestaan door mr. De Cock voornoemd, alsmede [gedaagde] in persoon en [naam 2] namens [de bewindvoerder], bijgestaan door mr. Molkenboer voornoemd. Van het verhandelde ter zitting zijn aantekeningen gemaakt.
1.3
Na de mondelinge behandeling is vonnis bepaald op heden.
1.4
Namens [de bewindvoerder] heeft haar gemachtigde bij brief van 9 april 2025 bericht dat [gedaagde] op zondag 6 april 2025 om het leven is gekomen bij een brand in het gehuurde. Het overlijden van [gedaagde] leidt, gelet op het bepaalde in artikel 225 lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en het feit dat de datum van het vonnis al was bepaald, niet tot schorsing van het geding.
Geschil
2.1
WonenBreburg vordert – kort gezegd – ontruiming van het gehuurde, met veroordeling van [de bewindvoerder], in haar hoedanigheid van bewindvoerder, in de proceskosten, de nakosten en de wettelijke rente daarover. Zij stelt dat de persoonlijke situatie [gedaagde] en zijn gedrag als huurder sinds begin februari 2025 ernstig is verslechterd, waardoor WonenBreburg genoodzaakt is deze procedure aanhangig te maken. Er is sprake van diverse tekortkomingen in de nakoming van de huurovereenkomst, waarbij [gedaagde] een gevaar vormt voor zichzelf en omwonenden. Ondanks de tussenkomst van WonenBreburg en de politie, hulp en begeleiding van Team Bemoeizorg en de tussen WonenBreburg en [gedaagde] gevoerde gesprekken en gesloten gedragsaanwijzing veranderde het gedrag van [gedaagde] niet. Van WonenBreburg kan onder die omstandigheden niet worden gevergd dat zij de huurovereenkomst in stand laat.
2.2
[de bewindvoerder] en [gedaagde] erkennen ter mondelinge behandeling dat de door WonenBreburg gestelde incidenten zich hebben voorgedaan. [de bewindvoerder] wijst erop dat [gedaagde] al ruim 38 jaar het gehuurde huurde en er alleen de laatste twee maanden sprake is van de gestelde overlast. Ook ontbreekt er een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening, nu de GGZ de situatie van [gedaagde] onvoldoende ernstig heeft beoordeeld voor de crisisdienst. Tot slot is de hulpverlening aan [gedaagde] pas een aantal weken actief, zodat [gedaagde] een laatste kans zou moeten worden geboden om zijn leven op orde te krijgen.
2.3
In deze procedure dient te worden beoordeeld of WonenBreburg een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorziening en of aannemelijk is dat de vorderingen van WonenBreburg tot ontbinding van de huurovereenkomst, de ontruiming van het gehuurde met nevenvorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat het – mede gelet op de belangen van partijen over en weer – gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd.
2.4
De kantonrechter is van oordeel dat, nu [gedaagde] is overleden, WonenBreburg geen (spoedeisend) belang meer heeft bij de gevraagde voorziening. Deze wordt dan ook afgewezen. De stellingen en weren van partijen hoeven dus niet te worden besproken.
2.5
Gelet op de omstandigheden van het geval, ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dictum
De kantonrechter:
wijst de vordering af;
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partijen de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Eijssen-Vruwink en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2025.