Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-09-30
ECLI:NL:RBZWB:2025:6690
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,013 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/4080
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van
30 september 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats 1] , verzoekster,
(gemachtigde: mr. J.E. de Glopper),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Borsele (het college), verweerder.
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster voor een tegemoetkoming leerlingenvervoer voor haar [zoon] . Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het college aan verzoekster een vergoeding verstrekt voor het reizen naar de [basisschool] te [plaats 2] voor [de zoon] en een begeleider, tot vier weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt.
1.2.
Het inhoudelijk oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Tot voor kort woonde verzoekster in [plaats 1] . Haar [zoon] gaat naar een basisschool voor speciaal onderwijs, [basisschool] in [plaats 2] . Vorig schooljaar ontving verzoekster van de gemeente Reimerswaal een voorziening voor leerlingenvervoer.
2.1.
In verband met haar verhuizing naar [plaats 3] heeft verzoekster een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming leerlingenvervoer bij de gemeente Borsele. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 14 augustus 2025 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en [naam 2] en [naam 3] namens het college. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling
Heeft verzoekster een spoedeisend belang?
3. Verzoekster heeft over de spoedeisendheid van haar verzoek aangevoerd dat zij financieel niet in staat is het leerlingenvervoer zelf, met behulp van haar nieuwe partner, te bekostigen. Ter zitting heeft verzoekster verteld dat zij op dit moment [de zoon] zelf naar school brengt en ophaalt, maar dat zij hierdoor min-uren bij haar werk opbouwt. Gelet hierop heeft verzoekster een spoedeisend belang bij haar verzoek om een voorlopige voorziening.
Leerlingenvervoer
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat niet (langer) in geschil is dat [basisschool] in [plaats 4] de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor [de zoon] is vanaf de huidige woonplaats van verzoekster. De discussie spitst zich toe op de vraag of de hardheidsclausule uit artikel 25 van de Verordening bekostiging Leerlingenvervoer Gemeente Borsele 2024 moet worden toegepast.
4.1.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college onvoldoende gemotiveerd dat geen sprake is van een bijzonder geval. De elementen die hierbij een rol spelen zijn dat het gaat om gescheiden ouders die op een aanzienlijke afstand van elkaar wonen, dat [de zoon] is aangewezen op speciaal onderwijs, dat hij rust en stabiliteit nodig heeft en dat vanwege problemen tussen de ouders vervangende toestemming van de rechtbank nodig was om hem in te schrijven op [basisschool] in [plaats 2] .
Alle elementen zijn op zichzelf staand wellicht niet heel bijzonder, maar de combinatie daarvan maakt dat het college extra aandacht moet bestreden aan de vraag of de hardheidsclausule moet worden toegepast.
4.2.
Het college stelt op zich terecht dat het niet gebonden is aan de uitspraak van de rechtbank over de vervangende toestemming, maar verzoekster is daar wel aan gebonden, zodat [de zoon] op dit moment alleen aan deze school kan worden ingeschreven. Verzoekster zou een nieuwe procedure kunnen starten om vervangende toestemming van de rechtbank te verkrijgen om [de zoon] in [plaats 4] op school te kunnen inschrijven, maar de vraag is of dit in alle redelijkheid van haar gevergd kan worden vanwege de onzekere uitkomst, maar ook vanwege het belang van [de zoon] bij stabiliteit en rust. Uit dat oogpunt lijkt het van belang dat hij op dezelfde school kan blijven en niet weer moet wisselen van school.
4.3.
Daarnaast is onduidelijk of er andere mogelijkheden zijn voor het vervoer, zoals begeleiding door familie of anderen in het netwerk van verzoekster. In de bezwaarfase moet ook dit nader worden onderzocht.
4.4.
Op basis van de uitkomsten van het onderzoek naar alle hiervoor genoemde aspecten zal het college nader moeten bezien en motiveren of er aanleiding is voor toepassing van de hardheidsclausule.
4.5.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het van groot belang dat [de zoon] , in afwachting van de beslissing op bezwaar, gewoon naar school kan blijven gaan in [plaats 2] . Daarom zal hij een voorlopige voorziening treffen. Daarbij zal hij geen (taxi)vervoer door de gemeente voorschrijven, maar een kostenvergoeding voor [de zoon] en een begeleider voor het reizen naar de school in [plaats 2] . Op deze manier blijft, in het belang van [de zoon] , de reis naar zijn basisschool stabiel.
Conclusie
5. In afwachting van de beslissing op bezwaar treft de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening dat het college aan verzoekster een vergoeding dient te verstrekken voor het reizen naar de [basisschool] te [plaats 2] , op basis van de kosten van het openbaar vervoer, voor [de zoon] en een begeleider, tot vier weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Het college dient te berekenen hoeveel deze kosten bedragen.
5.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoekster vergoeden evenals haar proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.
Dictum
De voorzieningenrechter:
treft de voorlopige voorziening dat het college aan verzoekster een vergoeding verstrekt voor het reizen naar de [basisschool] te [plaats 2] op basis van de kosten het openbaar vervoer voor [de zoon] en een begeleider, tot vier weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan verzoekster moet vergoeden;
veroordeelt het college tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.M.H. Meulensteen, griffier, ter zitting op 30 september 2025. De uitspraak wordt ook openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.