Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-10-08
ECLI:NL:RBZWB:2025:6674
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,410 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/2999, 25/2401 en 25/2402
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 oktober 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 7 februari 2024. De beroepen zien op de verzuimboetes opgelegd bij de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 2016 tot en met 2018 met aanslagnummers [BSN].H.66.01, [BSN].H.76.01, [BSN].H.86.01.
1.1.
De rechtbank heeft de beroepen op 10 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de inspecteur, mr. drs. [inspecteur 1] en [inspecteur 2].
1.2.
Belanghebbende is niet verschenen. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 16 mei 2025, onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Nu uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 22 mei 2025 om 16:19 uur is afgehaald en dat voor ontvangst is getekend, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.
1.3.
Ter zitting is gebleken dat de verweerschriften over de aanslagen IB/PVV 2016 en 2017 nog niet aan belanghebbende zijn doorgezonden. De beroepen zijn op zitting met de inspecteur besproken. De inspecteur heeft daarbij aangegeven dat hij geen behoefte heeft aan een nadere zitting.
1.4.
De griffier heeft op 14 juli 2025 de verweerschriften aan belanghebbende doorgezonden. De griffier heeft belanghebbende laten weten dat de rechtbank een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of belanghebbende het daarmee eens is. Omdat belanghebbende daarna niet om een zitting heeft gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek op 28 augustus 2025 gesloten.
Procesverloop
IB/PVV 2016
2. Belanghebbende is op 28 februari 2017 uitgenodigd tot het doen van aangifte. Belanghebbende heeft, na daartoe te zijn herinnerd op 6 juni 2017 en aangemaand op 7 juli 2017, geen aangifte gedaan.
2.1.
Met dagtekening 13 april 2018 is ambtshalve een aanslag opgelegd. Bij het opleggen van de aanslag is een verzuimboete van € 5.278,- opgelegd.
2.2.
Belanghebbende heeft bij brief met dagtekening 30 december 2023, ontvangen bij de inspecteur op 3 januari 2024, een bezwaarschrift ingediend. De bezwaren van belanghebbende zijn bij uitspraak op bezwaar van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk verklaard. De inspecteur heeft het bezwaarschrift tevens opgevat als een verzoek om ambtshalve vermindering en dat verzoek afgewezen.
IB/PVV 2017
2.3.
Belanghebbende is op 28 februari 2018 uitgenodigd tot het doen van aangifte. Belanghebbende heeft op 30 april 2018 en 3 september 2018 om uitstel gevraagd. Dit uitstel is verleend tot 1 november 2018. Belanghebbende heeft, na daartoe te zijn herinnerd op 21 november 2018 en aangemaand op 25 januari 2019, geen aangifte gedaan.
2.4.
Met dagtekening 26 april 2019 is ambtshalve een aanslag opgelegd. Bij het opleggen van de aanslag is een verzuimboete van € 5.278,- opgelegd.
2.5.
Belanghebbende heeft bij brief met dagtekening 30 december 2023, ontvangen bij de inspecteur op 3 januari 2024, een bezwaarschrift ingediend. De bezwaren van belanghebbende zijn bij uitspraak op bezwaar van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk verklaard. De inspecteur heeft het bezwaarschrift tevens opgevat als een verzoek om ambtshalve vermindering en dat verzoek afgewezen.
IB/PVV 2018
2.6.
Belanghebbende is op 28 februari 2019 uitgenodigd tot het doen van aangifte. Belanghebbende heeft op 30 april 2019 om uitstel gevraagd. Dit uitstel is verleend tot 1 september 2019. Belanghebbende heeft, na daartoe te zijn herinnerd op 21 oktober 2019 en aangemaand op 22 november 2019, geen aangifte gedaan.
2.7.
Met dagtekening 14 mei 2020 is ambtshalve een aanslag opgelegd. Bij het opleggen van de aanslag is een verzuimboete van € 5.278,- opgelegd.
2.8.
Op 22 juni 2020 en 23 juni 2020 heeft belanghebbende een aangifte inkomstenbelasting IB/PVV conform de aanslag ingediend.
2.9.
Belanghebbende heeft bij brief met dagtekening 30 december 2023, ontvangen bij de inspecteur op 3 januari 2024, een bezwaarschrift ingediend. De bezwaren van belanghebbende zijn bij uitspraak op bezwaar van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk verklaard. De inspecteur heeft het bezwaarschrift tevens opgevat als een verzoek om ambtshalve vermindering en dat verzoek afgewezen.
Beoordeling
3. De inspecteur heeft de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard omdat de bezwaren niet tijdig waren ingediend. De rechtbank komt tot het oordeel dat de bezwaren te laat zijn ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De inspecteur heeft de bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard.
3.1.
De inspecteur heeft de verzoeken om ambtshalve vermindering afgewezen, omdat deze buiten de vijfjaarstermijn zijn ingediend. De rechtbank komt tot het oordeel dat de verzoeken om ambtshalve vermindering van de verzuimboetes over 2016 en 2017 te laat zijn ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De inspecteur heeft de verzoeken terecht afgewezen. Daarom zijn de beroepen tegen de verzuimboetes over 2016 en 2017 ongegrond.
3.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat de overschrijding van de vijfjaarstermijn voor het jaar 2018 verschoonbaar is. De inspecteur heeft het verzoek om ambtshalve vermindering van de verzuimboete over 2018 onterecht op die grond heeft afgewezen. Dit leidt niet tot vermindering van de boete. De rechtbank heeft het verzoek inhoudelijk beoordeeld en ziet geen aanleiding voor een vermindering van de boete. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Motivering
Vooraf
4. In het beroepschrift vraagt belanghebbende aan de rechtbank om naar zijn omstandigheden te kijken en dat zijn verzoeken inhoudelijk worden bekeken. De inspecteur stemt in met het overslaan van de bezwaarfase (prorogatie). Belanghebbende heeft niet gereageerd op de vraag hierover van de rechtbank, maar de rechtbank begrijpt uit de beroepschriften dat het beroep van belanghebbende tevens is gericht tegen de afwijzing van de verzoeken om ambtshalve vermindering. De rechtbank acht het ook niet aangewezen om de inspecteur op te dragen om de beroepschriften als bezwaarschrift tegen die beslissingen in behandeling te nemen. Dit gelet op het standpunt van de inspecteur dat hij niet zal overgaan tot een inhoudelijke behandeling vanwege overschrijding van de vijfjaarstermijn. De rechtbank zal de afwijzing van de verzoeken om ambtshalve vermindering, in het kader van een efficiënte rechtsbescherming, daarom ook beoordelen.
Standpunten van partijen
4.1.
Belanghebbende geeft in beroep aan dat persoonlijke, medische en psychische omstandigheden hebben geleid tot het niet (tijdig) doen van aangifte en verzoekt om coulance, zowel ten aanzien van de termijnoverschrijding als de boetes. Ook geeft hij aan dat hij veel energie erin heeft gestoken om in december 2023 met de Belastingdienst in contact te komen. De inspecteur geeft in het verweerschrift aan dat het bezwaarschrift ruimschoots buiten de termijn is ingediend. De inspecteur ziet in de door belanghebbende aangevoerde omstandigheden geen verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Belanghebbende heeft voor de jaren 2020 tot en met 2023 tijdig aangifte gedaan en in die periode om uitstel gevraagd voor de aangifte IB/PVV 2019. Het was volgens de inspecteur voor belanghebbende dan ook mogelijk om tijdig te verzoeken om ambtshalve vermindering. Ook ziet de inspecteur geen reden tot vermindering van de boetes.
IB/PVV 2016 en 2017
Ontvankelijkheid bezwaren
4.2.
De rechtbank overweegt ten aanzien van de boetes over 2016 en 2017 dat de laatste van de dag van de bezwaartermijn, gelet op de dagtekening van de aanslagbiljetten en de wettelijke bezwaartermijn van zes weken, 25 mei 2018 (IB/PVV 2016) en 7 juni 2019 (IB/PVV 2017) is. De bezwaren zijn op 3 januari 2024 door de inspecteur ontvangen en daarmee ruimschoots buiten de bezwaartermijn ingediend. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.
4.3.
Alhoewel de rechtbank begrip heeft voor de situatie van belanghebbende, oordeelt de rechtbank dat de termijnoverschrijding wel aan belanghebbende is toe te rekenen. Naar de rechtbank begrijpt is er sprake van langdurige problematiek bij belanghebbende. Belanghebbende heeft geen hulp ingeschakeld, terwijl hij dat – gelet op de langdurige problematiek – wel had moeten doen. Hij heeft veel te laat bezwaar gemaakt, ruim 4,5 respectievelijk 5,5 jaar. De rechtbank is verder niet gebleken van niet aan belanghebbende toe te rekenen omstandigheden of geringe verwijtbaarheid aan de zijde van belanghebbende.
Verzoeken om ambtshalve vermindering
4.4.
Een verzoek om ambtshalve vermindering moet worden gedaan binnen vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft. De inspecteur heeft de verzoeken afgewezen omdat deze niet binnen die termijn zijn gedaan. De inspecteur heeft voor de beslissing om de verzoeken om ambtshalve vermindering af te wijzen gekeken naar de datum waarop het verzoek is ontvangen, dat is op 3 januari 2024, en de datum waarop de vijfjaarstermijn verliep. Dat is op 31 december 2021 (2016) en op 31 december 2022 (2017).
4.5.
Een verzoek om ambtshalve vermindering dat na afloop van de vijfjaarstermijn is ingediend, moet in behandeling worden genomen als de overschrijding van de vijfjaarstermijn ‘verschoonbaar’ is. De rechtbank heeft onder 4.3 geconcludeerd dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding voor het te laat indienen van de bezwaren. Dit oordeel van de rechtbank is ook van overeenkomstige toepassing op de verzoeken om ambtshalve vermindering. Bovendien was het voor belanghebbende, gelet op hetgeen de inspecteur onder 4.1 heeft aangevoerd, mogelijk om tijdig te verzoeken om ambtshalve vermindering. De inspecteur heeft de verzoeken om ambtshalve vermindering terecht afgewezen.
IB/PVV 2018
Ontvankelijkheid bezwaar
4.6.
De rechtbank overweegt ten aanzien van de boete over 2018 dat de laatste dag van de bezwaartermijn, gelet op de dagtekening van het aanslagbiljet en de wettelijke bezwaartermijn van zes weken, 25 juni 2020 is. Het bezwaarschrift op 3 januari 2024 door de inspecteur ontvangen en daarmee ruimschoots buiten de bezwaartermijn ingediend.
4.7.
Belanghebbende stelt dat met de aangiften op 22 juni 2020 en 23 juni 2020 tijdig bezwaar is gemaakt. Deze aangiften zijn door de inspecteur niet in behandeling genomen, omdat de aangiften gelijk waren aan de ambtshalve opgelegde aanslag. De inspecteur heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat om die reden geen sprake was van een bezwaarschrift. De rechtbank overweegt dat indien uit een aan de Belastingdienst toegestuurd bericht, zoals een aangifte, is af te leiden dat de belastingplichtige het niet eens is met een opgelegde aanslag, dat bericht in de regel als een bezwaarschrift moet worden aangemerkt. In dit geval blijkt uit de ingediende aangifte geenszins dat belanghebbende het niet eens is, eerder het tegenovergestelde. De in de aangiften vermelde gegevens komen immers overeen met de aanslagen. Daarom zijn de aangiften in dit geval niet aan te merken als bezwaarschriften. De rechtbank hanteert daarom als uitgangspunt dat op 3 januari 2024 voor het eerst bezwaar is gemaakt.
4.8.
De rechtbank heeft onder 4.3 geconcludeerd dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding voor het te laat indienen van de bezwaren tegen de boetes over 2016 en 2017. De rechtbank komt tot dezelfde conclusie voor bezwaren tegen de boete over 2018. Het bezwaar is dus terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Verzoek om ambtshalve vermindering
4.9.
Belanghebbende had uiterlijk 31 december 2023 een verzoek om ambtshalve vermindering van de boete over 2018 moeten doen. Het verzoek met dagtekening 30 december 2023 is door de inspecteur ontvangen op 3 januari 2024. Dit betekent dat het verzoek te laat is ingediend. De inspecteur moet een te laat ingediend verzoek in behandeling nemen indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. De rechtbank overweegt als volgt.
4.10.
Belanghebbende heeft in december 2023 meerdere keren contact opgenomen met de Belastingdienst, waar hem uiteindelijk is geadviseerd om voor 31 december 2023 te reageren op de boete over 2018. Belanghebbende heeft op 29 december 2023 ingelogd op de website van de Belastingdienst, maar het digitaal indienen van bezwaar was niet meer mogelijk. Belanghebbende heeft vervolgens op 30 december 2023 het bezwaarschrift aangetekend verzonden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende, gelet op de contacten met de Belastingdienst, er in december 2023 alles aan gedaan om tijdig een verzoek om ambtshalve vermindering in te dienen. Dat het verzoek vier dagen buiten de vijfjaarstermijn is ontvangen, is naar het oordeel van rechtbank gelet op de omstandigheden van het geval gering verwijtbaar.
Conclusie
5. De bezwaren tegen de boetes over 2016 en 2017 zijn terecht niet-ontvankelijk verklaard en de verzoeken om ambtshalve vermindering voor deze jaren zijn terecht afgewezen. De beroepen zijn daarom ongegrond. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de boetes.
5.1.
Het bezwaar tegen de boete over 2018 is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2018 is terecht afgewezen, maar op de verkeerde gronden. De boete blijft in stand. Het beroep is ongegrond.
5.2.
Omdat de beroepen ongegrond zijn, krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 8 oktober 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst en wordt aan de partij die niet digitaal procedeert aangetekend per post verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Dit volgt uit artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.
Artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001.
Artikel 60 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in samenhang met artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zie Hoge Raad 29 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1871.
Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb en artikel 22j van de AWR.
Hoge Raad 10 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4196, BNB 190/295.
Hoge Raad 29 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1871, rechtsoverweging 2.4.2.
Hoge Raad 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625.
Artikel 67a, eerste lid, van de AWR.
Hoge Raad 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7184.