Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-10-01
ECLI:NL:RBZWB:2025:6663
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
9,168 tokens
Inleiding
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/430968 / HA ZA 25-43
Vonnis van 1 oktober 2025
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. H. Akbaba,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. E. van der Kolk.
1De zaak in het kort
1.1.
[eiser] heeft uitzendkrachten ter beschikking gesteld aan [gedaagde]. Daarvoor heeft zij facturen gestuurd. [gedaagde] heeft drie facturen niet betaald. [gedaagde] vindt dat zij een beroep kan doen op verrekening of opschorting. De inzet van de uitzendkrachten heeft namelijk geleid tot het voornemen van de Arbeidsinspectie om een boete op te leggen. Volgens [gedaagde] is afgesproken dat deze boete voor rekening van [eiser] zal komen. [eiser] is het daar niet mee eens. [eiser] vordert in deze procedure daarom betaling van de facturen.
1.2.
De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] terecht een beroep op opschorting heeft gedaan. De vorderingen worden daarom afgewezen.
1.3.
Dit oordeel van de rechtbank wordt hierna onder het kopje “de beoordeling” uitgelegd. Eerst wordt het verloop van de procedure, de feiten en het geschil geschetst. Tot slot volgt de beslissing van de rechtbank.
2Het verloop van de procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 14 mei 2025 en de daarin genoemde processtukken,
de door [gedaagde] nagezonden producties 8 tot en met 11,
de mondelinge behandeling van 20 augustus 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
de spreekaantekeningen van mr. Van der Kolk zoals die tijdens de mondelinge behandeling zijn voorgelezen.
2.2.
De rechtbank heeft aan het einde van de mondelinge behandeling bepaald dat er vonnis zal worden gewezen.
Feiten
3.1.
[gedaagde] is een groothandel in aardappelen, groenten en fruit. [gedaagde] heeft in 2006 een overeenkomst gesloten met [eiser] B.V. (“[eiser]”) op basis waarvan [eiser] uitzendkrachten ter beschikking heeft gesteld aan [gedaagde].
3.2.
In augustus 2021 is er door de Arbeidsinspectie een controle uitgevoerd bij [gedaagde] naar de door [eiser] tewerkgestelde uitzendkrachten.
3.3.
[eiser] en [gedaagde] hebben op 15 april 2022 een overeenkomst gesloten met als titel “erkenning aansprakelijkheid en garantie”. In deze overeenkomst is samengevat bepaald dat [eiser] uitdrukkelijk garandeert dat de door haar bij [gedaagde] tewerkgestelde uitzendkrachten rechtmatig – dus met naleving van alle geldende wet- en regelgeving – te werk worden gesteld bij [gedaagde]. Mocht op enig moment blijken dat een uitzendkracht niet over alle benodigde documenten en voorschriften beschikt, dan erkent [eiser] toerekenbaar tekort geschoten te zijn in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de tussen partijen geldende overeenkomst en aanvaardt zij aansprakelijkheid voor alle daaruit voortvloeiende directe en indirecte schade. Ten aanzien van de in augustus 2021 door de Arbeidsinspectie geconstateerde mogelijke overtredingen, garandeert [eiser] om [gedaagde] te vrijwaren of direct te compenseren voor alle mogelijke boetes. [eiser] garandeert dat [gedaagde] ter zake geen financieel nadeel zal ondervinden in welke vorm dan ook.
3.4.
De Arbeidsinspectie heeft naar aanleiding van de in augustus 2021 uitgevoerde controle een boete opgelegd aan [gedaagde] van € 32.000,00 voor vier geconstateerde overtredingen. Deze boete is destijds verrekend met door [eiser] aan [gedaagde] toegezonden facturen.
3.5.
[eiser] is op 4 januari 2023 opgericht. Ook [eiser] houdt zich bezig met het ter beschikking stellen van uitzendkrachten. [eiser] en [eiser] hebben dezelfde (middellijke) bestuurder en aandeelhouder.
3.6.
In de eerste helft van 2023 ontvangt [gedaagde] voor de ter beschikking gestelde uitzendkrachten zowel facturen van [eiser] als van [eiser]. Vanaf medio 2023 worden de facturen alleen nog gestuurd vanuit [eiser].
3.7.
Op 13 april 2023 heeft de Arbeidsinspectie weer een onderzoek bij [gedaagde] ingesteld naar de door [eiser]/[eiser] ter beschikking gestelde uitzendkrachten.
3.8.
De heer [naam 1] is op 13 april 2024 langsgekomen bij [gedaagde] met dossiers van uitzendkrachten. [gedaagde] heeft van het gesprek dat vervolgens plaatsvond tussen [naam 1] en de heren [naam 2] en [naam 3] van [gedaagde] een verslag gemaakt. Daarin staat te lezen:
“[naam 2] gaf aan dat als er een boete uit voort vloeit, dat de procedure die gehanteerd is toch niet is zoals het zou moeten, de boete ook nu zou worden betaald door [naam 1] namens [eiser] zoals bij een eerdere inval. [naam 1] gaf hierop zijn bevestiging dat dit juist is en gaf nogmaals aan dat “er geen boete zal komen omdat alles volgens procedure en wetgeving is, komt die er wel dan neem ik die voor mijn rekening zoals de eerdere boete”.”
3.9.
[eiser] heeft [gedaagde] in september 2024 drie facturen toegestuurd tot een totaalbedrag van € 46.827,58 inclusief btw (€ 16.734,52 + € 15.023,41 + € 15.069,65). De samenwerking tussen partijen is op initiatief van [eiser] begin september 2024 beëindigd.
3.10.
[gedaagde] heeft deze drie facturen niet betaald. [gedaagde] heeft aangegeven in afwachting te zijn van een onderzoek van de Arbeidsinspectie en over te zullen gaan tot verrekening indien dat onderzoek tot een boete zou leiden.
3.11.
[gedaagde] heeft op 19 december 2024 een boeterapport van de Arbeidsinspectie ontvangen waaruit blijkt dat door de Arbeidsinspectie op 13 april 2023 zeven overtredingen zijn geconstateerd.
3.12.
Op 21 februari 2025 heeft op verzoek van de heer [naam 4] (woordvoerder namens [eiser] en [naam 1]) een gesprek plaatsgevonden tussen hem, [naam 1], [naam 3] en de heer [naam 5] van [gedaagde]. Ook de advocaat van [gedaagde] was bij het gesprek aanwezig. Uit het door [gedaagde] opgestelde gespreksverslag blijkt dat het doel was om te bekijken of er een regeling kon worden getroffen zodat de lopende rechtszaak over de facturen niet door zou hoeven te gaan.
3.13.
In het gespreksverslag van 21 februari 2025 is onder andere opgenomen:
“Namens [eiser] heeft [naam 1] verklaard dat de op 15 april 2022 gemaakte afspraken ook voor [eiser] gelden en dat alle boetes die voor [gedaagde] voortvloeien uit de controles door de Arbeidsinspectie voor rekening van [eiser] komen, maar [eiser] niet over de financiële middelen beschikt om die boetes aan [gedaagde] te betalen.
[eiser] verzoekt om door [gedaagde] in de gelegenheid te worden gesteld om de door de Arbeidsinspectie aan [gedaagde] op te leggen boetes te mogen voldoen door weer arbeidskrachten aan [gedaagde] te gaan leveren en wekelijks € 500,-mindering te laten strekken op de alsdan nog te verzenden facturen.
[eiser] verzocht [gedaagde] verder om betaling van € 10.000,-ter beëindiging van het geschil. (…)”
3.14.
Partijen zijn niet tot een minnelijke regeling gekomen.
3.15.
Bij brief van 14 mei 2025 heeft de Arbeidsinspectie [gedaagde] geïnformeerd dat zij naar aanleiding van de controle van 13 april 2023 van plan is om [gedaagde] een boete op te leggen van € 84.000,00 en om de inspectiegegevens openbaar te maken. De Arbeidsinspectie heeft [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om op dit voornemen te reageren. [gedaagde] heeft een zienswijze ingediend, die op 26 augustus 2025 bij de Arbeidsinspectie wordt besproken.
Geschil
4.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat rechtbank [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de facturen met een totaalbedrag van € 47.926,70, vermeerderd met de wettelijke handelsrente te rekenen vanaf de vervaldag van de facturen. Daarnaast vordert [eiser] betaling van € 1.243,28 aan buitengerechtelijke incassokosten, de beslagkosten en de proceskosten. [eiser] vordert dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaart. Dat betekent dat [eiser] het vonnis direct wil kunnen uitvoeren, ook als [gedaagde] in hoger beroep gaat.
4.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] vindt dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard of dat haar vorderingen moeten worden afgewezen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
4.3.
De rechtbank gaat hierna bij de beoordeling in op de relevante stellingen die partijen ter onderbouwing van hun vorderingen en het verweer daartegen hebben ingenomen.
Beoordeling
De overeenkomst van opdracht
5.1.
[eiser] heeft aangevoerd dat er een overeenkomst van opdracht met [gedaagde] ten grondslag ligt aan de toegezonden facturen. Het ter beschikking stellen van uitzendkrachten gebeurde oorspronkelijk vanuit [eiser], maar na de oprichting van [eiser] is met [gedaagde] besproken dat dit voortaan vanuit [eiser] zou gebeuren.
5.2.
[gedaagde] heeft zich in de conclusie van antwoord primair op het standpunt gesteld dat zij uitsluitend een overeenkomst van opdracht heeft gesloten met [eiser] en niet met [eiser]. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] echter toegelicht dat er inderdaad sprake is geweest van een geruisloze overgang van de dienstverlening door [eiser] naar [eiser]. Volgens [gedaagde] is afgesproken dat de verplichtingen één op één vanuit [eiser] zouden overgaan op [eiser].
5.3.
Gelet op deze toelichting van [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling stelt de rechtbank vast dat tussen partijen niet langer in geschil is dat er tussen hen een overeenkomst van opdracht heeft bestaan, op basis waarvan de facturen aan [gedaagde] zijn toegezonden. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling ook aangegeven dat de facturen van [eiser] in principe betaald moeten worden.
De overeenkomst uit 2022
5.4.
De reden dat [gedaagde] niet tot betaling van de facturen overgaat, houdt verband met de overeenkomst “erkenning aansprakelijkheid en garantie” die op 15 april 2022 tussen [eiser] en [gedaagde] is gesloten. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat niet alleen de overeenkomst van opdracht inzake het ter beschikking stellen van uitzendkrachten is overgegaan van [eiser] naar [eiser], maar ook de afspraken uit de overeenkomst uit 2022. Dit is tussen partijen afgesproken, aldus [gedaagde]. Dit betekent dat de boete die de Arbeidsinspectie voornemens is om op te leggen aan [gedaagde] voor rekening van [eiser] moet komen. Het bedrag van de voorgenomen boete is veel hoger dan het factuurbedrag. [gedaagde] vindt daarom dat zij het bedrag van de facturen mag verrekenen of de betaling van de facturen mag opschorten.
5.5.
[eiser] betwist dat ook de afspraken uit de overeenkomst uit 2022 op haar zijn overgegaan. Deze afspraken gelden enkel tussen [eiser] en [gedaagde]. Aan [gedaagde] komt dan ook geen beroep op verrekening of opschorting toe, aldus [eiser].
5.6.
De rechtbank oordeelt als volgt. Het verweer van [gedaagde] dat zij de facturen niet hoeft te betalen omdat zij de afspraken uit de overeenkomst uit 2022 kan tegenwerpen aan [eiser] is een zogenaamd bevrijdend verweer. Dit betekent dat op [gedaagde] de stelplicht rust – en bij voldoende betwisting door [eiser] ook de bewijslast – van de juistheid van haar verweer.
5.7.
In dat kader heeft [gedaagde] ter onderbouwing van haar stelling verwezen naar het gespreksverslag van 21 februari 2025 (zie hiervoor 3.13). In dit gespreksverslag is expliciet opgenomen dat de afspraken uit de overeenkomst uit 2022 ook voor [eiser] gelden en dat alle boetes die voor [gedaagde] voortvloeien uit de controles door de Arbeidsinspectie voor rekening van [eiser] komen.
5.8.
Dit gespreksverslag is besproken tijdens de mondelinge behandeling. De rechtbank heeft [eiser] gevraagd of de inhoud van het gespreksverslag klopt. [eiser] heeft daarop geantwoord dat de door [gedaagde] aangehaalde passage in het verslag niet klopt. Ook klopt niet dat [eiser] [gedaagde] heeft verzocht om betaling van € 10.000,00 ter beëindiging van het geschil, zoals ook is opgenomen in het gespreksverslag. Op de vraag van de rechtbank of de rest van het gespreksverslag wel klopt, waarbij specifiek is gevraagd naar het in het verslag opgenomen aanbod om wekelijks € 500,00 in mindering te laten strekken op facturen, heeft [eiser] bevestigend geantwoord.
5.9.
Hiermee heeft [eiser] onvoldoende gemotiveerd weersproken dat de afspraak is gemaakt dat de overeenkomst uit 2022 ook van toepassing zou zijn in de verhouding tussen [eiser] en [gedaagde]. Niet valt in te zien waarom [eiser] anders zou vragen aan [gedaagde] of de door de Arbeidsinspectie op te leggen boetes zouden mogen worden voldaan door de dienstverlening weer te starten en wekelijks een bedrag van € 500,00 in mindering te laten strekken op de te verzenden facturen.
5.10.
Een dergelijk verzoek sluit aan op de stelling van [gedaagde] dat wel is afgesproken dat de overeenkomst uit 2022 ook voor [eiser] zou gelden. Ook het feit dat de dienstverlening vanuit [eiser] op verzoek van [eiser] door deze laatste is overgenomen past bij het standpunt van [gedaagde]. Het valt namelijk niet in te zien waarom [gedaagde] akkoord zou gaan met een dergelijke overgang indien zij daarbij de verkregen zekerheden ten aanzien van boetes vanuit de Arbeidsinspectie zou prijsgeven. Dat zou [eiser] dan uitdrukkelijk moeten bedingen.
5.11.
Uit het voorgaande volgt dat het verweer van [gedaagde] slaagt.
Verrekening
5.12.
[gedaagde] doet primair een beroep op verrekening. [gedaagde] stelt dat zij het bedrag van de facturen mag verrekenen met de boete die aan haar zal worden opgelegd door de Arbeidsinspectie.
5.13.
Volgens artikel 6:127 lid 2 BW heeft een schuldenaar de bevoegdheid tot verrekening wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering.
5.14.
Het beroep op verrekening stuit af op het vereiste dat de schuldenaar bevoegd moet zijn tot het afdwingen van de betaling van zijn vordering. Daarvoor is nodig dat de vordering opeisbaar is. Omdat er nog sprake is van een voornemen tot het opleggen van een boete en nog niet van het daadwerkelijk opleggen van de boete, is daar op dit moment niet aan voldaan.
Opschorting
5.15.
[gedaagde] doet subsidiair een beroep op opschorting. Dit beroep slaagt wel.
5.16.
In artikel 6:52 BW is bepaald dat een schuldenaar die een opeisbare vordering heeft op zijn schuldeiser bevoegd is de nakoming van zijn verbintenis op te schorten tot voldoening van zijn vordering plaatsvindt, indien tussen vordering en verbintenis voldoende samenhang bestaat om deze opschorting te rechtvaardigen.
5.17.
Ook hier komt het vereiste van een opeisbare vordering terug. In het kader van een opschortingsbevoegdheid maakt de wet in artikel 6:80 BW een uitzondering op het vereiste van opeisbaarheid. Een beroep op opschorting is ook al mogelijk voordat de vordering opeisbaar is, onder andere indien de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de nakoming tekort zal schieten.
5.18.
Het rapport van de Arbeidsinspectie en het voornemen om een boete van € 84.000,00 aan [gedaagde] op te leggen maakt duidelijk dat [eiser] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen. [eiser] heeft in de overeenkomst uit 2022 immers gegarandeerd dat de ter beschikking gestelde uitzendkrachten rechtmatig te werk werden gesteld bij [gedaagde]. Alle toepasselijke wet- en regelgeving zou worden nageleefd. De Arbeidsinspectie heeft echter (opnieuw) meerdere overtredingen geconstateerd.
5.19.
Deze zogenaamde wanprestatie door [eiser] zal tot schade leiden bij [gedaagde]. Deze schade zal bestaan uit de door de Arbeidsinspectie op te leggen boete. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij een zienswijze heeft ingebracht tegen het voornemen tot oplegging van een boete. Deze zienswijze is op 26 augustus 2025 met de Arbeidsinspectie besproken.
Dictum
De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen af,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 5.601,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Römers en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2025.
Inleiding
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/430968 / HA ZA 25-43
Vonnis van 1 oktober 2025
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. H. Akbaba,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. E. van der Kolk.
1De zaak in het kort
1.1.
[eiser] heeft uitzendkrachten ter beschikking gesteld aan [gedaagde]. Daarvoor heeft zij facturen gestuurd. [gedaagde] heeft drie facturen niet betaald. [gedaagde] vindt dat zij een beroep kan doen op verrekening of opschorting. De inzet van de uitzendkrachten heeft namelijk geleid tot het voornemen van de Arbeidsinspectie om een boete op te leggen. Volgens [gedaagde] is afgesproken dat deze boete voor rekening van [eiser] zal komen. [eiser] is het daar niet mee eens. [eiser] vordert in deze procedure daarom betaling van de facturen.
1.2.
De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] terecht een beroep op opschorting heeft gedaan. De vorderingen worden daarom afgewezen.
1.3.
Dit oordeel van de rechtbank wordt hierna onder het kopje “de beoordeling” uitgelegd. Eerst wordt het verloop van de procedure, de feiten en het geschil geschetst. Tot slot volgt de beslissing van de rechtbank.
2Het verloop van de procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 14 mei 2025 en de daarin genoemde processtukken,
de door [gedaagde] nagezonden producties 8 tot en met 11,
de mondelinge behandeling van 20 augustus 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
de spreekaantekeningen van mr. Van der Kolk zoals die tijdens de mondelinge behandeling zijn voorgelezen.
2.2.
De rechtbank heeft aan het einde van de mondelinge behandeling bepaald dat er vonnis zal worden gewezen.
Feiten
3.1.
[gedaagde] is een groothandel in aardappelen, groenten en fruit. [gedaagde] heeft in 2006 een overeenkomst gesloten met [eiser] B.V. (“[eiser]”) op basis waarvan [eiser] uitzendkrachten ter beschikking heeft gesteld aan [gedaagde].
3.2.
In augustus 2021 is er door de Arbeidsinspectie een controle uitgevoerd bij [gedaagde] naar de door [eiser] tewerkgestelde uitzendkrachten.
3.3.
[eiser] en [gedaagde] hebben op 15 april 2022 een overeenkomst gesloten met als titel “erkenning aansprakelijkheid en garantie”. In deze overeenkomst is samengevat bepaald dat [eiser] uitdrukkelijk garandeert dat de door haar bij [gedaagde] tewerkgestelde uitzendkrachten rechtmatig – dus met naleving van alle geldende wet- en regelgeving – te werk worden gesteld bij [gedaagde]. Mocht op enig moment blijken dat een uitzendkracht niet over alle benodigde documenten en voorschriften beschikt, dan erkent [eiser] toerekenbaar tekort geschoten te zijn in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de tussen partijen geldende overeenkomst en aanvaardt zij aansprakelijkheid voor alle daaruit voortvloeiende directe en indirecte schade. Ten aanzien van de in augustus 2021 door de Arbeidsinspectie geconstateerde mogelijke overtredingen, garandeert [eiser] om [gedaagde] te vrijwaren of direct te compenseren voor alle mogelijke boetes. [eiser] garandeert dat [gedaagde] ter zake geen financieel nadeel zal ondervinden in welke vorm dan ook.
3.4.
De Arbeidsinspectie heeft naar aanleiding van de in augustus 2021 uitgevoerde controle een boete opgelegd aan [gedaagde] van € 32.000,00 voor vier geconstateerde overtredingen. Deze boete is destijds verrekend met door [eiser] aan [gedaagde] toegezonden facturen.
3.5.
[eiser] is op 4 januari 2023 opgericht. Ook [eiser] houdt zich bezig met het ter beschikking stellen van uitzendkrachten. [eiser] en [eiser] hebben dezelfde (middellijke) bestuurder en aandeelhouder.
3.6.
In de eerste helft van 2023 ontvangt [gedaagde] voor de ter beschikking gestelde uitzendkrachten zowel facturen van [eiser] als van [eiser]. Vanaf medio 2023 worden de facturen alleen nog gestuurd vanuit [eiser].
3.7.
Op 13 april 2023 heeft de Arbeidsinspectie weer een onderzoek bij [gedaagde] ingesteld naar de door [eiser]/[eiser] ter beschikking gestelde uitzendkrachten.
3.8.
De heer [naam 1] is op 13 april 2024 langsgekomen bij [gedaagde] met dossiers van uitzendkrachten. [gedaagde] heeft van het gesprek dat vervolgens plaatsvond tussen [naam 1] en de heren [naam 2] en [naam 3] van [gedaagde] een verslag gemaakt. Daarin staat te lezen:
“[naam 2] gaf aan dat als er een boete uit voort vloeit, dat de procedure die gehanteerd is toch niet is zoals het zou moeten, de boete ook nu zou worden betaald door [naam 1] namens [eiser] zoals bij een eerdere inval. [naam 1] gaf hierop zijn bevestiging dat dit juist is en gaf nogmaals aan dat “er geen boete zal komen omdat alles volgens procedure en wetgeving is, komt die er wel dan neem ik die voor mijn rekening zoals de eerdere boete”.”
3.9.
[eiser] heeft [gedaagde] in september 2024 drie facturen toegestuurd tot een totaalbedrag van € 46.827,58 inclusief btw (€ 16.734,52 + € 15.023,41 + € 15.069,65). De samenwerking tussen partijen is op initiatief van [eiser] begin september 2024 beëindigd.
3.10.
[gedaagde] heeft deze drie facturen niet betaald. [gedaagde] heeft aangegeven in afwachting te zijn van een onderzoek van de Arbeidsinspectie en over te zullen gaan tot verrekening indien dat onderzoek tot een boete zou leiden.
3.11.
[gedaagde] heeft op 19 december 2024 een boeterapport van de Arbeidsinspectie ontvangen waaruit blijkt dat door de Arbeidsinspectie op 13 april 2023 zeven overtredingen zijn geconstateerd.
3.12.
Op 21 februari 2025 heeft op verzoek van de heer [naam 4] (woordvoerder namens [eiser] en [naam 1]) een gesprek plaatsgevonden tussen hem, [naam 1], [naam 3] en de heer [naam 5] van [gedaagde]. Ook de advocaat van [gedaagde] was bij het gesprek aanwezig. Uit het door [gedaagde] opgestelde gespreksverslag blijkt dat het doel was om te bekijken of er een regeling kon worden getroffen zodat de lopende rechtszaak over de facturen niet door zou hoeven te gaan.
3.13.
In het gespreksverslag van 21 februari 2025 is onder andere opgenomen:
“Namens [eiser] heeft [naam 1] verklaard dat de op 15 april 2022 gemaakte afspraken ook voor [eiser] gelden en dat alle boetes die voor [gedaagde] voortvloeien uit de controles door de Arbeidsinspectie voor rekening van [eiser] komen, maar [eiser] niet over de financiële middelen beschikt om die boetes aan [gedaagde] te betalen.
[eiser] verzoekt om door [gedaagde] in de gelegenheid te worden gesteld om de door de Arbeidsinspectie aan [gedaagde] op te leggen boetes te mogen voldoen door weer arbeidskrachten aan [gedaagde] te gaan leveren en wekelijks € 500,-mindering te laten strekken op de alsdan nog te verzenden facturen.
[eiser] verzocht [gedaagde] verder om betaling van € 10.000,-ter beëindiging van het geschil. (…)”
3.14.
Partijen zijn niet tot een minnelijke regeling gekomen.
3.15.
Bij brief van 14 mei 2025 heeft de Arbeidsinspectie [gedaagde] geïnformeerd dat zij naar aanleiding van de controle van 13 april 2023 van plan is om [gedaagde] een boete op te leggen van € 84.000,00 en om de inspectiegegevens openbaar te maken. De Arbeidsinspectie heeft [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om op dit voornemen te reageren. [gedaagde] heeft een zienswijze ingediend, die op 26 augustus 2025 bij de Arbeidsinspectie wordt besproken.
Geschil
4.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat rechtbank [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de facturen met een totaalbedrag van € 47.926,70, vermeerderd met de wettelijke handelsrente te rekenen vanaf de vervaldag van de facturen. Daarnaast vordert [eiser] betaling van € 1.243,28 aan buitengerechtelijke incassokosten, de beslagkosten en de proceskosten. [eiser] vordert dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaart. Dat betekent dat [eiser] het vonnis direct wil kunnen uitvoeren, ook als [gedaagde] in hoger beroep gaat.
4.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] vindt dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard of dat haar vorderingen moeten worden afgewezen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
4.3.
De rechtbank gaat hierna bij de beoordeling in op de relevante stellingen die partijen ter onderbouwing van hun vorderingen en het verweer daartegen hebben ingenomen.
Beoordeling
De overeenkomst van opdracht
5.1.
[eiser] heeft aangevoerd dat er een overeenkomst van opdracht met [gedaagde] ten grondslag ligt aan de toegezonden facturen. Het ter beschikking stellen van uitzendkrachten gebeurde oorspronkelijk vanuit [eiser], maar na de oprichting van [eiser] is met [gedaagde] besproken dat dit voortaan vanuit [eiser] zou gebeuren.
5.2.
[gedaagde] heeft zich in de conclusie van antwoord primair op het standpunt gesteld dat zij uitsluitend een overeenkomst van opdracht heeft gesloten met [eiser] en niet met [eiser]. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] echter toegelicht dat er inderdaad sprake is geweest van een geruisloze overgang van de dienstverlening door [eiser] naar [eiser]. Volgens [gedaagde] is afgesproken dat de verplichtingen één op één vanuit [eiser] zouden overgaan op [eiser].
5.3.
Gelet op deze toelichting van [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling stelt de rechtbank vast dat tussen partijen niet langer in geschil is dat er tussen hen een overeenkomst van opdracht heeft bestaan, op basis waarvan de facturen aan [gedaagde] zijn toegezonden. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling ook aangegeven dat de facturen van [eiser] in principe betaald moeten worden.
De overeenkomst uit 2022
5.4.
De reden dat [gedaagde] niet tot betaling van de facturen overgaat, houdt verband met de overeenkomst “erkenning aansprakelijkheid en garantie” die op 15 april 2022 tussen [eiser] en [gedaagde] is gesloten. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat niet alleen de overeenkomst van opdracht inzake het ter beschikking stellen van uitzendkrachten is overgegaan van [eiser] naar [eiser], maar ook de afspraken uit de overeenkomst uit 2022. Dit is tussen partijen afgesproken, aldus [gedaagde]. Dit betekent dat de boete die de Arbeidsinspectie voornemens is om op te leggen aan [gedaagde] voor rekening van [eiser] moet komen. Het bedrag van de voorgenomen boete is veel hoger dan het factuurbedrag. [gedaagde] vindt daarom dat zij het bedrag van de facturen mag verrekenen of de betaling van de facturen mag opschorten.
5.5.
[eiser] betwist dat ook de afspraken uit de overeenkomst uit 2022 op haar zijn overgegaan. Deze afspraken gelden enkel tussen [eiser] en [gedaagde]. Aan [gedaagde] komt dan ook geen beroep op verrekening of opschorting toe, aldus [eiser].
5.6.
De rechtbank oordeelt als volgt. Het verweer van [gedaagde] dat zij de facturen niet hoeft te betalen omdat zij de afspraken uit de overeenkomst uit 2022 kan tegenwerpen aan [eiser] is een zogenaamd bevrijdend verweer. Dit betekent dat op [gedaagde] de stelplicht rust – en bij voldoende betwisting door [eiser] ook de bewijslast – van de juistheid van haar verweer.
5.7.
In dat kader heeft [gedaagde] ter onderbouwing van haar stelling verwezen naar het gespreksverslag van 21 februari 2025 (zie hiervoor 3.13). In dit gespreksverslag is expliciet opgenomen dat de afspraken uit de overeenkomst uit 2022 ook voor [eiser] gelden en dat alle boetes die voor [gedaagde] voortvloeien uit de controles door de Arbeidsinspectie voor rekening van [eiser] komen.
5.8.
Dit gespreksverslag is besproken tijdens de mondelinge behandeling. De rechtbank heeft [eiser] gevraagd of de inhoud van het gespreksverslag klopt. [eiser] heeft daarop geantwoord dat de door [gedaagde] aangehaalde passage in het verslag niet klopt. Ook klopt niet dat [eiser] [gedaagde] heeft verzocht om betaling van € 10.000,00 ter beëindiging van het geschil, zoals ook is opgenomen in het gespreksverslag. Op de vraag van de rechtbank of de rest van het gespreksverslag wel klopt, waarbij specifiek is gevraagd naar het in het verslag opgenomen aanbod om wekelijks € 500,00 in mindering te laten strekken op facturen, heeft [eiser] bevestigend geantwoord.
5.9.
Hiermee heeft [eiser] onvoldoende gemotiveerd weersproken dat de afspraak is gemaakt dat de overeenkomst uit 2022 ook van toepassing zou zijn in de verhouding tussen [eiser] en [gedaagde]. Niet valt in te zien waarom [eiser] anders zou vragen aan [gedaagde] of de door de Arbeidsinspectie op te leggen boetes zouden mogen worden voldaan door de dienstverlening weer te starten en wekelijks een bedrag van € 500,00 in mindering te laten strekken op de te verzenden facturen.
5.10.
Een dergelijk verzoek sluit aan op de stelling van [gedaagde] dat wel is afgesproken dat de overeenkomst uit 2022 ook voor [eiser] zou gelden. Ook het feit dat de dienstverlening vanuit [eiser] op verzoek van [eiser] door deze laatste is overgenomen past bij het standpunt van [gedaagde]. Het valt namelijk niet in te zien waarom [gedaagde] akkoord zou gaan met een dergelijke overgang indien zij daarbij de verkregen zekerheden ten aanzien van boetes vanuit de Arbeidsinspectie zou prijsgeven. Dat zou [eiser] dan uitdrukkelijk moeten bedingen.
5.11.
Uit het voorgaande volgt dat het verweer van [gedaagde] slaagt.
Verrekening
5.12.
[gedaagde] doet primair een beroep op verrekening. [gedaagde] stelt dat zij het bedrag van de facturen mag verrekenen met de boete die aan haar zal worden opgelegd door de Arbeidsinspectie.
5.13.
Volgens artikel 6:127 lid 2 BW heeft een schuldenaar de bevoegdheid tot verrekening wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering.
5.14.
Het beroep op verrekening stuit af op het vereiste dat de schuldenaar bevoegd moet zijn tot het afdwingen van de betaling van zijn vordering. Daarvoor is nodig dat de vordering opeisbaar is. Omdat er nog sprake is van een voornemen tot het opleggen van een boete en nog niet van het daadwerkelijk opleggen van de boete, is daar op dit moment niet aan voldaan.
Opschorting
5.15.
[gedaagde] doet subsidiair een beroep op opschorting. Dit beroep slaagt wel.
5.16.
In artikel 6:52 BW is bepaald dat een schuldenaar die een opeisbare vordering heeft op zijn schuldeiser bevoegd is de nakoming van zijn verbintenis op te schorten tot voldoening van zijn vordering plaatsvindt, indien tussen vordering en verbintenis voldoende samenhang bestaat om deze opschorting te rechtvaardigen.
5.17.
Ook hier komt het vereiste van een opeisbare vordering terug. In het kader van een opschortingsbevoegdheid maakt de wet in artikel 6:80 BW een uitzondering op het vereiste van opeisbaarheid. Een beroep op opschorting is ook al mogelijk voordat de vordering opeisbaar is, onder andere indien de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de nakoming tekort zal schieten.
5.18.
Het rapport van de Arbeidsinspectie en het voornemen om een boete van € 84.000,00 aan [gedaagde] op te leggen maakt duidelijk dat [eiser] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen. [eiser] heeft in de overeenkomst uit 2022 immers gegarandeerd dat de ter beschikking gestelde uitzendkrachten rechtmatig te werk werden gesteld bij [gedaagde]. Alle toepasselijke wet- en regelgeving zou worden nageleefd. De Arbeidsinspectie heeft echter (opnieuw) meerdere overtredingen geconstateerd.
5.19.
Deze zogenaamde wanprestatie door [eiser] zal tot schade leiden bij [gedaagde]. Deze schade zal bestaan uit de door de Arbeidsinspectie op te leggen boete. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij een zienswijze heeft ingebracht tegen het voornemen tot oplegging van een boete. Deze zienswijze is op 26 augustus 2025 met de Arbeidsinspectie besproken.
Dictum
De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen af,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 5.601,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Römers en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2025.