Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-10-03
ECLI:NL:RBZWB:2025:6599
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,913 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/6347
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser
(gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel),
en
de minister van Financiën.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de weigering van de minister om een schuld van eiser over te nemen. Eiser is het niet eens met deze weigering. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder terecht heeft geweigerd de schuld over te nemen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het bestreden besluit.
2. Eiser is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire.
Eiser heeft aan de Sociale Banken Nederland (SBN) een schuldenlijst toegezonden met de bedoeling om in aanmerking te komen voor overname of terugbetaling van schulden. Op dit overzicht heeft hij een schuld bij Flanderijn inzake VGZ zorgverzekering van € 5.800 opgegeven.
Met het besluit van 3 augustus 2023 is aan eiser meegedeeld dat de schuld bij Flanderijn niet wordt overgenomen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Met het besluit van 25 januari 2024 is het bezwaar kennelijk niet ontvankelijk verklaard. Dit besluit is later ingetrokken, waarna het bezwaar alsnog inhoudelijk is behandeld.
Met het bestreden besluit van 5 juli 2024 heeft de minister bij de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd.
Procesverloop
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 15 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiser samen met zijn echtgenote en zijn gemachtigde. Namens de minister is verschenen mr. M. Bouhoud.
Beoordeling
Wettelijk kader
3. In artikel 4.1, vierde lid, onder c, van de Wht is bepaald dat een geldschuld die voortvloeit uit een onrechtmatige daad niet wordt overgenomen.
Standpunt eiser
4. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de minister zich ten onrechte beroept op vermeende fraude. Als de minister het recht zou hebben betaling van schulden te weigeren op naar zijn oordeel ethische gronden, dan maakt dat de weg vrij voor willekeur. Het verwijt dat eiser wordt gemaakt, is veroorzaakt door de belastingdienst zelf. Eiser is destijds zo rigoureus aangepakt door toeslagterugvorderingen dat hij moest kiezen tussen niet kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan en wat hij heeft ondernomen om dat wel te kunnen.
Standpunt minister
5. De minister heeft gesteld dat uit de beslissing van 11 november 2020 van het VGZ blijkt dat er sprake is van een onrechtmatige daad, namelijk verzekeringsfraude. Niet gebleken is dat eiser stappen heeft ondernomen tegen de beslissing van 11 november 2020. Schulden die voortvloeien uit een onrechtmatige daad worden niet overgenomen. Omdat er een wettelijke grondslag is voor de weigering de schuld over te nemen, is er geen sprake van willekeur. Het plegen van verzekeringsfraude kan nooit gerechtvaardigd worden door persoonlijke financiële omstandigheden. Het staat vast dat het handelen van de belastingdienst met betrekking tot de kinderopvangtoeslag verkeerd en disproportioneel is geweest, maar het is niet aan eiser om met fraudeleus gedrag zalf een oplossing te forceren voor zijn financiële situatie.
Overwegingen
6. Ter zitting heeft eiser erkend dat hij onjuiste declaraties heeft ingediend bij de zorgverzekeraar. Hij is echter van mening dat dit onvoldoende is om aan te nemen dat er sprake is van een onrechtmatige daad.
7. In de Memorie van Toelichting is bij artikel 4.1, vierde lid, het volgende opgenomen:
In artikel 4.1, vierde lid, is bepaald welke geldschulden en kosten niet worden overgenomen. Een daarvan behoeft nadere toelichting: een geldschuld die voortvloeit uit een onrechtmatige daad (artikel 4.1, vierde lid, onderdeel c). Dit ziet op een onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
8. Artikel 6:162 van het BW luidt als volgt:
1. Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.
2. Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.
3. Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.
9. Het indienen van valse declaraties kan aangemerkt worden als het handelen in strijd met een wettelijke plicht. De stelling van eiseres dat hij door het handelen van de belastingdienst geen geld meer had en daardoor gedwongen werd te handelen zoals hij heeft gedaan, kan niet aangemerkt worden als een rechtvaardigingsgrond. Dit betekent dat het handelen van eiser aangemerkt kan worden als een onrechtmatige daad.
10. Eiser heeft ter zitting gesteld dat het enkele feit dat hij iets heeft gedaan wat onrechtmatig kan zijn, onvoldoende is om een onrechtmatige daad aan te nemen. Voor zover eiser hiermee bedoeld heeft te stellen dat er ook sprake moet zijn van toerekenbaarheid, ziet de rechtbank in hetgeen eiser heeft aangevoerd, geen grond voor het oordeel dat de onrechtmatige daad hem niet toe te rekenen zou zijn.
11. Uit het voorgaande volgt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de schuld is ontstaan doordat eiser een onrechtmatige daad heeft gepleegd. De wetgever heeft deze schulden expliciet uitgesloten van het recht op overname. Anders dan eiser heeft gesteld is er dus geen sprake van willekeur. De minister heeft dan ook op goede gronden geweigerd de schuld over te nemen.
Conclusie
12. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Dat betekent dat er voor eiser niets verandert. Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard krijgt eiser geen proceskostenvergoeding. Ook krijgt eiser het griffierecht niet vergoed.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van A.J.M. van Hees, griffier, op 3 oktober 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Kamerstukken II, 2021-2022, 36 151, nr. 3 blz 130