Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-09-24
ECLI:NL:RBZWB:2025:6567
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
11,108 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11666368 \ CV EXPL 25-1377
Vonnis van 24 september 2025
in de zaak van
DEFAM B.V., H.O.D.N. DEFAM TOTAAL, DEFAM FINANCIERINGEN, DEFAM PLUS, DEFAM FLEX, DEFAM CREDIT, DEFAM SELECT EN GREENLOANS,
gevestigd in Bunnik, kantoorhoudend in Utrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: DEFAM B.V.,
gemachtigde: [gemachtigde],
tegen
1 [gedaagde 1] ,
wonend in [plaats 1] ,
niet verschenen,2. [gedaagde 2],
wonend in [plaats 2] ,
procederend in persoon,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 21 mei 2025
- de mondelinge behandeling van 26 augustus 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis wordt gewezen.
Feiten
De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten:
- Partijen hebben in december 2022 een overeenkomst gesloten waarbij DEFAM B.V. aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een persoonlijke lening heeft verstrekt tot een maximum van € 35.000,00, onder de opschortende voorwaarde (samengevat) dat DEFAM B.V. de kredietaanvraag zal accepteren.
- In de overeenkomst is onder andere opgenomen een vaste debetrentevoet van 5,600% op jaarbasis, een maandbedrag van € 379,17 dat bestaat uit een deel aflossing en een deel rente (kredietvergoeding), een jaarlijks kostenpercentage van 5,600% en een totaal te betalen bedrag van € 45.500,35, zijnde het kredietbedrag plus de rente die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten betalen. De looptijd van de overeenkomst is 120 maanden.
- Op deze overeenkomst zijn de Voorwaarden Persoonlijke Lening DEFAM B.V. (verder: de Voorwaarden) van toepassing. Daarin is onder andere opgenomen:
Vertragingsvergoeding
5. U moet aan ons de vertragingsvergoeding betalen over alles dat wij opeisbaar van u te vorderen hebben in deze gevallen:
• Eén of meer termijnbedragen staan op de afgesproken vervaldagen niet op onze rekening.
• Gehele opeising van het openstaande saldo door ons op één van de gronden zoals genoemd in artikel 9 van de voorwaarden.
U krijgt dan een ingebrekestelling van ons met een vervaldatum. Betaalt u niet, dan wordt de vertragingsvergoeding berekend vanaf de vervaldatum tot de dag waarop u het volledige bedrag heeft betaald over het geheel opeisbaar gestelde saldo. De vertragingsvergoeding is gelijk aan het op dat moment geldende Jaarlijks kostenpercentage (JKP).
Opzeggen en opeisen
9. In bepaalde gevallen mogen wij de overeenkomst direct opzeggen en het totale kredietbedrag opeisen. Wij mogen dit doen als:
a. u een verschuldigde termijn na tenminste twee maanden nog niet heeft betaald. Ook niet nadat wij u hebben gevraagd te betalen en u in gebreke hebben gesteld; […]
- [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben een betalingsachterstand laten ontstaan van meer dan twee maanden.
- Op 21 juni 2024 heeft DEFAM B.V. een laatste betalingsherinnering en ingebrekestelling aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gestuurd. Het openstaande bedrag was op dat moment € 4.929,21.
- Op 24 juli 2024 heeft DEFAM B.V. per brief aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] laten weten dat zij het totale openstaande bedrag van de lening, een bedrag van € 44.148,83, opeist.
- Op 22 augustus 2024 heeft DEFAM B.V. via haar gemachtigde om betaling van de openstaande schuld, een bedrag van € 36.818,57, verzocht.
- Partijen hebben op 10 september 2024 een betalingsregeling getroffen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn deze betalingsregeling niet (stipt) nagekomen.
- Op 7 april 2025 heeft DEFAM B.V. conservatoir beslag gelegd op de gemeenschappelijke woning van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan het [adres] in [plaats 1] .
Geschil
3.1.
DEFAM B.V. vordert - samengevat - hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van een bedrag van € 34.763,84, vermeerderd met rente en beslagkosten.
3.2.
Daarbij voert DEFAM B.V. aan dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] nalatig waren in de volledige nakoming van hun verplichtingen uit de overeenkomst, waardoor het saldo van het krediet in zijn geheel opeisbaar is geworden. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn volgens DEFAM B.V. hoofdelijk aansprakelijk voor het totaal verschuldigde bedrag, maar zij hebben dit bedrag, ondanks aanmaning, niet betaald. DEFAM B.V. is van mening dat is voldaan aan de precontractuele en contractuele informatieverplichtingen van de artikelen 7:59, 7:60 en 7:61 Burgerlijk Wetboek (BW) en de kredietwaardigheidstoets van artikel 4:34 Wet op het financieel toezicht (Wft). Haar vordering is als volgt opgebouwd:
Saldo tot 24-02-2025
€
36.818,57
Rente berekend tot 24-02-2025
€
715,27
Rente berekend vanaf 24-02-2025
P.M.
Waarop in mindering is voldaan
€
2.770,00
€
34.763,84
+ P.M.
DEFAM B.V. heeft op 7 april 2025 conservatoir beslag gelegd op de gemeenschappelijke woning van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en vordert daarom ook vergoeding van de in verband daarmee gemaakte kosten.
3.3.
[gedaagde 1] voert geen verweer.
3.4.
[gedaagde 2] voert wel verweer. Hij verzoekt de vordering af te wijzen dan wel een betalingsregeling vast te stellen.
3.5.
Daarbij voert [gedaagde 2] aan dat het niet redelijk is dat DEFAM B.V. is overgegaan tot dagvaarding, terwijl [gedaagde 2] aantoonbaar bereid is zijn verplichtingen na te komen binnen zijn mogelijkheden. Er is volgens hem sprake van bijzondere omstandigheden, waaronder de lopende echtscheiding tussen hem en [gedaagde 1] en de belemmeringen rond de verkoop van hun gemeenschappelijke woning.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
Tegen [gedaagde 1] wordt verstek verleend
4.1.
[gedaagde 1] is niet op de terechtzitting verschenen en heeft ook niet op een andere manier gereageerd of om uitstel verzocht. Wel is [gedaagde 1] volgens de voorgeschreven termijn en formaliteiten gedagvaard. Er is daarom tegen haar verstek verleend. Doordat [gedaagde 2] wel is verschenen, wordt op grond van artikel 140 lid 3 Rv één vonnis gewezen dat voor alle partijen als een vonnis op tegenspraak geldt.
De overeenkomst moet ambtshalve worden getoetst aan het Europees consumentenrecht
4.2.
Het gaat in deze zaak om een kredietovereenkomst tussen enerzijds DEFAM B.V. als professionele kredietverstrekker en anderzijds de consumenten [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Omdat deze consumentenkredietovereenkomst na 25 mei 2011 is gesloten, zijn daarop afdeling 1 van titel 2A boek 7 BW en artikel 4:34 Wft van toepassing. De kantonrechter moet ambtshalve beoordelen of aan de daarin opgenomen consumentenbeschermende bepalingen is voldaan. Dat betekent dat de kantonrechter moet toetsen of DEFAM B.V. aan haar (pre-) contractuele informatie- en zorgplichten en de kredietwaardigheidstoets heeft voldaan.
(Pre-)contractuele informatie (artikel 7:57 BW en verder)
4.3.
De kantonrechter stelt vast dat uit de overgelegde stukken blijkt dat DEFAM B.V. aan haar (pre-)contractuele verplichtingen heeft voldaan. Daarbij overweegt de kantonrechter allereerst dat DEFAM B.V. heeft onderbouwd dat zij op 5 december 2022 is ingegaan op de aanvraag van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vanaf 9 december 2022 diverse digitale stappen moesten doorlopen om tot ondertekening van de overeenkomst te kunnen komen. Bij die stappen is ook het informatieblad Europese Standaardinformatie inzake consumentenkrediet (verder: ESIC) opgenomen. Verder is de overgelegde overeenkomst, waarop ook is opgenomen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] het ESIC hebben ontvangen, door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op 16 december 2022 ondertekend. Uit de overgelegde stukken volgt bovendien dat DEFAM B.V., zoals bepaald in artikel 7:60 BW, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vooraf voldoende heeft geïnformeerd over de belangrijkste kenmerken van het krediet. Dat betekent dat DEFAM B.V. voldoende tijdig de benodigde informatie aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft verstrekt. Tot slot heeft de kantonrechter getoetst of de overeenkomst voldoet aan de in de artikelen 7:61, 7:65 en 7:66 BW opgenomen verplichtingen. De conclusie is dat DEFAM B.V. ook aan deze verplichting heeft voldaan.
Kredietwaardigheidstoets (artikel 4:34 Wft)
4.4.
De kantonrechter stelt vast dat DEFAM B.V. ook heeft voldaan aan artikel 4:34 Wft. Op grond van dat artikel moet de kredietverstrekker voor de totstandkoming van een kredietovereenkomst in het belang van de consument informatie inwinnen over zijn of haar financiële positie en beoordelen, ter voorkoming van overkreditering van de consument, of het aangaan van de overeenkomst verantwoord is. Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende vast komen te staan dat DEFAM B.V. de kredietwaardigheid van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voor de totstandkoming van de kredietovereenkomst heeft getoetst aan de hand van de financiële gegevens die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben verstrekt. Niet blijkt dat het aangaan van de kredietovereenkomst onverantwoord was.
DEFAM B.V. mocht het openstaande saldo ineens opeisen
4.5.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben erkend dat zij hun maandelijkse betalingsverplichtingen niet voldoende zijn nagekomen. Daarbij staat vast dat een betalingsachterstand is ontstaan van meer dan twee maanden. Dat betekent dat voldaan is aan het vereiste van artikel 9a van de Voorwaarden dat ten minste twee maanden nog niet is betaald, zodat DEFAM B.V. het recht had om het openstaande saldo op te eisen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben niet betwist dat het in de dagvaarding opgenomen bedrag klopt, zodat de kantonrechter daarvan uitgaat. Dat betekent dat het door DEFAM B.V. gevorderde openstaande saldo in principe toegewezen kan worden.
DEFAM B.V. mag de overeengekomen rente in rekening brengen
4.6.
DEFAM B.V. maakt ook aanspraak op betaling van een bedrag van € 715,27 aan overeengekomen rente tot 24 februari 2025 en vanaf 24 februari 2025 op een rentebedrag ter hoogte van 0,455% per maand over een bedrag van € 26.318,17.
4.7.
DEFAM B.V. heeft in artikel 5 van de Voorwaarden bij de overeenkomst een vertragingsvergoedingsbeding opgenomen. De daarin opgenomen vertragingsvergoeding is gelijk aan het jaarlijks kostenpercentage. Dit percentage is in de overeenkomst vastgesteld op 5,600%.
4.8.
De kantonrechter moet ambtshalve nagaan of een contractueel beding valt onder de Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (verder: Richtlijn 93/13) en, zo ja, onderzoeken of dit beding oneerlijk is. Op grond van artikel 3 lid 1 Richtlijn 93/13 wordt een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk beschouwd als het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.
4.9.
De kantonrechter is van oordeel dat het beding in artikel 5 van de Voorwaarden niet onredelijk is in de zin van Richtlijn 93/13. Bij dit oordeel kijkt de kantonrechter naar de afspraak in de overeenkomst dat de hoogte van de verschuldigde rente gedurende de loop van de overeenkomst vaststaat en wel op 5,600% per jaar. Dit percentage is niet onevenredig hoog, kijkend naar het Besluit Kredietvergoeding waarin is bepaald dat de maximaal toegelaten effectieve kredietvergoedingspercentage de wettelijke rente op jaarbasis met daarbij opgeteld 8 procentpunt is. Het overeengekomen percentage blijft daarmee (ruim) onder het toegestane maximum.
Dit betekent dat de door DEFAM B.V. tot 24 februari 2025 berekende rente met een bedrag van € 715,27, waarbij [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen verweer hebben gevoerd tegen de juistheid hiervan, kan worden toegewezen.
DEFAM B.V. vordert vanaf 24 februari 2025 een vertragingsrente van 0,455% per maand over een bedrag van € 26.318,17. Over een periode van 12 maanden komt dit neer op een rentepercentage van 5,46%. Dit percentage is lager dan het tussen partijen overeengekomen percentage van 5,600%, zodat de kantonrechter ook dit (mindere) kan toewijzen.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten het openstaande saldo en de gevorderde rente betalen
4.10.
[gedaagde 2] heeft echter verweer gevoerd tegen betaling van de gevorderde hoofdsom en rente, omdat hij dit bedrag niet ineens kan betalen. Daarbij voert [gedaagde 2] aan dat hij de eerdere betalingsregeling telkens slechts enkele dagen na de afgesproken vervaldatum overmaakte, maar dat dit niet met kwade opzet was. De executiemaatregelen zijn daarom volgens hem disproportioneel. [gedaagde 2] verwacht de openstaande schuld(en) af te kunnen lossen met de overwaarde uit de verkoop van de gemeenschappelijke woning van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . [gedaagde 2] verwacht dat dit nog in 2025 zal gebeuren.
4.11.
Op grond van artikel 7:70a BW moet de kredietgever waar dat past respijtmaatregelen treffen voordat hij een incasso- of invorderingsprocedure inleidt ten aanzien van een consument. De kantonrechter is van oordeel dat DEFAM B.V.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan DEFAM B.V. te betalen een bedrag van € 34.763,84, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 0,455% per maand over een bedrag van € 26.318,17, met ingang van 24 februari 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan DEFAM B.V. te betalen een bedrag van € 2.145,02 aan beslagkosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.260,28, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Badal en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2025.
Artikel 706 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11666368 \ CV EXPL 25-1377
Vonnis van 24 september 2025
in de zaak van
DEFAM B.V., H.O.D.N. DEFAM TOTAAL, DEFAM FINANCIERINGEN, DEFAM PLUS, DEFAM FLEX, DEFAM CREDIT, DEFAM SELECT EN GREENLOANS,
gevestigd in Bunnik, kantoorhoudend in Utrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: DEFAM B.V.,
gemachtigde: [gemachtigde],
tegen
1 [gedaagde 1] ,
wonend in [plaats 1] ,
niet verschenen,2. [gedaagde 2],
wonend in [plaats 2] ,
procederend in persoon,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 21 mei 2025
- de mondelinge behandeling van 26 augustus 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis wordt gewezen.
Feiten
De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten:
- Partijen hebben in december 2022 een overeenkomst gesloten waarbij DEFAM B.V. aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een persoonlijke lening heeft verstrekt tot een maximum van € 35.000,00, onder de opschortende voorwaarde (samengevat) dat DEFAM B.V. de kredietaanvraag zal accepteren.
- In de overeenkomst is onder andere opgenomen een vaste debetrentevoet van 5,600% op jaarbasis, een maandbedrag van € 379,17 dat bestaat uit een deel aflossing en een deel rente (kredietvergoeding), een jaarlijks kostenpercentage van 5,600% en een totaal te betalen bedrag van € 45.500,35, zijnde het kredietbedrag plus de rente die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten betalen. De looptijd van de overeenkomst is 120 maanden.
- Op deze overeenkomst zijn de Voorwaarden Persoonlijke Lening DEFAM B.V. (verder: de Voorwaarden) van toepassing. Daarin is onder andere opgenomen:
Vertragingsvergoeding
5. U moet aan ons de vertragingsvergoeding betalen over alles dat wij opeisbaar van u te vorderen hebben in deze gevallen:
• Eén of meer termijnbedragen staan op de afgesproken vervaldagen niet op onze rekening.
• Gehele opeising van het openstaande saldo door ons op één van de gronden zoals genoemd in artikel 9 van de voorwaarden.
U krijgt dan een ingebrekestelling van ons met een vervaldatum. Betaalt u niet, dan wordt de vertragingsvergoeding berekend vanaf de vervaldatum tot de dag waarop u het volledige bedrag heeft betaald over het geheel opeisbaar gestelde saldo. De vertragingsvergoeding is gelijk aan het op dat moment geldende Jaarlijks kostenpercentage (JKP).
Opzeggen en opeisen
9. In bepaalde gevallen mogen wij de overeenkomst direct opzeggen en het totale kredietbedrag opeisen. Wij mogen dit doen als:
a. u een verschuldigde termijn na tenminste twee maanden nog niet heeft betaald. Ook niet nadat wij u hebben gevraagd te betalen en u in gebreke hebben gesteld; […]
- [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben een betalingsachterstand laten ontstaan van meer dan twee maanden.
- Op 21 juni 2024 heeft DEFAM B.V. een laatste betalingsherinnering en ingebrekestelling aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gestuurd. Het openstaande bedrag was op dat moment € 4.929,21.
- Op 24 juli 2024 heeft DEFAM B.V. per brief aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] laten weten dat zij het totale openstaande bedrag van de lening, een bedrag van € 44.148,83, opeist.
- Op 22 augustus 2024 heeft DEFAM B.V. via haar gemachtigde om betaling van de openstaande schuld, een bedrag van € 36.818,57, verzocht.
- Partijen hebben op 10 september 2024 een betalingsregeling getroffen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn deze betalingsregeling niet (stipt) nagekomen.
- Op 7 april 2025 heeft DEFAM B.V. conservatoir beslag gelegd op de gemeenschappelijke woning van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan het [adres] in [plaats 1] .
Geschil
3.1.
DEFAM B.V. vordert - samengevat - hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van een bedrag van € 34.763,84, vermeerderd met rente en beslagkosten.
3.2.
Daarbij voert DEFAM B.V. aan dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] nalatig waren in de volledige nakoming van hun verplichtingen uit de overeenkomst, waardoor het saldo van het krediet in zijn geheel opeisbaar is geworden. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn volgens DEFAM B.V. hoofdelijk aansprakelijk voor het totaal verschuldigde bedrag, maar zij hebben dit bedrag, ondanks aanmaning, niet betaald. DEFAM B.V. is van mening dat is voldaan aan de precontractuele en contractuele informatieverplichtingen van de artikelen 7:59, 7:60 en 7:61 Burgerlijk Wetboek (BW) en de kredietwaardigheidstoets van artikel 4:34 Wet op het financieel toezicht (Wft). Haar vordering is als volgt opgebouwd:
Saldo tot 24-02-2025
€
36.818,57
Rente berekend tot 24-02-2025
€
715,27
Rente berekend vanaf 24-02-2025
P.M.
Waarop in mindering is voldaan
€
2.770,00
€
34.763,84
+ P.M.
DEFAM B.V. heeft op 7 april 2025 conservatoir beslag gelegd op de gemeenschappelijke woning van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en vordert daarom ook vergoeding van de in verband daarmee gemaakte kosten.
3.3.
[gedaagde 1] voert geen verweer.
3.4.
[gedaagde 2] voert wel verweer. Hij verzoekt de vordering af te wijzen dan wel een betalingsregeling vast te stellen.
3.5.
Daarbij voert [gedaagde 2] aan dat het niet redelijk is dat DEFAM B.V. is overgegaan tot dagvaarding, terwijl [gedaagde 2] aantoonbaar bereid is zijn verplichtingen na te komen binnen zijn mogelijkheden. Er is volgens hem sprake van bijzondere omstandigheden, waaronder de lopende echtscheiding tussen hem en [gedaagde 1] en de belemmeringen rond de verkoop van hun gemeenschappelijke woning.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
Tegen [gedaagde 1] wordt verstek verleend
4.1.
[gedaagde 1] is niet op de terechtzitting verschenen en heeft ook niet op een andere manier gereageerd of om uitstel verzocht. Wel is [gedaagde 1] volgens de voorgeschreven termijn en formaliteiten gedagvaard. Er is daarom tegen haar verstek verleend. Doordat [gedaagde 2] wel is verschenen, wordt op grond van artikel 140 lid 3 Rv één vonnis gewezen dat voor alle partijen als een vonnis op tegenspraak geldt.
De overeenkomst moet ambtshalve worden getoetst aan het Europees consumentenrecht
4.2.
Het gaat in deze zaak om een kredietovereenkomst tussen enerzijds DEFAM B.V. als professionele kredietverstrekker en anderzijds de consumenten [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Omdat deze consumentenkredietovereenkomst na 25 mei 2011 is gesloten, zijn daarop afdeling 1 van titel 2A boek 7 BW en artikel 4:34 Wft van toepassing. De kantonrechter moet ambtshalve beoordelen of aan de daarin opgenomen consumentenbeschermende bepalingen is voldaan. Dat betekent dat de kantonrechter moet toetsen of DEFAM B.V. aan haar (pre-) contractuele informatie- en zorgplichten en de kredietwaardigheidstoets heeft voldaan.
(Pre-)contractuele informatie (artikel 7:57 BW en verder)
4.3.
De kantonrechter stelt vast dat uit de overgelegde stukken blijkt dat DEFAM B.V. aan haar (pre-)contractuele verplichtingen heeft voldaan. Daarbij overweegt de kantonrechter allereerst dat DEFAM B.V. heeft onderbouwd dat zij op 5 december 2022 is ingegaan op de aanvraag van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vanaf 9 december 2022 diverse digitale stappen moesten doorlopen om tot ondertekening van de overeenkomst te kunnen komen. Bij die stappen is ook het informatieblad Europese Standaardinformatie inzake consumentenkrediet (verder: ESIC) opgenomen. Verder is de overgelegde overeenkomst, waarop ook is opgenomen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] het ESIC hebben ontvangen, door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op 16 december 2022 ondertekend. Uit de overgelegde stukken volgt bovendien dat DEFAM B.V., zoals bepaald in artikel 7:60 BW, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vooraf voldoende heeft geïnformeerd over de belangrijkste kenmerken van het krediet. Dat betekent dat DEFAM B.V. voldoende tijdig de benodigde informatie aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft verstrekt. Tot slot heeft de kantonrechter getoetst of de overeenkomst voldoet aan de in de artikelen 7:61, 7:65 en 7:66 BW opgenomen verplichtingen. De conclusie is dat DEFAM B.V. ook aan deze verplichting heeft voldaan.
Kredietwaardigheidstoets (artikel 4:34 Wft)
4.4.
De kantonrechter stelt vast dat DEFAM B.V. ook heeft voldaan aan artikel 4:34 Wft. Op grond van dat artikel moet de kredietverstrekker voor de totstandkoming van een kredietovereenkomst in het belang van de consument informatie inwinnen over zijn of haar financiële positie en beoordelen, ter voorkoming van overkreditering van de consument, of het aangaan van de overeenkomst verantwoord is. Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende vast komen te staan dat DEFAM B.V. de kredietwaardigheid van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voor de totstandkoming van de kredietovereenkomst heeft getoetst aan de hand van de financiële gegevens die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben verstrekt. Niet blijkt dat het aangaan van de kredietovereenkomst onverantwoord was.
DEFAM B.V. mocht het openstaande saldo ineens opeisen
4.5.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben erkend dat zij hun maandelijkse betalingsverplichtingen niet voldoende zijn nagekomen. Daarbij staat vast dat een betalingsachterstand is ontstaan van meer dan twee maanden. Dat betekent dat voldaan is aan het vereiste van artikel 9a van de Voorwaarden dat ten minste twee maanden nog niet is betaald, zodat DEFAM B.V. het recht had om het openstaande saldo op te eisen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben niet betwist dat het in de dagvaarding opgenomen bedrag klopt, zodat de kantonrechter daarvan uitgaat. Dat betekent dat het door DEFAM B.V. gevorderde openstaande saldo in principe toegewezen kan worden.
DEFAM B.V. mag de overeengekomen rente in rekening brengen
4.6.
DEFAM B.V. maakt ook aanspraak op betaling van een bedrag van € 715,27 aan overeengekomen rente tot 24 februari 2025 en vanaf 24 februari 2025 op een rentebedrag ter hoogte van 0,455% per maand over een bedrag van € 26.318,17.
4.7.
DEFAM B.V. heeft in artikel 5 van de Voorwaarden bij de overeenkomst een vertragingsvergoedingsbeding opgenomen. De daarin opgenomen vertragingsvergoeding is gelijk aan het jaarlijks kostenpercentage. Dit percentage is in de overeenkomst vastgesteld op 5,600%.
4.8.
De kantonrechter moet ambtshalve nagaan of een contractueel beding valt onder de Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (verder: Richtlijn 93/13) en, zo ja, onderzoeken of dit beding oneerlijk is. Op grond van artikel 3 lid 1 Richtlijn 93/13 wordt een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk beschouwd als het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.
4.9.
De kantonrechter is van oordeel dat het beding in artikel 5 van de Voorwaarden niet onredelijk is in de zin van Richtlijn 93/13. Bij dit oordeel kijkt de kantonrechter naar de afspraak in de overeenkomst dat de hoogte van de verschuldigde rente gedurende de loop van de overeenkomst vaststaat en wel op 5,600% per jaar. Dit percentage is niet onevenredig hoog, kijkend naar het Besluit Kredietvergoeding waarin is bepaald dat de maximaal toegelaten effectieve kredietvergoedingspercentage de wettelijke rente op jaarbasis met daarbij opgeteld 8 procentpunt is. Het overeengekomen percentage blijft daarmee (ruim) onder het toegestane maximum.
Dit betekent dat de door DEFAM B.V. tot 24 februari 2025 berekende rente met een bedrag van € 715,27, waarbij [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen verweer hebben gevoerd tegen de juistheid hiervan, kan worden toegewezen.
DEFAM B.V. vordert vanaf 24 februari 2025 een vertragingsrente van 0,455% per maand over een bedrag van € 26.318,17. Over een periode van 12 maanden komt dit neer op een rentepercentage van 5,46%. Dit percentage is lager dan het tussen partijen overeengekomen percentage van 5,600%, zodat de kantonrechter ook dit (mindere) kan toewijzen.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten het openstaande saldo en de gevorderde rente betalen
4.10.
[gedaagde 2] heeft echter verweer gevoerd tegen betaling van de gevorderde hoofdsom en rente, omdat hij dit bedrag niet ineens kan betalen. Daarbij voert [gedaagde 2] aan dat hij de eerdere betalingsregeling telkens slechts enkele dagen na de afgesproken vervaldatum overmaakte, maar dat dit niet met kwade opzet was. De executiemaatregelen zijn daarom volgens hem disproportioneel. [gedaagde 2] verwacht de openstaande schuld(en) af te kunnen lossen met de overwaarde uit de verkoop van de gemeenschappelijke woning van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . [gedaagde 2] verwacht dat dit nog in 2025 zal gebeuren.
4.11.
Op grond van artikel 7:70a BW moet de kredietgever waar dat past respijtmaatregelen treffen voordat hij een incasso- of invorderingsprocedure inleidt ten aanzien van een consument. De kantonrechter is van oordeel dat DEFAM B.V.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan DEFAM B.V. te betalen een bedrag van € 34.763,84, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 0,455% per maand over een bedrag van € 26.318,17, met ingang van 24 februari 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan DEFAM B.V. te betalen een bedrag van € 2.145,02 aan beslagkosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.260,28, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Badal en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2025.
Artikel 706 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
Beoordeling
daaraan heeft voldaan, doordat zij [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betalingsherinneringen en een ingebrekestelling heeft gestuurd, waarbij zij ook een betalingsregeling heeft aangeboden. Na het inschakelen van een gemachtigde is ook daadwerkelijk een betalingsregeling getroffen.
4.12.
[gedaagde 2] erkent dat hij niet op tijd aan zijn betalingsverplichtingen op grond van de betalingsregeling heeft voldaan. Dat dit volgens [gedaagde 2] komt, omdat betalingen zijn gestorneerd als gevolg van het handelen van [gedaagde 1] , blijft echter naar het oordeel van de kantonrechter voor rekening en risico van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Of [gedaagde 1] een verwijt te maken valt op grond waarvan zij mogelijk schadeplichtig zou kunnen zijn ten opzichte van [gedaagde 2] , is in deze procedure niet aan de orde en wordt daarom niet door de kantonrechter beoordeeld. Daarnaast blijkt dat [gedaagde 2] helemaal gestopt is met betalen. In het eigen overzicht van [gedaagde 2] van betalingen die hij in het kader van de betalingsregeling heeft gedaan, staat als laatste betaaldatum ‘6 januari 2025’ vermeld. Tijdens de mondelinge behandeling heeft DEFAM B.V. bevestigd dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] na deze laatste betaling geen enkel bedrag meer hebben betaald. Omdat dit overzicht van [gedaagde 2] ook ruim na 6 januari 2025 in de procedure is overgelegd, namelijk op 30 april 2025, gaat de kantonrechter ervan uit dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] na 6 januari 2025 inderdaad niets meer hebben betaald. Op grond daarvan is de kantonrechter van oordeel dat van DEFAM B.V. in redelijkheid niet verwacht kon worden, dat zij de betalingsregeling toch weer zou opstarten. Hoewel de kantonrechter begrijpt dat de echtscheiding, meerdere schulden en belemmeringen rond de verkoop van de gemeenschappelijke woning ervoor kunnen zorgen dat het voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op dit moment moeilijk is om aan hun betalingsverplichtingen te voldoen, ontslaan deze omstandigheden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet van hun betalingsverplichting aan DEFAM B.V. De kantonrechter gaat daarom voorbij aan het verweer van [gedaagde 2] .
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten de beslagkosten en proceskosten betalen
4.13.
Tot slot vordert DEFAM B.V. vergoeding van de kosten die zij heeft gemaakt in verband met het gelegde conservatoir beslag. Het gaat om de beslagkosten en kosten van betekening voor een bedrag van € 888,02 en een bedrag van € 714,00 aan griffierechten.
De kosten van een beslag kunnen van de beslagene worden teruggevorderd tenzij het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig was. Dat daarvan sprake is, is niet gebleken. Dat betekent dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ook de beslagkosten moeten betalen. DEFAM B.V. heeft de beslagkosten en kosten van betekening onderbouwd met de onderliggende stukken (€ 339,36 × 2 en € 104,65 × 2). Het gevorderde bedrag aan griffierechten komt overeen met het gehanteerde tarief. Daarnaast wordt voor het verzoekschrift tot beslaglegging 1 punt voor salaris gerekend, volgens het liquidatietarief een bedrag van € 543,00. Daarom wijst de kantonrechter de beslagkosten voor een totaalbedrag van € 2.145,02 (€ 888,02 + € 714,00 + € 543,00) toe.
4.14.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom ook de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van DEFAM B.V. worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
292,28
- griffierecht
€
747,00
(€ 1.461,00 - € 714,00)
- salaris gemachtigde
€
1.086,00
(2 punten × € 543,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.260,28
Beide gedaagden zijn hoofdelijk aansprakelijk
4.15.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
Beoordeling
daaraan heeft voldaan, doordat zij [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betalingsherinneringen en een ingebrekestelling heeft gestuurd, waarbij zij ook een betalingsregeling heeft aangeboden. Na het inschakelen van een gemachtigde is ook daadwerkelijk een betalingsregeling getroffen.
4.12.
[gedaagde 2] erkent dat hij niet op tijd aan zijn betalingsverplichtingen op grond van de betalingsregeling heeft voldaan. Dat dit volgens [gedaagde 2] komt, omdat betalingen zijn gestorneerd als gevolg van het handelen van [gedaagde 1] , blijft echter naar het oordeel van de kantonrechter voor rekening en risico van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Of [gedaagde 1] een verwijt te maken valt op grond waarvan zij mogelijk schadeplichtig zou kunnen zijn ten opzichte van [gedaagde 2] , is in deze procedure niet aan de orde en wordt daarom niet door de kantonrechter beoordeeld. Daarnaast blijkt dat [gedaagde 2] helemaal gestopt is met betalen. In het eigen overzicht van [gedaagde 2] van betalingen die hij in het kader van de betalingsregeling heeft gedaan, staat als laatste betaaldatum ‘6 januari 2025’ vermeld. Tijdens de mondelinge behandeling heeft DEFAM B.V. bevestigd dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] na deze laatste betaling geen enkel bedrag meer hebben betaald. Omdat dit overzicht van [gedaagde 2] ook ruim na 6 januari 2025 in de procedure is overgelegd, namelijk op 30 april 2025, gaat de kantonrechter ervan uit dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] na 6 januari 2025 inderdaad niets meer hebben betaald. Op grond daarvan is de kantonrechter van oordeel dat van DEFAM B.V. in redelijkheid niet verwacht kon worden, dat zij de betalingsregeling toch weer zou opstarten. Hoewel de kantonrechter begrijpt dat de echtscheiding, meerdere schulden en belemmeringen rond de verkoop van de gemeenschappelijke woning ervoor kunnen zorgen dat het voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op dit moment moeilijk is om aan hun betalingsverplichtingen te voldoen, ontslaan deze omstandigheden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet van hun betalingsverplichting aan DEFAM B.V. De kantonrechter gaat daarom voorbij aan het verweer van [gedaagde 2] .
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten de beslagkosten en proceskosten betalen
4.13.
Tot slot vordert DEFAM B.V. vergoeding van de kosten die zij heeft gemaakt in verband met het gelegde conservatoir beslag. Het gaat om de beslagkosten en kosten van betekening voor een bedrag van € 888,02 en een bedrag van € 714,00 aan griffierechten.
De kosten van een beslag kunnen van de beslagene worden teruggevorderd tenzij het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig was. Dat daarvan sprake is, is niet gebleken. Dat betekent dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ook de beslagkosten moeten betalen. DEFAM B.V. heeft de beslagkosten en kosten van betekening onderbouwd met de onderliggende stukken (€ 339,36 × 2 en € 104,65 × 2). Het gevorderde bedrag aan griffierechten komt overeen met het gehanteerde tarief. Daarnaast wordt voor het verzoekschrift tot beslaglegging 1 punt voor salaris gerekend, volgens het liquidatietarief een bedrag van € 543,00. Daarom wijst de kantonrechter de beslagkosten voor een totaalbedrag van € 2.145,02 (€ 888,02 + € 714,00 + € 543,00) toe.
4.14.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom ook de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van DEFAM B.V. worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
292,28
- griffierecht
€
747,00
(€ 1.461,00 - € 714,00)
- salaris gemachtigde
€
1.086,00
(2 punten × € 543,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.260,28
Beide gedaagden zijn hoofdelijk aansprakelijk
4.15.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.