Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-06-02
ECLI:NL:RBZWB:2025:6509
Strafrecht; Strafprocesrecht
Wraking
1,409 tokens
Dictum
[verzoeker] ,
wonende te [plaats] ,
verder ook te noemen: verzoeker,
gemachtigde: mr. S. Arts.
1Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:
- de processtukken zoals opgenomen in het procesdossier van de hoofdzaak met zaaknummer 02-159585-23;
- het wrakingsverzoek van 22 mei 2025, met bijlagen;
- het e-mailbericht van de gewraakte rechter aan de wrakingskamer van 22 mei 2025 waaruit blijkt dat zij niet in de wraking berust;
- het e-mailbericht van mr. Arts van 23 mei 2025.
2Het verzoek
2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van mr. Kouwenhoven (hierna te noemen: de rechter) in haar hoedanigheid van rechter-commissaris in strafzaken.
2.2.
De rechter berust niet in het verzoek tot wraking.
3De gronden van het wrakingsverzoek
3.1.
De verzoeker heeft als gronden voor zijn wrakingsverzoek het volgende aangevoerd. Namens verzoeker is verzocht een getuige te horen voorafgaande aan de mondelinge behandeling van de hoofdzaak. De officier van justitie heeft een afwijzend standpunt ingenomen. De rechter heeft vervolgens bericht dat met het nemen van een beslissing op de onderzoekswensen zal worden gewacht totdat de reactie van de Forensische Opsporing is verstrekt zijdens het Openbaar Ministerie. De beslissing om nog geen beslissing te nemen is onjuist en de wet biedt hier geen mogelijkheid voor. De rechter stelt hierdoor haar beslissing afhankelijk van het oordeel van Forensische Opsporing. Daarbij is het van belang om deze getuige tijdig te horen omdat het een belangrijke getuige betreft én tijdsverloop een ongunstige invloed heeft op herinneringen. Door deze belangen niet mee te wegen is sprake van een dusdanig onbegrijpelijke beslissing – zeker zonder motivering – dat het niet anders kan dat deze is ingegeven door vooringenomenheid/subjectiviteit.
Beoordeling
4.1.
Uit artikel 512 Sv volgt dat elk van de rechters die een zaak behandelen door een partij kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.2.
Voorop moet worden gesteld, dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter als uitgangspunt geldt, dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
4.3.
De vooringenomenheid volgt volgens de verzoeker uit de omstandigheid dat de rechter vooralsnog geen beslissing heeft genomen over het horen van een getuige totdat er een reactie is van de Forensische Opsporing, zonder – volgens de verzoeker – enige motivering. Naar het oordeel van de wrakingskamer valt hieruit geen enkele vooringenomenheid of subjectiviteit af te leiden. Het voornemen van de rechter om pas een beslissing te nemen op het verzoek van de verzoeker tot het horen van een getuige als zij beschikt over meer informatie vanuit de Forensische Opsporing, is geen aanwijzing dat zij al vooruitloopt op een beslissing die de rechtbank in de hoofdzaak nog moet nemen. Er is ook geen reden om aan te nemen dat de rechter haar beslissing hiermee afhankelijk heeft gemaakt van de inhoud van het advies of rapport van Forensische Opsporing; slechts kan hieruit worden afgeleid dat de rechter zo volledig mogelijk wil zijn geïnformeerd voordat zij een beslissing neemt. Ook de door verzoeker aangevoerde omstandigheid dat door het nu niet nemen van beslissing tijdsverloop ontstaat, wat een ongunstige invloed heeft op herinneringen en daarmee op de verklaring van deze getuige, maakt naar het oordeel van de wrakingskamer niet dat de aanhouding van de beslissing op het verzoek van de verzoeker tot het horen van die getuige zo onbegrijpelijk is dat de rechter de indruk heeft gewekt dat sprake is van enige vooringenomenheid of subjectiviteit.
4.4
Omdat sprake is van een kennelijk ongegrond wrakingsverzoek, laat de wrakingskamer een mondelinge behandeling van het verzoek achterwege overeenkomstig artikel 4, tweede lid, aanhef en onder a en e, van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (gepubliceerd op de website www.rechtspraak.nl, zie rechtbank Zeeland-West-Brabant, regels en procedures, wrakingsprotocol).
4.5
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.
Dictum
De wrakingskamer:
5.1.
verklaart het verzoek ongegrond;
5.2.
bepaalt dat de behandeling van de zaak met zaaknummer 02-159585-23 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens indiening van het verzoek.
Deze beslissing is gegeven op 2 juni 2025 door mr. Peters, rechter en voorzitter en mr. Tempel en mr. Leppens, en op dezelfde dag uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. Reijerse, griffier. De beslissing wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.