Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-09-12
ECLI:NL:RBZWB:2025:6421
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
11,634 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/434274 / FA RK 25-1944
Datum uitspraak: 12 september 2025
Beschikking over vaststelling verdeling zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
[de man]
,
hierna te noemen: de man,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: J.B. de Bree te Etten-Leur,
tegen
[de vrouw]
,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende in [plaats 2] ,
advocaat: mr. J.M.G. Cox te Tilburg,
over de minderjarigen:
- [minderjarige 1]geboren op [geboortedag 1] 2022 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ;
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2019 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.
1Het procesverloop
1.1.
Het procesdossier bevat de volgende stukken:
het op 15 april 2025 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;
het op 1 juli 2025 ontvangen verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken alsmede een verzoek tot het treffen van een provisionele voorziening op grond van artikel 223 Rv, met bijlagen;
het F9-formulier van 14 augustus 2025 van mr. Cox, met bijlagen;
de brief van 15 augustus 2025 van mr. De Bree, houdende een wijziging/aanvulling van het verzoek, met bijlagen.
1.2.
Op 21 augustus 2025 heeft de rechtbank de verzoeken, met gesloten deuren, mondeling behandeld. Bij die behandeling zijn verschenen en gehoord:
de man, bijgestaan door mr. De Bree;
de vrouw, bijgestaan door mr. Cox;
een vertegenwoordigster namens de Raad.
Feiten
2.1.
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad.
2.2.
[minderjarige 1] is tijdens de relatie van partijen geboren. De man is de biologische vader van [minderjarige 1] .
2.3.
De man is niet de biologische vader van [minderjarige 2] .
2.4.
De man heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend.
2.5.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.6.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen en hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.
2.7.
Partijen hebben geen afspraken over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
3De verzoeken
3.1.
De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, na wijziging/aanvulling van zijn verzoeken, te bepalen:
I. in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen, dat [minderjarige 1] een weekend per twee weken bij de man verblijft van vrijdag uit het kinderdagverblijf (later: uit school) tot dinsdagochtend naar het kinderdagverblijf (later: naar school), alsmede in de andere week van maandagochtend 08.00 uur (later: uit school) tot dinsdagochtend naar het kinderdagverblijf (later: naar school);
II. indien de man vanwege zijn werkzaamheden in het buitenland het contactweekend niet kan nakomen, dat de man dit weekend zal inhalen in het eerstvolgende weekend na zijn verblijf in het buitenland;
III. de vakanties in onderling overleg bij helfte tussen partijen te verdelen, waarbij [minderjarige 1] in de zomervakantie in ieder geval drie aaneengesloten weken bij de man verblijft;
IV. de feestdagen in onderling overleg bij helfte tussen partijen te verdelen, waarbij [minderjarige 1] in ieder geval in de even jaren tijdens de Kerstdagen bij de man verblijft en in de oneven jaren met oud en nieuw,
althans een regeling te bepalen als de rechtbank in goede justitie juist acht.
3.2.
De vrouw verzoekt om voormelde verzoeken van de man af te wijzen. De vrouw verzoekt daarnaast, bij wijze van zelfstandige verzoeken, uitvoerbaar bij voorraad:
te bepalen dat de man in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken recht heeft op contact en omgang met [minderjarige 1] én [minderjarige 2] eenmaal per veertien dagen in het weekend in de oneven week, indien en voor zover de man zelf in Nederland aanwezig en beschikbaar is, van vrijdag na school en/of na het kinderdagverblijf tot zondag 18.00 uur, waarbij de man haalt en brengt;
te bepalen dat de vakanties en de feestdagen worden verdeeld op de wijze zoals uiteengezet onder nummers 46 tot en met 53 van het verweerschrift;
dan wel een door de rechtbank in goede justitie regeling te bepalen;
te bepalen dat de man, met ingang van 21 januari 2025, dan wel ingaande op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, een bedrag aan kinderalimentatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dient te betalen aan de vrouw ter hoogte van respectievelijk € 224,68 en € 287,68 per maand, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag.
3.3.
De vrouw verzoekt daarnaast, bij wijze van zelfstandig provisioneel verzoek op grond van artikel 223 Rv, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man, ingaande op de datum van dit verzoek dan wel ingaande op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, een bedrag aan kinderalimentatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dient te betalen aan de vrouw ter hoogte van respectievelijk € 224,68 en € 287,68 per maand, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag.
4De standpunten
Het standpunt van de man
4.1.
Namens en door de man is het volgende aangevoerd. Momenteel verblijft [minderjarige 1] eenmaal per twee weken (in de oneven weken) van vrijdagmiddag tot maandagochtend bij de man. In de even weken verblijft [minderjarige 1] van maandagochtend tot dinsdagochtend bij de man. Wanneer de man tijdens de contactmomenten voor zijn werk in het buitenland verblijft, blijft [minderjarige 1] bij de vrouw. De man verzoekt om een uitgebreidere regeling vast te stellen, op basis waarvan [minderjarige 1] eenmaal per twee weken van vrijdagmiddag tot dinsdagmorgen en in de andere week van maandagochtend tot dinsdagochtend bij de man verblijft, tenzij de man voor zijn werk in het buitenland verblijft. De man verzoekt dus om de zorg- en contactregeling tussen hem en [minderjarige 1] uit te breiden, in die zin dat [minderjarige 1] voortaan elke week tot dinsdagochtend bij hem verblijft. Deze regeling is duidelijker en daarom meer in het belang van [minderjarige 1] . De man betwist dat [minderjarige 1] , nadat hij in het weekend bij de man is geweest, op maandag zorgwekkend gedrag zou vertonen op het kinderdagverblijf. Ter onderbouwing daarvan heeft hij een afschrift van een e-mailbericht vanuit het kinderdagverblijf overgelegd. Als de man op maandag niet voor [minderjarige 1] kan zorgen, wat overigens niet vaak voorkomt, dan kan [naam 1] , een nicht van de man, op [minderjarige 1] oppassen. De man wil hiermee verantwoordelijkheid tonen door op de dagen dat [minderjarige 1] aan hem is toevertrouwd maar hij zelf niet voor [minderjarige 1] kan zorgen, hiervoor zelf een oplossing aan te dragen. Maar als de vrouw op die dagen voor [minderjarige 1] wil en kan zorgen, dan kan de man daarmee instemmen.
4.2.
De man werkt als militair en als berggids, waardoor hij regelmatig voor de duur van maximaal twee weken in het buitenland verblijft. Ongeveer zes keer per jaar is de man in het buitenland op momenten dat [minderjarige 1] op basis van de voorgestelde zorg- en contactregeling bij hem zou verblijven. Als de man in het buitenland verblijft en als gevolg daarvan een omgangsmoment niet kan doorgaan, dan wil de man graag dat [minderjarige 1] tijdens het eerstvolgende weekend dat de man weer in Nederland is, dat omgangsmoment inhaalt. De man krijgt steeds in het tweede kwartaal van een jaar zijn werkrooster voor het daaropvolgende jaar. Hij kan dus ruim van tevoren aangeven tijdens welke weekenden hij vanwege verblijf in het buitenland niet voor [minderjarige 1] kan zorgen en tijdens welke weekenden het contact dient te worden ingehaald.
4.3.
De man wil daarnaast graag dat [minderjarige 1] tijdens de zomervakantie gedurende drie aaneengesloten weken bij hem verblijft, zodat zij samen op vakantie kunnen gaan. Voor het overige wil hij, voor zover zijn werk dat toelaat, dat de vakanties en de feestdagen bij helfte worden verdeeld. Verder wil hij graag dat [minderjarige 1] in de even jaren tijdens de Kerstdagen bij hem verblijft en in de oneven jaren tijdens oud en nieuw, zodat [minderjarige 1] en [naam 2] (de zoon van de man uit een andere relatie) op dezelfde dagen bij hem verblijven.
Het standpunt van de vrouw
4.4.
Namens en door de vrouw is het volgende aangevoerd. [minderjarige 1] heeft veel last van de huidige zorg- en contactregeling. Met het oog op de primaire hechtingsfase die [minderjarige 1] doormaakt, vindt de vrouw het in zijn belang dat [minderjarige 1] voornamelijk bij haar verblijft en dat hij enkel kortdurende contacten met de man heeft. De vrouw wil daarom dat [minderjarige 1] van vrijdag tot zondagavond dan wel tot uiterlijk maandagavond bij de man verblijft, en in de andere weken van maandagochtend tot dinsdagochtend. De door de man verzochte uitgebreidere regeling, op basis waarvan [minderjarige 1] om de week in het weekend gedurende vier aaneengesloten nachten bij de man verblijft, vindt de vrouw te lang.
Beoordeling
5.1.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken, overweegt de rechtbank als volgt.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige 1]
5.2.
In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt.
Op grond van het tweede lid van dit artikel kan de rechtbank eveneens op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan op grond van sub a een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders omvatten.
In artikel 1:253a lid 5 BW staat dat de rechter, voordat zij een beslissing neemt over het verzoek tot wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, eerst moet bekijken of de ouders afspraken kunnen maken met elkaar teneinde het ontstane geschil tussen hen weg te nemen.
5.3.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat beide ouders bereid zijn om, in het kader van het uniform hulpaanbod (UHA), onder de begeleiding van professionele hulpverlening te werken aan het verbeteren van de onderlinge communicatie en samenwerking, met (onder meer) als doel om tot overeenstemming te komen over de geschilpunten in deze zaak.
5.4.
Ook de rechtbank is van oordeel, gezien de overgelegde stukken en wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken, dat de communicatie en de samenwerking tussen de ouders verbetering behoeft. De rechtbank vindt het daarom noodzakelijk dat de ouders hierbij zorg en ondersteuning krijgen. De rechtbank zal de ouders daartoe, met hun instemming, verwijzen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de zorgregio Midden-Brabant. Deze beschikking geldt als bevestiging dat de ouders met de doorverwijzing en de daarbij behorende voorwaarden hebben ingestemd.
5.5.
Met de inzet van het UHA-zorgtraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund;
de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind;
het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar.
Meer specifiek dienen de ouders in het kader van het UHA-traject te werken aan het verbeteren van de onderlinge oudercommunicatie en -samenwerking, waarbij zij zullen trachten om te komen tot volledige overeenstemming over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige 1] . De ouders dienen daarbij, met het oog op de geschilpunten tussen hen, in ieder geval te spreken over de reguliere verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de weekenden waarin de man en [minderjarige 1] gerechtigd zijn tot contact met elkaar maar die niet kunnen doorgaan omdat de man in het buitenland verblijft (wel of niet een inhaalweekend) en over de verdeling van de vakanties en de feestdagen. De rechtbank gaat er vanuit dat de ouders zich zullen inspannen om te komen tot een door hen beiden gedragen ouderschapsplan betreffende [minderjarige 1] .
5.6.
Na afloop van het UHA-zorgtraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/de toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het zorgloket om de volledige UHA-(eind)rapportage uiterlijk op de hierna te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.
5.7.
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, dan stelt de rechtbank de ouders (via hun advocaten) in de gelegenheid om zich binnen twee weken na ontvangst van de UHA-eindrapportage uit te laten of een nadere mondelinge behandeling van de in deze procedure voorliggende verzoeken over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken betreffende [minderjarige 1] nodig is. De advocaten dienen in hun reactie kenbaar te maken wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor voormelde verzoeken.
5.8.
Als de hulp onverhoopt niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan verzoekt de rechtbank aan het loket om de volledige UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of een interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is om een onderzoek of een interventie te starten.
5.9.
Als de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA-rapportage direct een advies kan geven, dan stelt de rechtbank de ouders (via hun advocaten) in de gelegenheid om zich over dit advies en over het door hen gewenste verdere verloop van deze procedure uit te laten.
5.10.
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad om dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vraag:
- Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders past het beste bij de belangen van [minderjarige 1] ?
5.11.
Deze beschikking is een voorwaardelijk verzoek aan de Raad om voormeld onderzoek te verrichten, indien het UHA-traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
5.12.
Na ontvangst van het rapport en het advies van de Raad, zal de rechtbank de ouders (via hun advocaten) in de gelegenheid stellen om hierop te reageren en, naar aanleiding daarvan, het door hen gewenste verdere procesverloop van deze zaak kenbaar te maken.
5.13.
In afwachting van het verloop van het zorgtraject, zal de rechtbank de definitieve beslissing over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [minderjarige 1] pro forma aanhouden tot hierna te noemen datum. Op verzoek van de zorgaanbieder (via het loket) kan de rechtbank deze termijn uitstellen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Indien de termijn wordt uitgesteld, dan zal de rechtbank een nieuwe pro forma datum doorgeven waarop de UHA-rapportage uiterlijk moet worden ingediend.
5.14.
De rechtbank gaat ervan uit dat beide ouders zich zullen inspannen om het zorgtraject aan te gaan en om dit met een goed resultaat af te ronden. De belangen van [minderjarige 1] staan hierbij voorop.
Voorlopige verdeling zorg- en opvoedingstaken [minderjarige 1]
5.15.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben de ouders afspraken gemaakt over de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige 1] . De ouders zijn overeengekomen dat [minderjarige 1] eenmaal per twee weken in het weekend (in de oneven weken) van vrijdagmiddag na het kinderdagverblijf/school tot maandagavond 18.30 uur bij de man verblijft en in de andere week (in de even weken) van maandagochtend 08.00 uur tot dinsdagochtend naar het kinderdagverblijf/school. Als de man, op een maandag dat hij en [minderjarige 1] volgens voormelde regeling gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar, niet voor [minderjarige 1] kan zorgen, dan zal hij eerst aan de vrouw vragen of zij voor [minderjarige 1] kan zorgen alvorens een oppas in te schakelen. Dit geldt uiteraard ook andersom.
Dictum
De rechtbank:
6.1.
stelt vast dat de man en [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2022 in [plaats 2] , in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders, voorlopig, totdat de ouders hierover in goed onderling overleg afwijkende afspraken maken dan wel totdat de rechtbank definitief beslist, gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:
eenmaal per twee weken in het weekend (in de oneven weken) van vrijdagmiddag na het kinderdagverblijf/school tot maandagavond 18.30 uur;
in de andere week (even weken) van maandagochtend 08.00 uur tot dinsdagochtend naar het kinderdagverblijf/school;
in de even jaren tijdens de Kerstdagen en in de oneven jaren met oud en nieuw;
waarbij de man [minderjarige 1] in het kader van deze regeling zal halen en brengen, een en ander overeenkomstig hetgeen hiervoor in de rechtsoverwegingen 5.15 en 5.16 is overwogen;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
verwijst de ouders en [minderjarige 1] voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hiervoor onder rechtsoverweging 5.5 vermelde resultaten naar het zorgloket van de samenwerkende gemeenten in de zorgregio Midden-Brabant. Het loket zal de ouders en [minderjarige 1] vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van [minderjarige 1] verwijzen naar (een) zorgaanbieder(s);
6.4.
verzoekt het loket om uiterlijk op dinsdag 26 mei 2026 PRO FORMA, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA-rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulptraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
6.5.
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, om de UHA-eindrapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
6.6.
verzoekt de Raad om binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA-rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet om naar aanleiding daarvan een onderzoek of een interventie te starten;
6.7.
verzoekt de Raad, wanneer het UHA-traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hiervoor onder rechtsoverweging 5.10 vermelde vraag en daarover te rapporteren en te adviseren;
6.8.
verzoekt de Raad om zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht, bij de rechtbank in te dienen;
6.9.
verwijst de zaak voor zover het betreft de zelfstandige verzoeken van de vrouw tot vaststelling van kinderalimentatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en het vaststellen van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige 2], naar het cluster Familierecht van deze rechtbank ter verdere beoordeling en behandeling zoals hiervoor onder rechtsoverweging 5.20 en 5.21 is overwogen;
6.10.
verwijst de zaak voor wat betreft de bij wijze van zelfstandig verzoek verzochte provisionele voorziening eveneens naar het cluster Familierecht van deze rechtbank ter verdere beoordeling en behandeling en onder een ander, nieuw aan te maken zaaknummer, zoals hiervoor onder rechtsoverweging 5.20 en 5.21 is overwogen;
6.11.
behoudt zich iedere (verdere) beslissing over de definitieve verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige 1] aan.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2025 door mr. Struijs, (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Inleiding
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/434274 / FA RK 25-1944
Datum uitspraak: 12 september 2025
Beschikking over vaststelling verdeling zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
[de man]
,
hierna te noemen: de man,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: J.B. de Bree te Etten-Leur,
tegen
[de vrouw]
,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende in [plaats 2] ,
advocaat: mr. J.M.G. Cox te Tilburg,
over de minderjarigen:
- [minderjarige 1]geboren op [geboortedag 1] 2022 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ;
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2019 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.
1Het procesverloop
1.1.
Het procesdossier bevat de volgende stukken:
het op 15 april 2025 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;
het op 1 juli 2025 ontvangen verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken alsmede een verzoek tot het treffen van een provisionele voorziening op grond van artikel 223 Rv, met bijlagen;
het F9-formulier van 14 augustus 2025 van mr. Cox, met bijlagen;
de brief van 15 augustus 2025 van mr. De Bree, houdende een wijziging/aanvulling van het verzoek, met bijlagen.
1.2.
Op 21 augustus 2025 heeft de rechtbank de verzoeken, met gesloten deuren, mondeling behandeld. Bij die behandeling zijn verschenen en gehoord:
de man, bijgestaan door mr. De Bree;
de vrouw, bijgestaan door mr. Cox;
een vertegenwoordigster namens de Raad.
Feiten
2.1.
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad.
2.2.
[minderjarige 1] is tijdens de relatie van partijen geboren. De man is de biologische vader van [minderjarige 1] .
2.3.
De man is niet de biologische vader van [minderjarige 2] .
2.4.
De man heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend.
2.5.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.6.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen en hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.
2.7.
Partijen hebben geen afspraken over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
3De verzoeken
3.1.
De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, na wijziging/aanvulling van zijn verzoeken, te bepalen:
I. in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen, dat [minderjarige 1] een weekend per twee weken bij de man verblijft van vrijdag uit het kinderdagverblijf (later: uit school) tot dinsdagochtend naar het kinderdagverblijf (later: naar school), alsmede in de andere week van maandagochtend 08.00 uur (later: uit school) tot dinsdagochtend naar het kinderdagverblijf (later: naar school);
II. indien de man vanwege zijn werkzaamheden in het buitenland het contactweekend niet kan nakomen, dat de man dit weekend zal inhalen in het eerstvolgende weekend na zijn verblijf in het buitenland;
III. de vakanties in onderling overleg bij helfte tussen partijen te verdelen, waarbij [minderjarige 1] in de zomervakantie in ieder geval drie aaneengesloten weken bij de man verblijft;
IV. de feestdagen in onderling overleg bij helfte tussen partijen te verdelen, waarbij [minderjarige 1] in ieder geval in de even jaren tijdens de Kerstdagen bij de man verblijft en in de oneven jaren met oud en nieuw,
althans een regeling te bepalen als de rechtbank in goede justitie juist acht.
3.2.
De vrouw verzoekt om voormelde verzoeken van de man af te wijzen. De vrouw verzoekt daarnaast, bij wijze van zelfstandige verzoeken, uitvoerbaar bij voorraad:
te bepalen dat de man in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken recht heeft op contact en omgang met [minderjarige 1] én [minderjarige 2] eenmaal per veertien dagen in het weekend in de oneven week, indien en voor zover de man zelf in Nederland aanwezig en beschikbaar is, van vrijdag na school en/of na het kinderdagverblijf tot zondag 18.00 uur, waarbij de man haalt en brengt;
te bepalen dat de vakanties en de feestdagen worden verdeeld op de wijze zoals uiteengezet onder nummers 46 tot en met 53 van het verweerschrift;
dan wel een door de rechtbank in goede justitie regeling te bepalen;
te bepalen dat de man, met ingang van 21 januari 2025, dan wel ingaande op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, een bedrag aan kinderalimentatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dient te betalen aan de vrouw ter hoogte van respectievelijk € 224,68 en € 287,68 per maand, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag.
3.3.
De vrouw verzoekt daarnaast, bij wijze van zelfstandig provisioneel verzoek op grond van artikel 223 Rv, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man, ingaande op de datum van dit verzoek dan wel ingaande op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, een bedrag aan kinderalimentatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dient te betalen aan de vrouw ter hoogte van respectievelijk € 224,68 en € 287,68 per maand, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag.
4De standpunten
Het standpunt van de man
4.1.
Namens en door de man is het volgende aangevoerd. Momenteel verblijft [minderjarige 1] eenmaal per twee weken (in de oneven weken) van vrijdagmiddag tot maandagochtend bij de man. In de even weken verblijft [minderjarige 1] van maandagochtend tot dinsdagochtend bij de man. Wanneer de man tijdens de contactmomenten voor zijn werk in het buitenland verblijft, blijft [minderjarige 1] bij de vrouw. De man verzoekt om een uitgebreidere regeling vast te stellen, op basis waarvan [minderjarige 1] eenmaal per twee weken van vrijdagmiddag tot dinsdagmorgen en in de andere week van maandagochtend tot dinsdagochtend bij de man verblijft, tenzij de man voor zijn werk in het buitenland verblijft. De man verzoekt dus om de zorg- en contactregeling tussen hem en [minderjarige 1] uit te breiden, in die zin dat [minderjarige 1] voortaan elke week tot dinsdagochtend bij hem verblijft. Deze regeling is duidelijker en daarom meer in het belang van [minderjarige 1] . De man betwist dat [minderjarige 1] , nadat hij in het weekend bij de man is geweest, op maandag zorgwekkend gedrag zou vertonen op het kinderdagverblijf. Ter onderbouwing daarvan heeft hij een afschrift van een e-mailbericht vanuit het kinderdagverblijf overgelegd. Als de man op maandag niet voor [minderjarige 1] kan zorgen, wat overigens niet vaak voorkomt, dan kan [naam 1] , een nicht van de man, op [minderjarige 1] oppassen. De man wil hiermee verantwoordelijkheid tonen door op de dagen dat [minderjarige 1] aan hem is toevertrouwd maar hij zelf niet voor [minderjarige 1] kan zorgen, hiervoor zelf een oplossing aan te dragen. Maar als de vrouw op die dagen voor [minderjarige 1] wil en kan zorgen, dan kan de man daarmee instemmen.
4.2.
De man werkt als militair en als berggids, waardoor hij regelmatig voor de duur van maximaal twee weken in het buitenland verblijft. Ongeveer zes keer per jaar is de man in het buitenland op momenten dat [minderjarige 1] op basis van de voorgestelde zorg- en contactregeling bij hem zou verblijven. Als de man in het buitenland verblijft en als gevolg daarvan een omgangsmoment niet kan doorgaan, dan wil de man graag dat [minderjarige 1] tijdens het eerstvolgende weekend dat de man weer in Nederland is, dat omgangsmoment inhaalt. De man krijgt steeds in het tweede kwartaal van een jaar zijn werkrooster voor het daaropvolgende jaar. Hij kan dus ruim van tevoren aangeven tijdens welke weekenden hij vanwege verblijf in het buitenland niet voor [minderjarige 1] kan zorgen en tijdens welke weekenden het contact dient te worden ingehaald.
4.3.
De man wil daarnaast graag dat [minderjarige 1] tijdens de zomervakantie gedurende drie aaneengesloten weken bij hem verblijft, zodat zij samen op vakantie kunnen gaan. Voor het overige wil hij, voor zover zijn werk dat toelaat, dat de vakanties en de feestdagen bij helfte worden verdeeld. Verder wil hij graag dat [minderjarige 1] in de even jaren tijdens de Kerstdagen bij hem verblijft en in de oneven jaren tijdens oud en nieuw, zodat [minderjarige 1] en [naam 2] (de zoon van de man uit een andere relatie) op dezelfde dagen bij hem verblijven.
Het standpunt van de vrouw
4.4.
Namens en door de vrouw is het volgende aangevoerd. [minderjarige 1] heeft veel last van de huidige zorg- en contactregeling. Met het oog op de primaire hechtingsfase die [minderjarige 1] doormaakt, vindt de vrouw het in zijn belang dat [minderjarige 1] voornamelijk bij haar verblijft en dat hij enkel kortdurende contacten met de man heeft. De vrouw wil daarom dat [minderjarige 1] van vrijdag tot zondagavond dan wel tot uiterlijk maandagavond bij de man verblijft, en in de andere weken van maandagochtend tot dinsdagochtend. De door de man verzochte uitgebreidere regeling, op basis waarvan [minderjarige 1] om de week in het weekend gedurende vier aaneengesloten nachten bij de man verblijft, vindt de vrouw te lang.
Beoordeling
5.1.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken, overweegt de rechtbank als volgt.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige 1]
5.2.
In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt.
Op grond van het tweede lid van dit artikel kan de rechtbank eveneens op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan op grond van sub a een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders omvatten.
In artikel 1:253a lid 5 BW staat dat de rechter, voordat zij een beslissing neemt over het verzoek tot wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, eerst moet bekijken of de ouders afspraken kunnen maken met elkaar teneinde het ontstane geschil tussen hen weg te nemen.
5.3.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat beide ouders bereid zijn om, in het kader van het uniform hulpaanbod (UHA), onder de begeleiding van professionele hulpverlening te werken aan het verbeteren van de onderlinge communicatie en samenwerking, met (onder meer) als doel om tot overeenstemming te komen over de geschilpunten in deze zaak.
5.4.
Ook de rechtbank is van oordeel, gezien de overgelegde stukken en wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken, dat de communicatie en de samenwerking tussen de ouders verbetering behoeft. De rechtbank vindt het daarom noodzakelijk dat de ouders hierbij zorg en ondersteuning krijgen. De rechtbank zal de ouders daartoe, met hun instemming, verwijzen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de zorgregio Midden-Brabant. Deze beschikking geldt als bevestiging dat de ouders met de doorverwijzing en de daarbij behorende voorwaarden hebben ingestemd.
5.5.
Met de inzet van het UHA-zorgtraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund;
de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind;
het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar.
Meer specifiek dienen de ouders in het kader van het UHA-traject te werken aan het verbeteren van de onderlinge oudercommunicatie en -samenwerking, waarbij zij zullen trachten om te komen tot volledige overeenstemming over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige 1] . De ouders dienen daarbij, met het oog op de geschilpunten tussen hen, in ieder geval te spreken over de reguliere verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de weekenden waarin de man en [minderjarige 1] gerechtigd zijn tot contact met elkaar maar die niet kunnen doorgaan omdat de man in het buitenland verblijft (wel of niet een inhaalweekend) en over de verdeling van de vakanties en de feestdagen. De rechtbank gaat er vanuit dat de ouders zich zullen inspannen om te komen tot een door hen beiden gedragen ouderschapsplan betreffende [minderjarige 1] .
5.6.
Na afloop van het UHA-zorgtraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/de toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het zorgloket om de volledige UHA-(eind)rapportage uiterlijk op de hierna te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.
5.7.
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, dan stelt de rechtbank de ouders (via hun advocaten) in de gelegenheid om zich binnen twee weken na ontvangst van de UHA-eindrapportage uit te laten of een nadere mondelinge behandeling van de in deze procedure voorliggende verzoeken over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken betreffende [minderjarige 1] nodig is. De advocaten dienen in hun reactie kenbaar te maken wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor voormelde verzoeken.
5.8.
Als de hulp onverhoopt niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan verzoekt de rechtbank aan het loket om de volledige UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of een interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is om een onderzoek of een interventie te starten.
5.9.
Als de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA-rapportage direct een advies kan geven, dan stelt de rechtbank de ouders (via hun advocaten) in de gelegenheid om zich over dit advies en over het door hen gewenste verdere verloop van deze procedure uit te laten.
5.10.
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad om dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vraag:
- Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders past het beste bij de belangen van [minderjarige 1] ?
5.11.
Deze beschikking is een voorwaardelijk verzoek aan de Raad om voormeld onderzoek te verrichten, indien het UHA-traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
5.12.
Na ontvangst van het rapport en het advies van de Raad, zal de rechtbank de ouders (via hun advocaten) in de gelegenheid stellen om hierop te reageren en, naar aanleiding daarvan, het door hen gewenste verdere procesverloop van deze zaak kenbaar te maken.
5.13.
In afwachting van het verloop van het zorgtraject, zal de rechtbank de definitieve beslissing over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [minderjarige 1] pro forma aanhouden tot hierna te noemen datum. Op verzoek van de zorgaanbieder (via het loket) kan de rechtbank deze termijn uitstellen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Indien de termijn wordt uitgesteld, dan zal de rechtbank een nieuwe pro forma datum doorgeven waarop de UHA-rapportage uiterlijk moet worden ingediend.
5.14.
De rechtbank gaat ervan uit dat beide ouders zich zullen inspannen om het zorgtraject aan te gaan en om dit met een goed resultaat af te ronden. De belangen van [minderjarige 1] staan hierbij voorop.
Voorlopige verdeling zorg- en opvoedingstaken [minderjarige 1]
5.15.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben de ouders afspraken gemaakt over de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige 1] . De ouders zijn overeengekomen dat [minderjarige 1] eenmaal per twee weken in het weekend (in de oneven weken) van vrijdagmiddag na het kinderdagverblijf/school tot maandagavond 18.30 uur bij de man verblijft en in de andere week (in de even weken) van maandagochtend 08.00 uur tot dinsdagochtend naar het kinderdagverblijf/school. Als de man, op een maandag dat hij en [minderjarige 1] volgens voormelde regeling gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar, niet voor [minderjarige 1] kan zorgen, dan zal hij eerst aan de vrouw vragen of zij voor [minderjarige 1] kan zorgen alvorens een oppas in te schakelen. Dit geldt uiteraard ook andersom.
Dictum
De rechtbank:
6.1.
stelt vast dat de man en [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2022 in [plaats 2] , in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders, voorlopig, totdat de ouders hierover in goed onderling overleg afwijkende afspraken maken dan wel totdat de rechtbank definitief beslist, gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:
eenmaal per twee weken in het weekend (in de oneven weken) van vrijdagmiddag na het kinderdagverblijf/school tot maandagavond 18.30 uur;
in de andere week (even weken) van maandagochtend 08.00 uur tot dinsdagochtend naar het kinderdagverblijf/school;
in de even jaren tijdens de Kerstdagen en in de oneven jaren met oud en nieuw;
waarbij de man [minderjarige 1] in het kader van deze regeling zal halen en brengen, een en ander overeenkomstig hetgeen hiervoor in de rechtsoverwegingen 5.15 en 5.16 is overwogen;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
verwijst de ouders en [minderjarige 1] voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hiervoor onder rechtsoverweging 5.5 vermelde resultaten naar het zorgloket van de samenwerkende gemeenten in de zorgregio Midden-Brabant. Het loket zal de ouders en [minderjarige 1] vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van [minderjarige 1] verwijzen naar (een) zorgaanbieder(s);
6.4.
verzoekt het loket om uiterlijk op dinsdag 26 mei 2026 PRO FORMA, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA-rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulptraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
6.5.
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, om de UHA-eindrapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
6.6.
verzoekt de Raad om binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA-rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet om naar aanleiding daarvan een onderzoek of een interventie te starten;
6.7.
verzoekt de Raad, wanneer het UHA-traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hiervoor onder rechtsoverweging 5.10 vermelde vraag en daarover te rapporteren en te adviseren;
6.8.
verzoekt de Raad om zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht, bij de rechtbank in te dienen;
6.9.
verwijst de zaak voor zover het betreft de zelfstandige verzoeken van de vrouw tot vaststelling van kinderalimentatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en het vaststellen van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige 2], naar het cluster Familierecht van deze rechtbank ter verdere beoordeling en behandeling zoals hiervoor onder rechtsoverweging 5.20 en 5.21 is overwogen;
6.10.
verwijst de zaak voor wat betreft de bij wijze van zelfstandig verzoek verzochte provisionele voorziening eveneens naar het cluster Familierecht van deze rechtbank ter verdere beoordeling en behandeling en onder een ander, nieuw aan te maken zaaknummer, zoals hiervoor onder rechtsoverweging 5.20 en 5.21 is overwogen;
6.11.
behoudt zich iedere (verdere) beslissing over de definitieve verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige 1] aan.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2025 door mr. Struijs, (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.