Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-09-29
ECLI:NL:RBZWB:2025:6351
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,552 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/3210 WET V
uitspraak van 24 september 2025 van de enkelvoudige kamer op het verzet van
dr.ir. [opposant], te [plaats], opposant,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 27 december 2024 in het geding tussen
opposant
en
de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Borsele (de abs).
Procesverloop
1. Opposant heeft tegen de beslissing op bezwaar van de abs van 6 februari 2024 (het bestreden besluit) beroep ingesteld.
1.1.
Bij uitspraak van 27 december 2024 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
1.2.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
1.3.
De rechtbank heeft het verzet op 28 augustus 2025 op zitting behandeld. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.
Overwegingen
2. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat het griffierecht niet tijdig was betaald.
3. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of in de buiten-zittinguitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
4. Opposant voert tegen de uitspraak van de rechtbank (samengevat en door de rechtbank als zodanig geïnterpreteerd) aan dat hij van mening is dat de rechtbank de heffing van griffierechten als een administratief wapen gebruikt om gerechtelijk procederen te minimaliseren en zich hiermee schuldig maakt aan strafbare uitbuiting van meervoudig kwetsbare ouderen. Daarnaast voert opposant aan nooit een ‘niet-thuis-bericht’ van PostNL ontvangen te hebben. Tenslotte voert opposant aan dat hij het griffierecht niet kon betalen, omdat hij niet beschikte over Europese overschrijvingskaarten om aan de betalingsverplichting te kunnen voldoen.
De verzetrechter merkt hierbij op dat door de manier van opstellen van het verzetschrift en het formuleren van de gronden van het verzet onvoldoende duidelijk blijkt wat de (volledige) gronden van het verzet precies zijn.
5. De verzetrechter is van oordeel dat opposant in verzet geen argumenten heeft aangevoerd die kunnen leiden tot het oordeel dat de rechtbank het beroep ten onrechte zonder zitting niet-ontvankelijk heeft verklaard.
5.1.
Op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb is opposant, voor het in behandeling nemen van zijn beroepschrift, griffierecht verschuldigd. De verzetrechter stelt vast dat opposant het griffierecht voor deze zaak niet heeft betaald. Dit is in verzet ook niet bestreden.
5.2.
De verzetrechter stelt vast dat de hoger beroepscolleges criteria hebben gegeven op grond waarvan een rechtszoekende in aanmerking kan komen voor vrijstelling van het griffierecht. Om in aanmerking te komen voor vrijstelling van de verplichting tot het betalen van griffierecht moet er sprake zijn van betalingsonmacht. Opposant heeft niet aangegeven dat hij in betalingsonmacht verkeert. Een gevoel van onrechtvaardigheid is geen reden voor vrijstelling van het griffierecht. Iedereen die in beroep komt bij de rechtbank, en niet in betalingsonmacht verkeert, moet griffierecht betalen. Deze regel staat, zoals aangegeven bij 5.1., in de Awb en de Awb geldt voor iedereen. De verzetrechter is dan ook van oordeel dat opposant daarom het griffierecht moest betalen.
5.3.
De verzetrechter stelt verder vast dat de aangetekend verzonden nota van 12 mei 2024, die door de rechtbank is terugontvangen, bij brieven van 17 juli 2024 en 9 oktober 2024 per gewone post opnieuw naar opposant is gestuurd. In deze brieven is opposant medegedeeld dat de eerder in de nota van 12 mei 2024 genoemde termijn nu twee weken na dagtekening van deze brieven eindigt. Daargelaten of opposant een ‘niet-thuis-bericht’ van PostNL heeft ontvangen, staat naar het oordeel van de verzetrechter vast dat opposant met de brieven van 17 juli 2024 en 9 oktober 2024 op de hoogte was van de verplichting tot het betalen van het griffierecht. Daarbij overweegt de verzetrechter dat in de in kopie meegezonden nota van 12 mei 2024 expliciet is vermeld dat bij niet of niet tijdige betaling het risico bestaat dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. Opposant heeft hierop niet gereageerd. Het gestelde van opposant dat hij niet beschikte over Europese overschrijvingskaarten betekent niet dat hij de tijdige betaling van het griffierecht zonder gevolgen achterwege mocht laten. Het blijft de eigen verantwoordelijkheid van opposant om te zorgen dat het griffierecht tijdig wordt betaald.
6. In wat opposant heeft aangevoerd ziet de rechtbank dus geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 27 december 2024. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van
B.C. van Sprundel-Thelosen, griffier, op 24 september 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
Dit geldt ook voor de inhoud van het beroepschrift en de overige correspondentie van opposant.
Zie onder meer de uitspraken ECLI:NL:CRVB:2015:282 en ECLI:NL:RVS:2013:BZ4443.