Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-03-05
ECLI:NL:RBZWB:2025:6334
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
28,884 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster II Handelszaken
Breda
zaaknummer / rolnummer: C/02/423338 / HA ZA 24-307
Vonnis van 5 maart 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BOUWBEDRIJF LYMBOUW BV,
gevestigd te Breda,
hierna: Lymbouw,
eiseres,
advocaat: mr. M.B.A. Alkema,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
wonende te [plaats] ,
2. [gedaagde 2],
wonende te [plaats] ,
hierna: [gedaagden] ,
gedaagden,
advocaat: mr. Y.J.H. van Griensven.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 18 september 2024 met alle daarin vermelde stukken,
de mondelinge behandeling van 16 januari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, en de daar door Lymbouw voorgedragen spreekaantekeningen.
1.2.
Ten slotte heeft de rechtbank bepaald dat dit vonnis er zou komen.
Feiten
2.1.
Lymbouw is een bouwonderneming. Zij heeft de woning van [gedaagden] aan de [adres] in [plaats] verbouwd.
2.2.
Op 18 mei 2021 heeft Lymbouw een eerste offerte uitgebracht tot verbouwing van de begane grond en de eerste verdieping van de woning voor het bedrag van € 294.366,76.
In de offerte staat, onder andere:
“Op al onze offertes, overeenkomsten en leveringen zijn de Consumenten Voorwaarden Verbouwingen van Stichting Bouwgarant (COVO 2010) van toepassing. Bijgaand sluiten wij een exemplaar bij.”
[gedaagden] zijn niet akkoord gegaan met deze offerte.
2.3.
Partijen zijn hierna met elkaar blijven spreken. Op 28 september 2021 is uiteindelijk een begroting opgesteld door Lymbouw tot het bedrag van € 127.076,64 waarmee [gedaagden] wel akkoord zijn gegaan. Daarnaast zijn zij akkoord gegaan met een aparte begroting van € 26.635,25 voor stoffering (vloeren, rolgordijnen en gordijnen).
2.4.
De werkzaamheden zijn uitgevoerd vanaf september 2021 en in januari 2022 afgerond. Ongeveer een jaar later, op 6 februari 2023, zond Lymbouw [gedaagden] een eindafrekening van € 42.871,34 met het verzoek dit bedrag binnen 14 dagen te voldoen. [gedaagden] waren het niet eens met deze factuur en hebben deze deels betaald, tot het bedrag van € 10.097,04.
Geschil
3.1.
Lymbouw vordert hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van:
het bedrag van € 32.667,62, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2023,
het bedrag van € 1.101,68 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding.
3.2.
[gedaagden] voeren verweer. Zij vinden dat de vorderingen van Lymbouw moeten worden afgewezen, met veroordeling van Lymbouw in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Lymbouw stelt in hoofdsom nog de volgende vorderingen op [gedaagden] te hebben (exclusief opslagen en BTW):
Meerwerkpost 22 ‘Diverse sparingen’ € 495,00
Meerwerkpost 30 ‘Schuifdeuren’ € 2.497,00
Meerwerkpost 32 ‘Trap/balustrade’ € 766,00
Meerwerkpost 45 ‘Afbouwtimmerwerk’ € 1.276,00
Meerwerkposten 40 ‘Stuc meerwerk’ en € 3.001,32
45 ‘Stuc schilderwerk’
Meerwerkpost 52 ‘W-installaties meerwerk’ € 5.510,00
Meerwerkpost 70 ‘E-installaties meerwerk’ € 8.451,00
Meerwerkpost 101
‘Bouwdrogers’ € 771,11
‘Voordeurbeslag’ € 335,32
‘Kast afwerken slaapkamer’ € 227,63
‘Gegalvaniseerd hoeklijn’ € 837,14
‘Oplossing hoogte binnen/buiten’ € 960,84
‘Kitwerk’ € 560,33
Totaal € 25.688,69
Algemene voorwaarden
4.2.
Partijen zijn het er niet over eens of de Consumenten Voorwaarden Verbouwingen van Stichting Bouwgarant (COVO 2010) van toepassing zijn. Hoewel in de eerste toegezonden offerte wel staat opgemerkt dat deze ‘op alle offertes, overeenkomsten en leveringen’ van toepassing zijn, is deze eerste offerte nooit geaccepteerd door [gedaagden] . In de begroting waarmee zij wel akkoord zijn gegaan, worden de voorwaarden niet van toepassing verklaard. Uit het feit dat de voorwaarden met de eerste niet geaccepteerde offerte zijn meegezonden, kan dan ook niet worden afgeleid dat deze voorwaarden (wederom) van toepassing zijn verklaard op de uiteindelijke begroting en ook niet dat [gedaagden] hiermee akkoord zouden zijn gegaan. Dit betekent dat onvoldoende gesteld is om aan te nemen dat deze algemene voorwaarden van toepassing zijn.
Juridisch kader
4.3.
Partijen zijn het er verder niet over eens of [gedaagden] nog een aanvullend bedrag moeten betalen voor de door Lymbouw genoemde werkzaamheden.
4.4.
Voor alle gevorderde posten geldt dat vooraf geen vaste prijsafspraak is gemaakt. In de wet (artikel 7:752 lid 1 BW) is bepaald dat in dat geval een redelijke prijs verschuldigd is. Het is in beginsel aan Lymbouw als aannemer om te stellen (en te bewijzen) wat de omvang van de werkzaamheden was en dat de door haar gevorderde prijs redelijk is. Bij het bepalen van wat een redelijke prijs is moet rekening worden gehouden met (1) de door de aannemer ten tijde van het sluiten van de overeenkomst gewoonlijk bedongen prijzen en met (2) de door hem ter zake van de vermoedelijke prijs gewekte verwachtingen. In dit kader speelt een rol dat verschillende posten die worden gevorderd in de begroting zijn opgenomen als ‘stelposten’. Hiermee kan een indicatief bedrag zijn genoemd en zijn (mogelijk) verwachtingen gewekt over de vermoedelijke uiteindelijke prijs. Een dergelijke prijsindicatie mag bij de uiteindelijke prijsbepaling niet buiten aanmerking worden gehouden (zie MvT, Kamerstukken II 1992/93, 23095, p. 19).
4.5.
Het is verder van belang of de stelposten kunnen worden beschouwd als ‘richtprijs’ in de zin van artikel 7:752 BW. Als namelijk sprake is van een richtprijs zal deze niet met meer dan 10% mogen worden overschreden, tenzij Lymbouw [gedaagden] zo tijdig mogelijk voor de waarschijnlijkheid van een verdere overschrijding heeft gewaarschuwd, om hen hiermee de gelegenheid te geven het werk alsnog te beperken of te vereenvoudigen (artikel 7:752 lid 2 BW).
4.6.
In de wet zelf staat niet aangegeven wanneer sprake is van een ‘richtprijs’. Uit de literatuur en rechtspraak volgt dat het om een prijsindicatie moet gaan waaraan de opdrachtnemer een dusdanig vertrouwen mag ontlenen dat de genoemde prijs niet zonder waarschuwing met meer dan 10% zal worden overschreden. Het hangt er dan ook vanaf met welke reden een bepaalde post als ‘stelpost’ is opgenomen en welke verwachtingen [gedaagden] mochten hebben. Hoe duidelijker het werk vooraf was, hoe eerder aangenomen moet worden dat [gedaagden] erop mochten vertrouwen dat de opgegeven prijs een redelijke indicatie van de te verwachten kosten vormde en hoe eerder moet worden aangenomen dat sprake is van een richtprijs. Moesten er ten aanzien van een bepaalde post echter nog (veel) zaken ingevuld worden bij het aangaan van de overeenkomst of was er onduidelijkheid over de omvang en invulling van een bepaalde post, dan ligt niet zonder meer voor de hand dat [gedaagden] erop mochten vertrouwen dat de stelpost ook als richtprijs diende. In zijn algemeenheid is de rechtbank echter wel van oordeel dat met het opnemen van een stelpost al een bepaalde indicatie wordt gegeven en een bepaalde verwachting wordt gewekt, zodat er – behoudens een verhaal van Lymbouw dat het tegendeel bevestigt – vanuit wordt gegaan dat [gedaagden] erop mochten vertrouwen dat een stelpost een richtprijs betrof. Hierbij weegt mee dat [gedaagden] particulieren zijn die hun huis lieten verbouwen, zodat zij in beginsel mogen vertrouwen op de expertise van Lymbouw als aannemer bij het van tevoren inschatten van de te verwachten kosten. Te meer, nu zij de eerste offerte hebben afgewezen omdat dit buiten hun budget lag en Lymbouw wist dat [gedaagden] zich niet zomaar iedere budgetoverschrijding konden permitteren maar grip op de kosten wilden houden.
4.7.
Voor enkele andere gevorderde posten geldt dat hiervoor geen stelpost was opgenomen. Het gaat dan om toevoegingen of veranderingen aan het werk (meerwerk). Daarvoor kan Lymbouw slechts dan een verhoging van de prijs vorderen, wanneer zij [gedaagden] tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een prijsverhoging, tenzij [gedaagden] die noodzaak uit zichzelf hadden moeten begrijpen. Bij de beoordeling van dit laatste is van belang hoeveel deskundigheid Lymbouw aanwezig mocht achten bij [gedaagden] .
De rechtbank zal hierna per post beoordelen of en tot welk bedrag [gedaagden] nog betaling verschuldigd zijn aan Lymbouw.
Meerwerkpost 22 ‘Diverse sparingen’ € 495,00
4.8.
Voor het dichtzetten van diverse sparingen is in de begroting een stelpost van
€ 500,00 opgenomen. Dit bedrag hebben [gedaagden] ook betaald. Lymbouw vordert nu nog betaling van het aanvullende bedrag van € 495,00 voor het dichtzetten van een aantal oude suskasten (ventilatieroosters).
4.9.
Lymbouw wijst erop dat bij de stelpost staat geschreven ‘e.e.a. nader te bepalen samen’, waaruit volgens haar blijkt dat op het moment van overeenkomen nog niet duidelijk was welke werkzaamheden zouden worden uitgevoerd. Met het dichtzetten van de suskasten was bij het bepalen van de stelpost nog geen rekening gehouden. Lymbouw voert verder aan dat de suskasten zijn dichtgezet op verzoek van [gedaagden] .
4.10.
[gedaagden] betwisten dit verhaal van Lymbouw. Zij stellen dat Lymbouw naar eigen inzicht diverse sparingen heeft gedicht en dat sprake was van een richtprijs. Voor zover geen sprake zou zijn van een richtprijs, geldt dat Lymbouw niet heeft voldaan op de op haar rustende waarschuwingsplicht van artikel 7:755 BW. Lymbouw heeft volgens [gedaagden] niet gewaarschuwd voor de noodzaak van een prijsverhoging, terwijl zij dit niet uit zichzelf hoefden te begrijpen.
4.11.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een richtprijs. Hoewel op de begroting aangegeven staat dat nog overlegd moet worden over welke sparingen precies, mochten [gedaagden] erop vertrouwen dat het genoemde bedrag indicatief was en dat zij in ieder geval gewaarschuwd zouden worden bij een overschrijding van meer dan 10%.
Dictum
De rechtbank:
5.1.
verwijst de zaak naar de rol van 2 april 2025 voor akte te nemen door Lymbouw als bedoeld in r.o. 4.39, dan wel een akte te nemen door beide partijen ingeval zij op het betreffende punt tot overeenstemming zijn gekomen;
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Vermariën en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2025.
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster II Handelszaken
Breda
zaaknummer / rolnummer: C/02/423338 / HA ZA 24-307
Vonnis van 5 maart 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BOUWBEDRIJF LYMBOUW BV,
gevestigd te Breda,
hierna: Lymbouw,
eiseres,
advocaat: mr. M.B.A. Alkema,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
wonende te [plaats] ,
2. [gedaagde 2],
wonende te [plaats] ,
hierna: [gedaagden] ,
gedaagden,
advocaat: mr. Y.J.H. van Griensven.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 18 september 2024 met alle daarin vermelde stukken,
de mondelinge behandeling van 16 januari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, en de daar door Lymbouw voorgedragen spreekaantekeningen.
1.2.
Ten slotte heeft de rechtbank bepaald dat dit vonnis er zou komen.
Feiten
2.1.
Lymbouw is een bouwonderneming. Zij heeft de woning van [gedaagden] aan de [adres] in [plaats] verbouwd.
2.2.
Op 18 mei 2021 heeft Lymbouw een eerste offerte uitgebracht tot verbouwing van de begane grond en de eerste verdieping van de woning voor het bedrag van € 294.366,76.
In de offerte staat, onder andere:
“Op al onze offertes, overeenkomsten en leveringen zijn de Consumenten Voorwaarden Verbouwingen van Stichting Bouwgarant (COVO 2010) van toepassing. Bijgaand sluiten wij een exemplaar bij.”
[gedaagden] zijn niet akkoord gegaan met deze offerte.
2.3.
Partijen zijn hierna met elkaar blijven spreken. Op 28 september 2021 is uiteindelijk een begroting opgesteld door Lymbouw tot het bedrag van € 127.076,64 waarmee [gedaagden] wel akkoord zijn gegaan. Daarnaast zijn zij akkoord gegaan met een aparte begroting van € 26.635,25 voor stoffering (vloeren, rolgordijnen en gordijnen).
2.4.
De werkzaamheden zijn uitgevoerd vanaf september 2021 en in januari 2022 afgerond. Ongeveer een jaar later, op 6 februari 2023, zond Lymbouw [gedaagden] een eindafrekening van € 42.871,34 met het verzoek dit bedrag binnen 14 dagen te voldoen. [gedaagden] waren het niet eens met deze factuur en hebben deze deels betaald, tot het bedrag van € 10.097,04.
Geschil
3.1.
Lymbouw vordert hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van:
het bedrag van € 32.667,62, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2023,
het bedrag van € 1.101,68 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding.
3.2.
[gedaagden] voeren verweer. Zij vinden dat de vorderingen van Lymbouw moeten worden afgewezen, met veroordeling van Lymbouw in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Lymbouw stelt in hoofdsom nog de volgende vorderingen op [gedaagden] te hebben (exclusief opslagen en BTW):
Meerwerkpost 22 ‘Diverse sparingen’ € 495,00
Meerwerkpost 30 ‘Schuifdeuren’ € 2.497,00
Meerwerkpost 32 ‘Trap/balustrade’ € 766,00
Meerwerkpost 45 ‘Afbouwtimmerwerk’ € 1.276,00
Meerwerkposten 40 ‘Stuc meerwerk’ en € 3.001,32
45 ‘Stuc schilderwerk’
Meerwerkpost 52 ‘W-installaties meerwerk’ € 5.510,00
Meerwerkpost 70 ‘E-installaties meerwerk’ € 8.451,00
Meerwerkpost 101
‘Bouwdrogers’ € 771,11
‘Voordeurbeslag’ € 335,32
‘Kast afwerken slaapkamer’ € 227,63
‘Gegalvaniseerd hoeklijn’ € 837,14
‘Oplossing hoogte binnen/buiten’ € 960,84
‘Kitwerk’ € 560,33
Totaal € 25.688,69
Algemene voorwaarden
4.2.
Partijen zijn het er niet over eens of de Consumenten Voorwaarden Verbouwingen van Stichting Bouwgarant (COVO 2010) van toepassing zijn. Hoewel in de eerste toegezonden offerte wel staat opgemerkt dat deze ‘op alle offertes, overeenkomsten en leveringen’ van toepassing zijn, is deze eerste offerte nooit geaccepteerd door [gedaagden] . In de begroting waarmee zij wel akkoord zijn gegaan, worden de voorwaarden niet van toepassing verklaard. Uit het feit dat de voorwaarden met de eerste niet geaccepteerde offerte zijn meegezonden, kan dan ook niet worden afgeleid dat deze voorwaarden (wederom) van toepassing zijn verklaard op de uiteindelijke begroting en ook niet dat [gedaagden] hiermee akkoord zouden zijn gegaan. Dit betekent dat onvoldoende gesteld is om aan te nemen dat deze algemene voorwaarden van toepassing zijn.
Juridisch kader
4.3.
Partijen zijn het er verder niet over eens of [gedaagden] nog een aanvullend bedrag moeten betalen voor de door Lymbouw genoemde werkzaamheden.
4.4.
Voor alle gevorderde posten geldt dat vooraf geen vaste prijsafspraak is gemaakt. In de wet (artikel 7:752 lid 1 BW) is bepaald dat in dat geval een redelijke prijs verschuldigd is. Het is in beginsel aan Lymbouw als aannemer om te stellen (en te bewijzen) wat de omvang van de werkzaamheden was en dat de door haar gevorderde prijs redelijk is. Bij het bepalen van wat een redelijke prijs is moet rekening worden gehouden met (1) de door de aannemer ten tijde van het sluiten van de overeenkomst gewoonlijk bedongen prijzen en met (2) de door hem ter zake van de vermoedelijke prijs gewekte verwachtingen. In dit kader speelt een rol dat verschillende posten die worden gevorderd in de begroting zijn opgenomen als ‘stelposten’. Hiermee kan een indicatief bedrag zijn genoemd en zijn (mogelijk) verwachtingen gewekt over de vermoedelijke uiteindelijke prijs. Een dergelijke prijsindicatie mag bij de uiteindelijke prijsbepaling niet buiten aanmerking worden gehouden (zie MvT, Kamerstukken II 1992/93, 23095, p. 19).
4.5.
Het is verder van belang of de stelposten kunnen worden beschouwd als ‘richtprijs’ in de zin van artikel 7:752 BW. Als namelijk sprake is van een richtprijs zal deze niet met meer dan 10% mogen worden overschreden, tenzij Lymbouw [gedaagden] zo tijdig mogelijk voor de waarschijnlijkheid van een verdere overschrijding heeft gewaarschuwd, om hen hiermee de gelegenheid te geven het werk alsnog te beperken of te vereenvoudigen (artikel 7:752 lid 2 BW).
4.6.
In de wet zelf staat niet aangegeven wanneer sprake is van een ‘richtprijs’. Uit de literatuur en rechtspraak volgt dat het om een prijsindicatie moet gaan waaraan de opdrachtnemer een dusdanig vertrouwen mag ontlenen dat de genoemde prijs niet zonder waarschuwing met meer dan 10% zal worden overschreden. Het hangt er dan ook vanaf met welke reden een bepaalde post als ‘stelpost’ is opgenomen en welke verwachtingen [gedaagden] mochten hebben. Hoe duidelijker het werk vooraf was, hoe eerder aangenomen moet worden dat [gedaagden] erop mochten vertrouwen dat de opgegeven prijs een redelijke indicatie van de te verwachten kosten vormde en hoe eerder moet worden aangenomen dat sprake is van een richtprijs. Moesten er ten aanzien van een bepaalde post echter nog (veel) zaken ingevuld worden bij het aangaan van de overeenkomst of was er onduidelijkheid over de omvang en invulling van een bepaalde post, dan ligt niet zonder meer voor de hand dat [gedaagden] erop mochten vertrouwen dat de stelpost ook als richtprijs diende. In zijn algemeenheid is de rechtbank echter wel van oordeel dat met het opnemen van een stelpost al een bepaalde indicatie wordt gegeven en een bepaalde verwachting wordt gewekt, zodat er – behoudens een verhaal van Lymbouw dat het tegendeel bevestigt – vanuit wordt gegaan dat [gedaagden] erop mochten vertrouwen dat een stelpost een richtprijs betrof. Hierbij weegt mee dat [gedaagden] particulieren zijn die hun huis lieten verbouwen, zodat zij in beginsel mogen vertrouwen op de expertise van Lymbouw als aannemer bij het van tevoren inschatten van de te verwachten kosten. Te meer, nu zij de eerste offerte hebben afgewezen omdat dit buiten hun budget lag en Lymbouw wist dat [gedaagden] zich niet zomaar iedere budgetoverschrijding konden permitteren maar grip op de kosten wilden houden.
4.7.
Voor enkele andere gevorderde posten geldt dat hiervoor geen stelpost was opgenomen. Het gaat dan om toevoegingen of veranderingen aan het werk (meerwerk). Daarvoor kan Lymbouw slechts dan een verhoging van de prijs vorderen, wanneer zij [gedaagden] tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een prijsverhoging, tenzij [gedaagden] die noodzaak uit zichzelf hadden moeten begrijpen. Bij de beoordeling van dit laatste is van belang hoeveel deskundigheid Lymbouw aanwezig mocht achten bij [gedaagden] .
De rechtbank zal hierna per post beoordelen of en tot welk bedrag [gedaagden] nog betaling verschuldigd zijn aan Lymbouw.
Meerwerkpost 22 ‘Diverse sparingen’ € 495,00
4.8.
Voor het dichtzetten van diverse sparingen is in de begroting een stelpost van
€ 500,00 opgenomen. Dit bedrag hebben [gedaagden] ook betaald. Lymbouw vordert nu nog betaling van het aanvullende bedrag van € 495,00 voor het dichtzetten van een aantal oude suskasten (ventilatieroosters).
4.9.
Lymbouw wijst erop dat bij de stelpost staat geschreven ‘e.e.a. nader te bepalen samen’, waaruit volgens haar blijkt dat op het moment van overeenkomen nog niet duidelijk was welke werkzaamheden zouden worden uitgevoerd. Met het dichtzetten van de suskasten was bij het bepalen van de stelpost nog geen rekening gehouden. Lymbouw voert verder aan dat de suskasten zijn dichtgezet op verzoek van [gedaagden] .
4.10.
[gedaagden] betwisten dit verhaal van Lymbouw. Zij stellen dat Lymbouw naar eigen inzicht diverse sparingen heeft gedicht en dat sprake was van een richtprijs. Voor zover geen sprake zou zijn van een richtprijs, geldt dat Lymbouw niet heeft voldaan op de op haar rustende waarschuwingsplicht van artikel 7:755 BW. Lymbouw heeft volgens [gedaagden] niet gewaarschuwd voor de noodzaak van een prijsverhoging, terwijl zij dit niet uit zichzelf hoefden te begrijpen.
4.11.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een richtprijs. Hoewel op de begroting aangegeven staat dat nog overlegd moet worden over welke sparingen precies, mochten [gedaagden] erop vertrouwen dat het genoemde bedrag indicatief was en dat zij in ieder geval gewaarschuwd zouden worden bij een overschrijding van meer dan 10%.
Dictum
De rechtbank:
5.1.
verwijst de zaak naar de rol van 2 april 2025 voor akte te nemen door Lymbouw als bedoeld in r.o. 4.39, dan wel een akte te nemen door beide partijen ingeval zij op het betreffende punt tot overeenstemming zijn gekomen;
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Vermariën en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2025.
Beoordeling
Daarbij weegt mee dat Lymbouw niet heeft omschreven welke sparingen zij bij het bepalen van haar stelpost al dan niet in gedachten had, zodat het [gedaagden] niet duidelijk hoefde te zijn met welke sparingen Lymbouw wel of geen rekening had gehouden bij het opstellen van haar prijsindicatie. Dat een suskast misschien technisch gezien geen sparing vormt, kan zo zijn, maar dat [gedaagden] hier vanuit gingen is niet vreemd nu ook Lymbouw zelf het dichten van de suskasten onder deze post heeft gebracht. Lymbouw erkent verder dat niet is gewezen op het feit dat suskasten meerwerk vormden en hier niet onder vielen. Als Lymbouw dit als meerwerk had beschouwd, had zij - gegeven de omschrijving van de stelpost - [gedaagden] hierop moeten wijzen. Zij hadden in ieder geval niet uit zichzelf hoeven te begrijpen dat hiervoor meerkosten zouden worden gerekend.
4.12.
Omdat niet is betwist dat werkzaamheden zijn verricht tot het gevorderde bedrag, mag Lymbouw wel 10% meer in rekening brengen. Op basis van het begrote bedrag van € 495,00 wordt dan uitgekomen op het bedrag van € 49,50.
Meerwerkpost 30 ‘Schuifdeuren’ € 2.497,00
4.13.
In de tussen partijen overeengekomen begroting is een stelpost opgenomen van
€ 1.500,00 voor het plaatsen en leveren van twee binnendeuren op de overloop op de eerste verdieping. [gedaagden] hebben vervolgens gevraagd of Lymbouw in plaats daarvan twee steigerhouten schuifdeuren kon maken; één voor de badkamer op de eerste verdieping en één voor de speelkamer op de begane grond. Zij hebben hiervoor het bedrag van
€ 1.500,00 betaald. Daarbovenop vordert Lymbouw nog betaling van het aanvullende bedrag van € 2.497,00.
4.14.
De rechtbank is het met Lymbouw eens dat de twee schuifdeuren meerwerk betreffen. [gedaagden] hebben een aanvullende opdracht gegeven tot het volledig wijzigen van de overeengekomen binnendeur bij de badkamer op de eerste verdieping met een schuifdeur, en ook nog eens om een schuifdeur te laten plaatsen op de begane grond. Hiermee is sprake van een toevoeging, althans verandering in het overeengekomen werk.
In zoverre mochten [gedaagden] niet langer vertrouwen op de juistheid van de stelpost, die immers zag op andere werkzaamheden. Zij hebben dit echter ook niet gedaan, zo blijkt uit de berichten die zij hebben gestuurd aan de heer [persoon] van Lymbouw. In een WhatsAppgesprek van 7 december 2021 vroeg [gedaagde 2] namelijk:
[gedaagde 2] : “Weet je wat de schuifdeur ongeveer zou kosten?
En qua deurbeslag, gaat het om de juiste keuze van de greep toch?
[persoon] : Voor de speelkamer?
[gedaagde 2] : yes, of beide eigenlijk
[persoon] : Ja, de ene is bijna af haha, dus ik zal kijken waar die op uit komt. Niet heel spannend.
[gedaagde 2] : Ok, nou als je een indicatie kan geven, kan ik de afweging maken of we m ook in de speelkamer willen. Zo te horen dus wel.”
[gedaagde 2] heeft hiermee expliciet verzocht om een prijsindicatie waar het de schuifdeuren betrof. Een prijsindicatie is uitgebleven, zodat Lymbouw recht heeft op betaling van een redelijke prijs (artikel 7:752 lid 1 BW).
4.15.
Bij het bepalen van de redelijke prijs spelen de door Lymbouw ter zake van de vermoedelijke prijs gewekte verwachtingen mede een rol. Door aan te geven dat het ‘niet heel spannend’ zal zijn waar de uiteindelijke kosten op uit zullen komen, heeft Lymbouw de verwachting gewekt van een niet heel hoge kostenpost. In ieder geval hadden [gedaagden] niet hoeven te verwachten dat de uiteindelijke prijs uit zou komen op € 3.996,59. Dit is namelijk niet alleen 266% meer dan het oorspronkelijk begrote bedrag voor binnendeuren van € 1.500,00, maar ook nog eens een hoog bedrag wanneer het wordt vergeleken met bij de bouwmarkt te kopen kant-en-klare schuifdeuren en ophangsystemen. Lymbouw heeft toegelicht dat de schuifdeuren op maat moesten worden gemaakt en dat daarbij speciale afstandhouders moesten worden gemaakt, omdat standaard ophangsystemen niet geschikt waren met het oog op de afstand tot de muur en het gewicht van de deur. Hoewel het voor zich spreekt dat hiermee (veel) hogere kosten gepaard gaan, is niet gebleken dat [gedaagden] er ook van op de hoogte zijn gesteld dat dit maatwerk nodig was en dat er veel arbeidstijd zou gaan zitten in de deuren. Integendeel, hen is juist bericht dat de uiteindelijke prijs niet heel spannend zou zijn.
In deze omstandigheden, gezien de gewekte verwachtingen, acht de rechtbank een aanvullend loon van € 500,00 voor de deuren – zoals door [gedaagden] aangeboden en niet betwist – een redelijk loon.
Meerwerkpost 32 ‘Trap/balustrade’ € 766,00
4.16.
Partijen zijn een stelpost overeengekomen van € 1.500,00 ten aanzien van de balustrade. De toe te passen balustrade was daarbij ‘nog nader te bepalen’. [gedaagden] hebben het bedrag van € 1.500,00 betaald. Daarbovenop vordert Lymbouw nog betaling van het aanvullende bedrag van € 766,00.
4.17.
Partijen zijn het er op zichzelf over eens dat bij de stelpost is uitgegaan van een standaard balustrade en dat [gedaagde 2] in eerste instantie ook een foto aan Lymbouw heeft gezonden van een balustrade die standaard te verkrijgen is (één met ronde spijlen). Daarbij schreef hij:
“Dit, maar dan wit en zonder groeven/tierelantijnen. Dus ‘slanke’ lat aan de boven- en onderkant (wit), rechte/vlakke hoofdbalustrade (wit) en dunne ronde spijlen (zwart). Afhankelijk van prijs de spijlen t liefst van metaal?”
Uiteindelijk is echter gekozen voor een balustrade met vierkante spijlen. Dat een dergelijke balustrade ook standaard te verkrijgen is, is niet onderbouwd met de websites waarnaar [gedaagden] verwijzen. Op die websites staan immers balustrades met ronde spijlen. Lymbouw voert dan ook aan dat de balustrade met de hand gemaakt moest worden, wat heeft geleid tot een hogere prijs.
4.18.
Lymbouw heeft echter niet onderbouwd gesteld dat [gedaagden] duidelijk kenbaar is gemaakt dat de balustrade met de hand gemaakt moest worden en dat de stelpost hiervoor onvoldoende zou zijn. Weliswaar heeft Lymbouw een aantal ontwerpen gemaakt, maar daaruit hoefden [gedaagden] dit niet te begrijpen. Dat zij hier niet op zijn gewezen klemt, nu uit het hiervoor geciteerde bericht van [gedaagde 2] duidelijk blijkt dat hij zijn keuzes wilde baseren op de uiteindelijke prijs (‘afhankelijk van de prijs’) en dat het hem er niet om ging of de balustrade op maat gemaakt zou zijn of niet. Gelet hierop had het Lymbouw duidelijk moeten zijn dat de prijs van belang was voor [gedaagden] , dat zij uitgingen van de stelpost en dat zij niet zonder meer akkoord zouden zijn met een (veel) hoger bedrag. Gezien de tussen partijen gevoerde communicatie is het duidelijk dat [gedaagden] uitgingen van het bedrag van € 1.500,00 als richtprijs en dat zij hier dus niet overheen wilden en er dus op hebben vertrouwd dat zij gewaarschuwd zouden worden bij overschrijding van meer dan 10%. De conclusie is dan ook dat een bedrag van € 150,00 (10% van € 1.500,00) toewijsbaar is.
Meerwerkpost 45 ‘Afbouwtimmerwerk’ € 1.276,00
4.19.
In de begroting is voor het afbouwtimmerwerk een stelpost van € 2.500,00 opgenomen. De werkzaamheden zijn daarbij omschreven als ‘plinten, architraven en dergelijke’. Dit bedrag is door [gedaagden] voldaan. Lymbouw vordert nu nog betaling van het aanvullende bedrag van € 1.276,00.
Beoordeling
Daarbij weegt mee dat Lymbouw niet heeft omschreven welke sparingen zij bij het bepalen van haar stelpost al dan niet in gedachten had, zodat het [gedaagden] niet duidelijk hoefde te zijn met welke sparingen Lymbouw wel of geen rekening had gehouden bij het opstellen van haar prijsindicatie. Dat een suskast misschien technisch gezien geen sparing vormt, kan zo zijn, maar dat [gedaagden] hier vanuit gingen is niet vreemd nu ook Lymbouw zelf het dichten van de suskasten onder deze post heeft gebracht. Lymbouw erkent verder dat niet is gewezen op het feit dat suskasten meerwerk vormden en hier niet onder vielen. Als Lymbouw dit als meerwerk had beschouwd, had zij - gegeven de omschrijving van de stelpost - [gedaagden] hierop moeten wijzen. Zij hadden in ieder geval niet uit zichzelf hoeven te begrijpen dat hiervoor meerkosten zouden worden gerekend.
4.12.
Omdat niet is betwist dat werkzaamheden zijn verricht tot het gevorderde bedrag, mag Lymbouw wel 10% meer in rekening brengen. Op basis van het begrote bedrag van € 495,00 wordt dan uitgekomen op het bedrag van € 49,50.
Meerwerkpost 30 ‘Schuifdeuren’ € 2.497,00
4.13.
In de tussen partijen overeengekomen begroting is een stelpost opgenomen van
€ 1.500,00 voor het plaatsen en leveren van twee binnendeuren op de overloop op de eerste verdieping. [gedaagden] hebben vervolgens gevraagd of Lymbouw in plaats daarvan twee steigerhouten schuifdeuren kon maken; één voor de badkamer op de eerste verdieping en één voor de speelkamer op de begane grond. Zij hebben hiervoor het bedrag van
€ 1.500,00 betaald. Daarbovenop vordert Lymbouw nog betaling van het aanvullende bedrag van € 2.497,00.
4.14.
De rechtbank is het met Lymbouw eens dat de twee schuifdeuren meerwerk betreffen. [gedaagden] hebben een aanvullende opdracht gegeven tot het volledig wijzigen van de overeengekomen binnendeur bij de badkamer op de eerste verdieping met een schuifdeur, en ook nog eens om een schuifdeur te laten plaatsen op de begane grond. Hiermee is sprake van een toevoeging, althans verandering in het overeengekomen werk.
In zoverre mochten [gedaagden] niet langer vertrouwen op de juistheid van de stelpost, die immers zag op andere werkzaamheden. Zij hebben dit echter ook niet gedaan, zo blijkt uit de berichten die zij hebben gestuurd aan de heer [persoon] van Lymbouw. In een WhatsAppgesprek van 7 december 2021 vroeg [gedaagde 2] namelijk:
[gedaagde 2] : “Weet je wat de schuifdeur ongeveer zou kosten?
En qua deurbeslag, gaat het om de juiste keuze van de greep toch?
[persoon] : Voor de speelkamer?
[gedaagde 2] : yes, of beide eigenlijk
[persoon] : Ja, de ene is bijna af haha, dus ik zal kijken waar die op uit komt. Niet heel spannend.
[gedaagde 2] : Ok, nou als je een indicatie kan geven, kan ik de afweging maken of we m ook in de speelkamer willen. Zo te horen dus wel.”
[gedaagde 2] heeft hiermee expliciet verzocht om een prijsindicatie waar het de schuifdeuren betrof. Een prijsindicatie is uitgebleven, zodat Lymbouw recht heeft op betaling van een redelijke prijs (artikel 7:752 lid 1 BW).
4.15.
Bij het bepalen van de redelijke prijs spelen de door Lymbouw ter zake van de vermoedelijke prijs gewekte verwachtingen mede een rol. Door aan te geven dat het ‘niet heel spannend’ zal zijn waar de uiteindelijke kosten op uit zullen komen, heeft Lymbouw de verwachting gewekt van een niet heel hoge kostenpost. In ieder geval hadden [gedaagden] niet hoeven te verwachten dat de uiteindelijke prijs uit zou komen op € 3.996,59. Dit is namelijk niet alleen 266% meer dan het oorspronkelijk begrote bedrag voor binnendeuren van € 1.500,00, maar ook nog eens een hoog bedrag wanneer het wordt vergeleken met bij de bouwmarkt te kopen kant-en-klare schuifdeuren en ophangsystemen. Lymbouw heeft toegelicht dat de schuifdeuren op maat moesten worden gemaakt en dat daarbij speciale afstandhouders moesten worden gemaakt, omdat standaard ophangsystemen niet geschikt waren met het oog op de afstand tot de muur en het gewicht van de deur. Hoewel het voor zich spreekt dat hiermee (veel) hogere kosten gepaard gaan, is niet gebleken dat [gedaagden] er ook van op de hoogte zijn gesteld dat dit maatwerk nodig was en dat er veel arbeidstijd zou gaan zitten in de deuren. Integendeel, hen is juist bericht dat de uiteindelijke prijs niet heel spannend zou zijn.
In deze omstandigheden, gezien de gewekte verwachtingen, acht de rechtbank een aanvullend loon van € 500,00 voor de deuren – zoals door [gedaagden] aangeboden en niet betwist – een redelijk loon.
Meerwerkpost 32 ‘Trap/balustrade’ € 766,00
4.16.
Partijen zijn een stelpost overeengekomen van € 1.500,00 ten aanzien van de balustrade. De toe te passen balustrade was daarbij ‘nog nader te bepalen’. [gedaagden] hebben het bedrag van € 1.500,00 betaald. Daarbovenop vordert Lymbouw nog betaling van het aanvullende bedrag van € 766,00.
4.17.
Partijen zijn het er op zichzelf over eens dat bij de stelpost is uitgegaan van een standaard balustrade en dat [gedaagde 2] in eerste instantie ook een foto aan Lymbouw heeft gezonden van een balustrade die standaard te verkrijgen is (één met ronde spijlen). Daarbij schreef hij:
“Dit, maar dan wit en zonder groeven/tierelantijnen. Dus ‘slanke’ lat aan de boven- en onderkant (wit), rechte/vlakke hoofdbalustrade (wit) en dunne ronde spijlen (zwart). Afhankelijk van prijs de spijlen t liefst van metaal?”
Uiteindelijk is echter gekozen voor een balustrade met vierkante spijlen. Dat een dergelijke balustrade ook standaard te verkrijgen is, is niet onderbouwd met de websites waarnaar [gedaagden] verwijzen. Op die websites staan immers balustrades met ronde spijlen. Lymbouw voert dan ook aan dat de balustrade met de hand gemaakt moest worden, wat heeft geleid tot een hogere prijs.
4.18.
Lymbouw heeft echter niet onderbouwd gesteld dat [gedaagden] duidelijk kenbaar is gemaakt dat de balustrade met de hand gemaakt moest worden en dat de stelpost hiervoor onvoldoende zou zijn. Weliswaar heeft Lymbouw een aantal ontwerpen gemaakt, maar daaruit hoefden [gedaagden] dit niet te begrijpen. Dat zij hier niet op zijn gewezen klemt, nu uit het hiervoor geciteerde bericht van [gedaagde 2] duidelijk blijkt dat hij zijn keuzes wilde baseren op de uiteindelijke prijs (‘afhankelijk van de prijs’) en dat het hem er niet om ging of de balustrade op maat gemaakt zou zijn of niet. Gelet hierop had het Lymbouw duidelijk moeten zijn dat de prijs van belang was voor [gedaagden] , dat zij uitgingen van de stelpost en dat zij niet zonder meer akkoord zouden zijn met een (veel) hoger bedrag. Gezien de tussen partijen gevoerde communicatie is het duidelijk dat [gedaagden] uitgingen van het bedrag van € 1.500,00 als richtprijs en dat zij hier dus niet overheen wilden en er dus op hebben vertrouwd dat zij gewaarschuwd zouden worden bij overschrijding van meer dan 10%. De conclusie is dan ook dat een bedrag van € 150,00 (10% van € 1.500,00) toewijsbaar is.
Meerwerkpost 45 ‘Afbouwtimmerwerk’ € 1.276,00
4.19.
In de begroting is voor het afbouwtimmerwerk een stelpost van € 2.500,00 opgenomen. De werkzaamheden zijn daarbij omschreven als ‘plinten, architraven en dergelijke’. Dit bedrag is door [gedaagden] voldaan. Lymbouw vordert nu nog betaling van het aanvullende bedrag van € 1.276,00.
Beoordeling
4.20.
Volgens Lymbouw heeft zij op verzoek van [gedaagden] vensterbanken aangebracht, waarmee bij het opstellen van de begroting geen rekening is gehouden. Omdat dit een aanvullende opdracht was verklaart dit volgens Lymbouw het hogere bedrag. [gedaagden] wijzen erop dat voor de vensterbanken echter slechts een bedrag van € 288,15 is gerekend. Zij zijn bereid dit bedrag te betalen. Voor de overige meerkosten van € 987,85 (€ 1.276,00 – € 288,15) heeft Lymbouw volgens [gedaagden] geen verklaring gegeven.
4.21.
De rechtbank overweegt als volgt. Nu ten aanzien van de vensterbanken sprake is van meerwerk geldt dat Lymbouw in beginsel recht heeft op een redelijk loon, mits de door haar gestelde werkzaamheden en omvang hiervan komen vast te staan. Uit het door Lymbouw ingebrachte overzicht (zie productie 6 dagvaarding, pagina 4 onderaan) blijkt dat twee medewerkers ieder 22 uur aan arbeid hebben verricht ten aanzien van het volledige afbouwtimmerwerk, tegen het totale bedrag van € 2.420,00 (€ 55,00 per uur per medewerker). Uit het overzicht wordt echter niet duidelijk welk deel van deze arbeid zag op de plinten en architraven, en welk deel op de vensterbanken. Dit is van belang, omdat de stelpost van € 2.500,00 zag op de plinten en architraven en vast is komen te staan dat in dit werk geen wijziging is gekomen. Als in het plaatsen van de plinten en architraven onverhoopt meer tijd in is gaan zitten dan vooraf ingeschat, mogen deze kosten niet zomaar door worden berekend aan [gedaagden] . Zij mochten er namelijk op vertrouwen dat deze stelpost ten aanzien van de plinten en architraven niet zonder voorgaande waarschuwing met meer dan 10% zou worden overschreden. Er is op dit punt immers sprake van een richtprijs. Dit betekent, anders gezegd, dat het nu gevorderde bedrag moet zien op de vensterbanken om voor vergoeding in aanmerking te komen.
4.22.
De rechtbank stelt vast dat Lymbouw voor de vensterbanken alleen aan materiaal een bedrag van € 288,15 heeft gefactureerd. Wanneer dit bedrag van het gevorderde bedrag van € 1.276,0 wordt afgetrokken resteert een bedrag van € 987,85, wat gelijk staat aan ongeveer 18 uur aan arbeidstijd. Onduidelijk is echter gebleven of al deze uren aan de vensterbanken zijn gespendeerd. Ter zitting heeft de rechtbank nog nader gevraagd hoeveel vensterbanken er zijn geplaatst en hoeveel tijd er gemoeid is geweest met het maken en plaatsen hiervan. Lymbouw kon dit echter niet duidelijk aangeven. Zij schatte dat er zo’n 10 tot 14 strekkende meter aan vensterbanken zijn geplaatst, en dat er misschien een uur arbeidstijd per meter per vensterbank is gaan zitten. Zelfs indien hiervan uitgegaan wordt geldt dat niet aan 18 uur arbeidstijd wordt gekomen. Lymbouw heeft dus onvoldoende gesteld om uit te gaan van de redelijkheid van het bedrag van € 987,85. Dit ondanks dat het aannemelijk is dat er wel enige tijd besteed is aan het plaatsen van de vensterbanken. Het is immers aan Lymbouw om als professionele aannemer en opdrachtnemer een goede administratie bij te houden en te onderbouwen waaraan de door haar gestelde arbeidstijd is besteed. Nu Lymbouw dit nalaat leidt dit ertoe dat zij haar vorderingen niet voldoende kan onderbouwen.
4.23.
De rechtbank zal de materiaalkosten voor de vensterbanken tot het onbetwiste bedrag van € 288,15 zal toewijzen. Bij gebreke aan een duidelijke motivering wordt het overige als onvoldoende onderbouwd afgewezen.
Meerwerkposten 40 ‘Stuc meerwerk’ en € 3.001,32
45 ‘Stuc schilderwerk’
4.24.
Lymbouw heeft in totaal het bedrag van € 7.779,00 in rekening gebracht aan uitgevoerd stuc- en schilderwerk. [gedaagden] hebben hiervan een deel niet betaald.
Het gevorderde bedrag is opgebouwd uit:
€ 250,50 ten onrechte te veel in mindering gelaten bedrag minderwerk binnendeuren
€ 1.550,95 meerwerk stucen inbouwkast keuken en bijkeuken
€ 700,00 overschrijding stelpost behangen
€ 500,00 ten onrechte buiten beschouwing gelaten al teruggegeven bedrag lakken bedstee
Minderwerk binnendeuren
4.25.
[gedaagden] erkennen dat zij hiervan in ieder geval nog het bedrag van
€ 250,50 moeten betalen in verband met een rekenfout die zij hebben gemaakt waar het gaat om bepaald minderwerk ten aanzien van een aantal binnendeuren. De vordering kan in beginsel dan ook tot dit bedrag worden toegewezen.
Stucwerk inbouwkast keuken en bijkeuken
4.26.
Vast staat dat Lymbouw in opdracht van [gedaagden] meerwerk heeft verricht door de inbouwkast bij de keuken te stucen en door extra stucwerk in de bijkeuken te verrichten. Hier zijn partijen geen bedrag voor overeengekomen, zodat een redelijke prijs moet worden betaald. Zoals hiervoor al overwogen draagt Lymbouw de stelplicht en bewijslast voor de feiten en omstandigheden die maken dat het gevorderde bedrag een redelijke prijs vormt. Lymbouw heeft haar vordering op dit punt echter niet onderbouwd.
[gedaagden] hebben daarentegen juist onderbouwd gesteld dat het ten aanzien van de kast in de keuken gaat om circa 4,95 m² aan muur dat extra is gestuct en dat Lymbouw ten aanzien van eerder overeengekomen stucwerk € 28,25 per m² (offerte 14 oktober 2021, productie 13 bij dagvaarding) rekende. Dit zijn volgens [gedaagden] dus de gewoonlijk gehanteerde tarieven, en zij mochten erop vertrouwen dat dit de extra kosten zouden zijn. Lymbouw heeft ter zitting nog wel toegelicht dat van een hoger bedrag moet worden uitgegaan omdat de inbouwkast erg bewerkelijk was, maar zij heeft hiermee niet voldaan aan haar stelplicht. Zo heeft zij niet gesteld hoeveel meer tijd er in is gaan zitten, of van welk uurtarief dan moet worden uitgegaan. Pas voor het eerst ter zitting heeft Lymbouw verklaard te denken dat de uurprijs van de stukadoor 2 jaar geleden zo’n € 55,00 was. Dit is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Aan bewijs op dit punt wordt wegens het niet voldoen aan de stelplicht dan ook niet toegekomen.
De enige aanknopingspunten die resteren zijn een oppervlakte van ongeveer 5 m² en een uurtarief van € 28,25 per m². Daarmee komt de rechtbank tot een verschuldigd redelijk loon van € 139,84 ten aanzien van de kast in de keuken.
4.27.
Vast staat verder dat meer stucwerk in de bijkeuken is verricht dan oorspronkelijk is overeengekomen, omdat Lymbouw oorspronkelijk de bijkeuken slechts boven de wandtegels zou stucen. Uiteindelijk zijn de wandtegels echter verwijderd en is de gehele bijkeuken gestuct. Ter zitting is toegelicht dat de wandtegels tot ongeveer 1,20 meter hoog reikten. Daar staat tegenover dat het overeengekomen schilderwerk in de bijkeuken (inclusief plafond) niet is verricht, zodat op dit punt sprake is van minderwerk. [gedaagden] menen dat dit minderwerk weggestreept dient te worden tegenover het extra stucwerk, met name nu ook het plafond zou worden geverfd.
4.28.
De rechtbank stelt voorop dat ook hier geldt dat een redelijk loon verschuldigd is, waar de stelplicht en bewijslast op Lymbouw rusten. Ook hier concludeert de rechtbank dat Lymbouw niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Lymbouw heeft immers niet gesteld hoeveel vierkante meters extra er zijn gestuct, noch welke bedragen zij hier gewoonlijk voor rekent. Evenmin heeft zij gereageerd op het mindere schilderwerk of aan kunnen geven welke bedragen zij daarvoor hanteert. Hiermee heeft Lymbouw op geen enkele wijze haar vordering onderbouwd.
Beoordeling
4.20.
Volgens Lymbouw heeft zij op verzoek van [gedaagden] vensterbanken aangebracht, waarmee bij het opstellen van de begroting geen rekening is gehouden. Omdat dit een aanvullende opdracht was verklaart dit volgens Lymbouw het hogere bedrag. [gedaagden] wijzen erop dat voor de vensterbanken echter slechts een bedrag van € 288,15 is gerekend. Zij zijn bereid dit bedrag te betalen. Voor de overige meerkosten van € 987,85 (€ 1.276,00 – € 288,15) heeft Lymbouw volgens [gedaagden] geen verklaring gegeven.
4.21.
De rechtbank overweegt als volgt. Nu ten aanzien van de vensterbanken sprake is van meerwerk geldt dat Lymbouw in beginsel recht heeft op een redelijk loon, mits de door haar gestelde werkzaamheden en omvang hiervan komen vast te staan. Uit het door Lymbouw ingebrachte overzicht (zie productie 6 dagvaarding, pagina 4 onderaan) blijkt dat twee medewerkers ieder 22 uur aan arbeid hebben verricht ten aanzien van het volledige afbouwtimmerwerk, tegen het totale bedrag van € 2.420,00 (€ 55,00 per uur per medewerker). Uit het overzicht wordt echter niet duidelijk welk deel van deze arbeid zag op de plinten en architraven, en welk deel op de vensterbanken. Dit is van belang, omdat de stelpost van € 2.500,00 zag op de plinten en architraven en vast is komen te staan dat in dit werk geen wijziging is gekomen. Als in het plaatsen van de plinten en architraven onverhoopt meer tijd in is gaan zitten dan vooraf ingeschat, mogen deze kosten niet zomaar door worden berekend aan [gedaagden] . Zij mochten er namelijk op vertrouwen dat deze stelpost ten aanzien van de plinten en architraven niet zonder voorgaande waarschuwing met meer dan 10% zou worden overschreden. Er is op dit punt immers sprake van een richtprijs. Dit betekent, anders gezegd, dat het nu gevorderde bedrag moet zien op de vensterbanken om voor vergoeding in aanmerking te komen.
4.22.
De rechtbank stelt vast dat Lymbouw voor de vensterbanken alleen aan materiaal een bedrag van € 288,15 heeft gefactureerd. Wanneer dit bedrag van het gevorderde bedrag van € 1.276,0 wordt afgetrokken resteert een bedrag van € 987,85, wat gelijk staat aan ongeveer 18 uur aan arbeidstijd. Onduidelijk is echter gebleven of al deze uren aan de vensterbanken zijn gespendeerd. Ter zitting heeft de rechtbank nog nader gevraagd hoeveel vensterbanken er zijn geplaatst en hoeveel tijd er gemoeid is geweest met het maken en plaatsen hiervan. Lymbouw kon dit echter niet duidelijk aangeven. Zij schatte dat er zo’n 10 tot 14 strekkende meter aan vensterbanken zijn geplaatst, en dat er misschien een uur arbeidstijd per meter per vensterbank is gaan zitten. Zelfs indien hiervan uitgegaan wordt geldt dat niet aan 18 uur arbeidstijd wordt gekomen. Lymbouw heeft dus onvoldoende gesteld om uit te gaan van de redelijkheid van het bedrag van € 987,85. Dit ondanks dat het aannemelijk is dat er wel enige tijd besteed is aan het plaatsen van de vensterbanken. Het is immers aan Lymbouw om als professionele aannemer en opdrachtnemer een goede administratie bij te houden en te onderbouwen waaraan de door haar gestelde arbeidstijd is besteed. Nu Lymbouw dit nalaat leidt dit ertoe dat zij haar vorderingen niet voldoende kan onderbouwen.
4.23.
De rechtbank zal de materiaalkosten voor de vensterbanken tot het onbetwiste bedrag van € 288,15 zal toewijzen. Bij gebreke aan een duidelijke motivering wordt het overige als onvoldoende onderbouwd afgewezen.
Meerwerkposten 40 ‘Stuc meerwerk’ en € 3.001,32
45 ‘Stuc schilderwerk’
4.24.
Lymbouw heeft in totaal het bedrag van € 7.779,00 in rekening gebracht aan uitgevoerd stuc- en schilderwerk. [gedaagden] hebben hiervan een deel niet betaald.
Het gevorderde bedrag is opgebouwd uit:
€ 250,50 ten onrechte te veel in mindering gelaten bedrag minderwerk binnendeuren
€ 1.550,95 meerwerk stucen inbouwkast keuken en bijkeuken
€ 700,00 overschrijding stelpost behangen
€ 500,00 ten onrechte buiten beschouwing gelaten al teruggegeven bedrag lakken bedstee
Minderwerk binnendeuren
4.25.
[gedaagden] erkennen dat zij hiervan in ieder geval nog het bedrag van
€ 250,50 moeten betalen in verband met een rekenfout die zij hebben gemaakt waar het gaat om bepaald minderwerk ten aanzien van een aantal binnendeuren. De vordering kan in beginsel dan ook tot dit bedrag worden toegewezen.
Stucwerk inbouwkast keuken en bijkeuken
4.26.
Vast staat dat Lymbouw in opdracht van [gedaagden] meerwerk heeft verricht door de inbouwkast bij de keuken te stucen en door extra stucwerk in de bijkeuken te verrichten. Hier zijn partijen geen bedrag voor overeengekomen, zodat een redelijke prijs moet worden betaald. Zoals hiervoor al overwogen draagt Lymbouw de stelplicht en bewijslast voor de feiten en omstandigheden die maken dat het gevorderde bedrag een redelijke prijs vormt. Lymbouw heeft haar vordering op dit punt echter niet onderbouwd.
[gedaagden] hebben daarentegen juist onderbouwd gesteld dat het ten aanzien van de kast in de keuken gaat om circa 4,95 m² aan muur dat extra is gestuct en dat Lymbouw ten aanzien van eerder overeengekomen stucwerk € 28,25 per m² (offerte 14 oktober 2021, productie 13 bij dagvaarding) rekende. Dit zijn volgens [gedaagden] dus de gewoonlijk gehanteerde tarieven, en zij mochten erop vertrouwen dat dit de extra kosten zouden zijn. Lymbouw heeft ter zitting nog wel toegelicht dat van een hoger bedrag moet worden uitgegaan omdat de inbouwkast erg bewerkelijk was, maar zij heeft hiermee niet voldaan aan haar stelplicht. Zo heeft zij niet gesteld hoeveel meer tijd er in is gaan zitten, of van welk uurtarief dan moet worden uitgegaan. Pas voor het eerst ter zitting heeft Lymbouw verklaard te denken dat de uurprijs van de stukadoor 2 jaar geleden zo’n € 55,00 was. Dit is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Aan bewijs op dit punt wordt wegens het niet voldoen aan de stelplicht dan ook niet toegekomen.
De enige aanknopingspunten die resteren zijn een oppervlakte van ongeveer 5 m² en een uurtarief van € 28,25 per m². Daarmee komt de rechtbank tot een verschuldigd redelijk loon van € 139,84 ten aanzien van de kast in de keuken.
4.27.
Vast staat verder dat meer stucwerk in de bijkeuken is verricht dan oorspronkelijk is overeengekomen, omdat Lymbouw oorspronkelijk de bijkeuken slechts boven de wandtegels zou stucen. Uiteindelijk zijn de wandtegels echter verwijderd en is de gehele bijkeuken gestuct. Ter zitting is toegelicht dat de wandtegels tot ongeveer 1,20 meter hoog reikten. Daar staat tegenover dat het overeengekomen schilderwerk in de bijkeuken (inclusief plafond) niet is verricht, zodat op dit punt sprake is van minderwerk. [gedaagden] menen dat dit minderwerk weggestreept dient te worden tegenover het extra stucwerk, met name nu ook het plafond zou worden geverfd.
4.28.
De rechtbank stelt voorop dat ook hier geldt dat een redelijk loon verschuldigd is, waar de stelplicht en bewijslast op Lymbouw rusten. Ook hier concludeert de rechtbank dat Lymbouw niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Lymbouw heeft immers niet gesteld hoeveel vierkante meters extra er zijn gestuct, noch welke bedragen zij hier gewoonlijk voor rekent. Evenmin heeft zij gereageerd op het mindere schilderwerk of aan kunnen geven welke bedragen zij daarvoor hanteert. Hiermee heeft Lymbouw op geen enkele wijze haar vordering onderbouwd.
Beoordeling
Dit betekent dan ook dat dit deel van de vordering wordt afgewezen.
Behangen
4.29.
Lymbouw heeft op 14 oktober 2021 een meerwerkofferte uitgebracht voor, kort samengevat, stuc-, verf- en behangwerkzaamheden op de eerste verdieping. Onderdeel van de offerte was een stelpost voor het aanbrengen van behang op 3 wanden van de bovenverdieping ter hoogte van € 750,00 (1,5 mandag inclusief materialen) en een stelpost voor het lakwerk van een bedstee van € 500,00. Deze stelposten zijn betaald, maar [gedaagden] hebben de bedstee uiteindelijk zelf gelakt. Op dit punt is dus sprake van minderwerk. Wel heeft Lymbouw nog een wand op de begane grond behangen die nog niet was meegenomen in de meerwerkofferte. Op dat punt is dan weer sprake van meerwerk.
4.30.
Lymbouw vordert nog betaling van € 700,00. In totaal moeten [gedaagden] volgens Lymbouw het bedrag van € 1.950,00 betalen voor het behangen van de 3 wanden op de bovenverdieping en van de bijkomende wand op de begane grond. Voor het behangen en het lakken van de bedstee was in totaal al € 1.250,00 in rekening gebracht en betaald. De bedstee is uiteindelijk zelf gelakt door [gedaagden] (minderwerk), zodat volgens Lymbouw nog betaald moet worden € 1.950,00 aan behangwerk – het reeds betaalde bedrag van € 1.250,00 = € 700,00.
4.31.
De rechtbank is van oordeel dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de drie wanden boven die zijn behangen, en de wand beneden. Voor de drie wanden boven is een stelpost opgenomen in de meerwerkofferte. Het is niet duidelijk geworden waarom dit bedrag als stelpost is opgenomen: bekend was namelijk al welke wanden behangen moesten worden, hoe deze eruit zagen, wat de afmetingen waren en welk behang hier zou komen. Hierin is niets gewijzigd. [gedaagden] mochten er dan ook op vertrouwen dat de stelpost een juiste inschatting vormde, en dat zij gewaarschuwd zouden worden als een overschrijding van meer dan 10% zou plaatsvinden. Als hier uiteindelijk meer tijd in is gaan zitten dan vooraf door Lymbouw ingeschat, is dat iets dat voor haar rekening komt nu zij hiervoor niet heeft gewaarschuwd en zelf een richtprijs heeft afgegeven. Lymbouw heeft in het geheel niet inzichtelijk gemaakt welk deel van de door haar gevorderde behangkosten ziet op de drie wanden boven, en welk deel op de wand beneden, waarvoor meerwerk is opgedragen. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat voor de drie wanden boven het bedrag van € 750,00 is gefactureerd (zoals ook begroot en aangegeven).
Dit zou betekenen dat voor één rechte wand beneden nu € 1.200,00 in rekening wordt gebracht. Dat dit een redelijk loon vormt is op geen enkele wijze onderbouwd. Lymbouw kan immers niet aangeven hoeveel tijd hierin is gaan zitten, of tegen welk loon.
4.32.
Wat dan een redelijk loon is zal worden bepaald op de gewoonlijk gehanteerde prijzen. Voor één wand hanteert Lymbouw klaarblijkelijk een loon van € 250,00. Dit was [gedaagden] bekend en hierop mochten zij ook vertrouwen. Dit bedrag zal dan ook als redelijk loon worden toegewezen voor de muur beneden. Dat er meer tijd is gaan zitten in deze muur of dat om een andere reden van een ander loon moet worden uitgegaan, is niet onderbouwd gesteld. Lymbouw stelt slechts dat deze wand beneden een grotere omvang had, maar nu geen vierkante meterprijs is gesteld kan de rechtbank aan deze stelling geen consequenties verbinden. Daarbij heeft Lymbouw niet betwist dat de wanden boven bewerkelijker waren omdat deze schuin liepen, terwijl het beneden een rechte wand betrof.
4.33.
Dit betekent dat [gedaagden] in totaal € 1.000,00 verschuldigd waren aan behangwerk (€ 750,00 + € 250,00). Zij hebben echter al € 1.250,00 en dus te veel betaald. Zij hoeven Lymbouw dus niets meer te betalen.
De gehele vordering - waarbij tot nu toe slechts € 250,05 was toegekend aan verkeerd verrekend minderwerk voor de binnendeuren, € 139,84 aan stucwerk en waarbij ook nog eens heeft te gelden dat [gedaagden] al € 500,00 betaald hebben – zal gezien het bovenstaande dan ook worden afgewezen.
Meerwerkpost 52 ‘W-installaties meerwerk’ € 5.510,00
4.34.
Lymbouw vordert betaling van een bedrag van € 5.510,00 ten aanzien van uitgevoerde werkzaamheden in verband met de warmte-installaties. Volgens Lymbouw is sprake van meerwerk, omdat (i) [gedaagden] het leidingwerk niet meer in het zicht wilden hebben als gevolg waarvan Lymbouw al het leidingwerk heeft verwijderd en opnieuw getrokken en geplaatst heeft en (ii) [gedaagden] een nieuwe radiator wensten.
4.35.
[gedaagden] betwisten dat zij om een nieuwe radiator hebben gevraagd, maar zijn bereid de materiaalkosten hiervan te betalen, die zij begroten op € 399,50. Het was volgens [gedaagden] verder van meet af aan de bedoeling dat de leidingen zouden worden weggewerkt in de muren, waarbij zij benadrukken dat het ook nog eens alleen gaat om de leidingen op de begane grond. Op de bovenste verdieping zijn de leidingen niet weggewerkt.
4.36.
[gedaagden] hebben ter zitting echter erkend dat de leidingen op de eerste verdieping toch zijn weggewerkt, en wel in het plafond van de begane grond. In zoverre is sprake van meerwerk. Ten aanzien van het leidingwerk en de radiator staat in het door Lymbouw toegezonden calculatierapport (productie 6, pagina 5, punt 52) onder andere:
“(…)
CV-leidingen eerste verdieping liepen oorspronkelijk door ruimte (kwamen uit plafond omlaag). Op verzoek weggewerkt in vloer eerste verdieping/plafond begane grond. Hele nieuwe leidingen moeten trekken.
Radiatoren eerste verdieping aansluiten dan ook opnieuw aansluiten.
Nieuwe aansluiting cv-ketel gemaakt.
Leveren ‘en plaatsen’ Brugman Piana Centric’.
€ 5.509,62
Dat deze werkzaamheden zijn verricht en oorspronkelijk niet overeen gekomen waren, is niet betwist. Dat betekent dat vast is komen te staan dat Lymbouw aanvullende werkzaamheden voor het leidingwerk heeft verricht, zodat sprake is van meerwerk. Omdat partijen hiervoor geen bedrag zijn overeengekomen, dienen [gedaagden] hiervoor een redelijke prijs te betalen. Uit de feiten valt niet te concluderen dat Lymbouw ten aanzien van dit meerwerk bepaalde verwachtingen over de prijs bij [gedaagden] heeft gewekt. Uit de tijdens de mondelinge behandeling gegeven verklaringen volgt eerder dat [gedaagde 2] zelf het idee heeft gevormd dat het meerwerk mee zou vallen, omdat er toch al leidingen zouden worden getrokken door het plafond van de eerste verdieping. Lymbouw heeft echter onvoldoende weersproken toegelicht dat er geheel nieuwe leidingen ten behoeve van de radiatoren op de eerste verdieping moesten worden getrokken. Zij heeft verder onderbouwd aangevoerd dat de loodgieter alleen al 31 uur arbeid heeft verricht en dat de loodgieter genoemde materialen heeft gebruikt. Daarmee is de redelijkheid van het gevorderde bedrag ten aanzien van het leidingwerk voldoende onderbouwd.
4.37.
Met betrekking tot de radiator bestaat tussen partijen echter nog debat over de hoogte van het door [gedaagden] te betalen bedrag. Vast staat dat het oorspronkelijk de bedoeling was van partijen dat Lymbouw de oude radiator (tijdelijk) zou verwijderen en zou terugplaatsen. Uiteindelijk is een nieuwe radiator geplaatst. De werkzaamheden die zien op het plaatsen van een radiator vormen dan ook geen meerwerk: er zou sowieso een radiator worden geplaatst en hiervoor is door [gedaagden] het afgesproken bedrag betaald.
Beoordeling
Dit betekent dan ook dat dit deel van de vordering wordt afgewezen.
Behangen
4.29.
Lymbouw heeft op 14 oktober 2021 een meerwerkofferte uitgebracht voor, kort samengevat, stuc-, verf- en behangwerkzaamheden op de eerste verdieping. Onderdeel van de offerte was een stelpost voor het aanbrengen van behang op 3 wanden van de bovenverdieping ter hoogte van € 750,00 (1,5 mandag inclusief materialen) en een stelpost voor het lakwerk van een bedstee van € 500,00. Deze stelposten zijn betaald, maar [gedaagden] hebben de bedstee uiteindelijk zelf gelakt. Op dit punt is dus sprake van minderwerk. Wel heeft Lymbouw nog een wand op de begane grond behangen die nog niet was meegenomen in de meerwerkofferte. Op dat punt is dan weer sprake van meerwerk.
4.30.
Lymbouw vordert nog betaling van € 700,00. In totaal moeten [gedaagden] volgens Lymbouw het bedrag van € 1.950,00 betalen voor het behangen van de 3 wanden op de bovenverdieping en van de bijkomende wand op de begane grond. Voor het behangen en het lakken van de bedstee was in totaal al € 1.250,00 in rekening gebracht en betaald. De bedstee is uiteindelijk zelf gelakt door [gedaagden] (minderwerk), zodat volgens Lymbouw nog betaald moet worden € 1.950,00 aan behangwerk – het reeds betaalde bedrag van € 1.250,00 = € 700,00.
4.31.
De rechtbank is van oordeel dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de drie wanden boven die zijn behangen, en de wand beneden. Voor de drie wanden boven is een stelpost opgenomen in de meerwerkofferte. Het is niet duidelijk geworden waarom dit bedrag als stelpost is opgenomen: bekend was namelijk al welke wanden behangen moesten worden, hoe deze eruit zagen, wat de afmetingen waren en welk behang hier zou komen. Hierin is niets gewijzigd. [gedaagden] mochten er dan ook op vertrouwen dat de stelpost een juiste inschatting vormde, en dat zij gewaarschuwd zouden worden als een overschrijding van meer dan 10% zou plaatsvinden. Als hier uiteindelijk meer tijd in is gaan zitten dan vooraf door Lymbouw ingeschat, is dat iets dat voor haar rekening komt nu zij hiervoor niet heeft gewaarschuwd en zelf een richtprijs heeft afgegeven. Lymbouw heeft in het geheel niet inzichtelijk gemaakt welk deel van de door haar gevorderde behangkosten ziet op de drie wanden boven, en welk deel op de wand beneden, waarvoor meerwerk is opgedragen. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat voor de drie wanden boven het bedrag van € 750,00 is gefactureerd (zoals ook begroot en aangegeven).
Dit zou betekenen dat voor één rechte wand beneden nu € 1.200,00 in rekening wordt gebracht. Dat dit een redelijk loon vormt is op geen enkele wijze onderbouwd. Lymbouw kan immers niet aangeven hoeveel tijd hierin is gaan zitten, of tegen welk loon.
4.32.
Wat dan een redelijk loon is zal worden bepaald op de gewoonlijk gehanteerde prijzen. Voor één wand hanteert Lymbouw klaarblijkelijk een loon van € 250,00. Dit was [gedaagden] bekend en hierop mochten zij ook vertrouwen. Dit bedrag zal dan ook als redelijk loon worden toegewezen voor de muur beneden. Dat er meer tijd is gaan zitten in deze muur of dat om een andere reden van een ander loon moet worden uitgegaan, is niet onderbouwd gesteld. Lymbouw stelt slechts dat deze wand beneden een grotere omvang had, maar nu geen vierkante meterprijs is gesteld kan de rechtbank aan deze stelling geen consequenties verbinden. Daarbij heeft Lymbouw niet betwist dat de wanden boven bewerkelijker waren omdat deze schuin liepen, terwijl het beneden een rechte wand betrof.
4.33.
Dit betekent dat [gedaagden] in totaal € 1.000,00 verschuldigd waren aan behangwerk (€ 750,00 + € 250,00). Zij hebben echter al € 1.250,00 en dus te veel betaald. Zij hoeven Lymbouw dus niets meer te betalen.
De gehele vordering - waarbij tot nu toe slechts € 250,05 was toegekend aan verkeerd verrekend minderwerk voor de binnendeuren, € 139,84 aan stucwerk en waarbij ook nog eens heeft te gelden dat [gedaagden] al € 500,00 betaald hebben – zal gezien het bovenstaande dan ook worden afgewezen.
Meerwerkpost 52 ‘W-installaties meerwerk’ € 5.510,00
4.34.
Lymbouw vordert betaling van een bedrag van € 5.510,00 ten aanzien van uitgevoerde werkzaamheden in verband met de warmte-installaties. Volgens Lymbouw is sprake van meerwerk, omdat (i) [gedaagden] het leidingwerk niet meer in het zicht wilden hebben als gevolg waarvan Lymbouw al het leidingwerk heeft verwijderd en opnieuw getrokken en geplaatst heeft en (ii) [gedaagden] een nieuwe radiator wensten.
4.35.
[gedaagden] betwisten dat zij om een nieuwe radiator hebben gevraagd, maar zijn bereid de materiaalkosten hiervan te betalen, die zij begroten op € 399,50. Het was volgens [gedaagden] verder van meet af aan de bedoeling dat de leidingen zouden worden weggewerkt in de muren, waarbij zij benadrukken dat het ook nog eens alleen gaat om de leidingen op de begane grond. Op de bovenste verdieping zijn de leidingen niet weggewerkt.
4.36.
[gedaagden] hebben ter zitting echter erkend dat de leidingen op de eerste verdieping toch zijn weggewerkt, en wel in het plafond van de begane grond. In zoverre is sprake van meerwerk. Ten aanzien van het leidingwerk en de radiator staat in het door Lymbouw toegezonden calculatierapport (productie 6, pagina 5, punt 52) onder andere:
“(…)
CV-leidingen eerste verdieping liepen oorspronkelijk door ruimte (kwamen uit plafond omlaag). Op verzoek weggewerkt in vloer eerste verdieping/plafond begane grond. Hele nieuwe leidingen moeten trekken.
Radiatoren eerste verdieping aansluiten dan ook opnieuw aansluiten.
Nieuwe aansluiting cv-ketel gemaakt.
Leveren ‘en plaatsen’ Brugman Piana Centric’.
€ 5.509,62
Dat deze werkzaamheden zijn verricht en oorspronkelijk niet overeen gekomen waren, is niet betwist. Dat betekent dat vast is komen te staan dat Lymbouw aanvullende werkzaamheden voor het leidingwerk heeft verricht, zodat sprake is van meerwerk. Omdat partijen hiervoor geen bedrag zijn overeengekomen, dienen [gedaagden] hiervoor een redelijke prijs te betalen. Uit de feiten valt niet te concluderen dat Lymbouw ten aanzien van dit meerwerk bepaalde verwachtingen over de prijs bij [gedaagden] heeft gewekt. Uit de tijdens de mondelinge behandeling gegeven verklaringen volgt eerder dat [gedaagde 2] zelf het idee heeft gevormd dat het meerwerk mee zou vallen, omdat er toch al leidingen zouden worden getrokken door het plafond van de eerste verdieping. Lymbouw heeft echter onvoldoende weersproken toegelicht dat er geheel nieuwe leidingen ten behoeve van de radiatoren op de eerste verdieping moesten worden getrokken. Zij heeft verder onderbouwd aangevoerd dat de loodgieter alleen al 31 uur arbeid heeft verricht en dat de loodgieter genoemde materialen heeft gebruikt. Daarmee is de redelijkheid van het gevorderde bedrag ten aanzien van het leidingwerk voldoende onderbouwd.
4.37.
Met betrekking tot de radiator bestaat tussen partijen echter nog debat over de hoogte van het door [gedaagden] te betalen bedrag. Vast staat dat het oorspronkelijk de bedoeling was van partijen dat Lymbouw de oude radiator (tijdelijk) zou verwijderen en zou terugplaatsen. Uiteindelijk is een nieuwe radiator geplaatst. De werkzaamheden die zien op het plaatsen van een radiator vormen dan ook geen meerwerk: er zou sowieso een radiator worden geplaatst en hiervoor is door [gedaagden] het afgesproken bedrag betaald.
Beoordeling
Uit de omschrijving in het calculatierapport ‘leveren en plaatsen brugman piano centric’ blijkt dat uren zijn gerekend voor de plaatsing, die [gedaagden] dus niet verschuldigd zijn, maar onduidelijk is hoeveel uren. De rechtbank zal daarom schattenderwijs uitgaan van twee uren ad € 60,00 per uur en dit in mindering brengen op het gevorderde bedrag.
4.38.
Het komt vervolgens aan op de materiaalkosten. Lymbouw heeft voor het eerst ter zitting gesteld dat de nieuwe radiator € 787,96 heeft gekost. Zij heeft dit niet met bijvoorbeeld een aankoopfactuur onderbouwd, zodat op dit punt sprake is van een kale stelling van Lymbouw. [gedaagden] hebben daarentegen een kopie van een internetpagina overgelegd waaruit blijkt dat een op de geplaatste radiator lijkende radiator van hetzelfde merk te koop is voor € 399,50. Dit vormt een gemotiveerde betwisting van het door Lymbouw genoemde bedrag, zodat de rechtbank van het bedrag van € 399,50 zal uitgaan.
4.39.
Van de vordering van Lymbouw van € 5.510,00 ziet in ieder geval een bedrag van € 787,96 op de radiator. Omdat voor de radiator slechts een bedrag van € 399,50 wordt toegekend, geldt dat door Lymbouw € 388,46 te veel in rekening is gebracht (€ 787,96 –
€ 399,50). Ook moet nog de gerekende arbeidstijd voor de plaatsing van de radiator in mindering worden gebracht op het gevorderde bedrag. Hiermee is een bedrag tot € 5.051,54 toewijsbaar.
Meerwerkpost 70 ‘E-installaties meerwerk’ € 8.451,00
4.40.
In verband met de elektra-installaties was in de begroting een post opgenomen van € 12.500,00, gebaseerd op het eerste elektraplan van 25 juni 2021. Lymbouw stelt dat [gedaagden] tal van (aanvullende) werkzaamheden hebben opgedragen, die niet in het eerdergenoemde overzicht waren opgenomen. De stelpost van € 12.500,00 - die door [gedaagden] is betaald - is volgens Lymbouw daardoor met € 8.451,00 overschreden. Meer specifiek stelt Lymbouw dat alle leidingen in de keuken zijn verlegd, er rookmelders zijn geleverd en geplaatst, er stopcontacten zijn aangepast en verlaagd, er extra aansluitingen zijn aangebracht en dat er extra en duurdere materialen zijn geplaatst (zoals spots en dimmers).
4.41.
[gedaagden] erkennen dat zij een extra opdracht hebben gegeven tot het plaatsen van rookmelders en betwisten niet hiervoor het bedrag van € 422,87 aan materiaalkosten verschuldigd te zijn. Voor het overige betwisten zij dat ze extra werk hebben opgedragen. Zij betogen dat hier en daar misschien de locatie van een stopcontact of leiding iets is aangepast, maar dat in de marge is. [gedaagden] stellen daarnaast dat uit de eindafrekening niet duidelijk blijkt welke werkzaamheden op de betreffende elektra-onderdelen zien.
4.42.
De rechtbank stelt voorop dat bij het opstellen van de begroting voor de te verrichten werkzaamheden het partijen duidelijk was welke werkzaamheden zouden worden verricht voor het begrote bedrag van € 12.500,00. Dit is namelijk zo samen besproken en opgenomen in het elektraplan opgesteld door [gedaagden] (althans de e-mail van 25 juni 2021 van [gedaagde 2] met het elektraplan; zie productie 1 bij conclusie van antwoord). In het calculatierapport dat Lymbouw aan [gedaagden] heeft toegezonden zijn de uit te voeren werkzaamheden niet gespecificeerd en evenmin als stelpost opgenomen, maar hierin is alleen vermeld ‘aanpasse elektra n.t.b’. Uit deze omschrijving volgt mogelijk enige speling (‘n.t.b.’), maar bekend was welk werk zou worden verricht op basis van het elektraplan, zodat er een duidelijke indicatie was van de te verrichten werkzaamheden waarop dit bedrag zag. Ten aanzien van deze werkzaamheden stelt Lymbouw enkel dat gekozen is voor duurdere materialen (meest luxe touch-schakelaar) waardoor de kosten hoger zijn uitgevallen. Lymbouw heeft echter niet duidelijk gemaakt dat of waarom dit tot overschrijding van deze stelpost heeft geleid. De rechtbank gaat ervan uit dat het door Lymbouw begrote bedrag van € 12.500,00 een richtprijs betreft. Nu dit een richtprijs was voor de betreffende werkzaamheden waarop de post zag (dus de werkzaamheden als genoemd in het elektraplan) is een overschrijding van maximaal 10% hiervan toegestaan, derhalve € 1.250,00. Omdat Lymbouw niet heeft gespecificeerd welke werkzaamheden zij heeft verricht, valt niet te bepalen of ten aanzien van de overeengekomen werkzaamheden onder deze post, sprake is van een dergelijke overschrijding.
4.43.
Daarnáást staat vast dat [gedaagden] - buiten het elektraplan waarvoor de post van € 12.500,00 was opgenomen om - meerwerk aan Lymbouw hebben opgedragen. Het gaat in ieder geval om het vervangen van de meterkast, het aanbrengen van rookmelders, LED-strips in de keuken en spots. Ook zijn er op de bovenverdieping volgens Lymbouw meer werkzaamheden verricht dan oorspronkelijk bepaald, maar dit wordt door [gedaagden] betwist. Zij betwisten ook dat opdracht is gegeven om de elektra in de keuken aan te passen.
4.44.
Lymbouw dient te stellen en bij gemotiveerde betwisting te onderbouwen dat [gedaagden] opdracht tot het betreffende meerwerk hebben gegeven. [gedaagden] hebben op dit punt onvoldoende weersproken aangevoerd dat in de keuken alle apparatuur juist op dezelfde plek is gelaten als in de oude keuken zodat het vervangen van het elektrawerk in de keuken niet nodig was. Lymbouw heeft daarentegen op geen enkele wijze gespecificeerd hoe of wanneer opdracht hiertoe zou zijn gegeven, zodat zij onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat dit opgedragen meerwerk betreft.
4.45.
Met betrekking tot het overige - dus exclusief het elektrawerk voor de keuken - meerwerk is de rechtbank van oordeel dat Lymbouw wel een duidelijke onderbouwing heeft gegeven van de door haar gemaakte arbeids- en materiaalkosten. Omdat Lymbouw echter niet heeft gespecificeerd op welk onderdeel van het elektrawerk de betreffende kosten zien, terwijl dit wel nodig is om de redelijkheid hiervan te kunnen beoordelen, zal de rechtbank Lymbouw nog de gelegenheid bieden om bij akte de gemaakte arbeids- en materiaalkosten voor het meerwerk - exclusief dus het elektrawerk van de keuken - te specificeren. De rechtbank bepaalt daarom dat de zaak weer op de rol zal komen van 2 april 2025 voor het nemen van een akte door Lymbouw. In dit verband merkt de rechtbank op dat de kosten van deze extra aktewisseling voor rekening Lymbouw komen omdat zij dit nodig heeft gemaakt door - ondanks de door [gedaagden] in het geding gebrachte elektraplan - geen splitsing aan te brengen van de overeengekomen werkzaamheden onder het elektraplan én het opgedragen meerwerk. Door geen splitsing in de uitgevoerde werkzaamheden aan te brengen en geen specificatie van de hiermee gemoeide kosten te geven is een extra aktewisseling noodzakelijk. [gedaagden] hebben daarentegen in de conclusie van antwoord ook al opgemerkt dat niet duidelijk is welk deel van de kosten op welke werkzaamheden ziet.
De rechtbank geeft partijen in overweging om op dit punt te bekijken of een schikking kan worden bereikt, nu de door Lymbouw te dragen kosten van de aktewisseling misschien hoger zullen zijn dan de toe te wijzen kosten terwijl wel duidelijk is geworden dat betaald moet worden voor het verrichte meerwerk.
Meerwerkpost 101
‘Bouwdrogers’ € 771,11
4.46.
Vast staat dat Lymbouw bouwdrogers heeft geplaatst. Vast staat ook dat hiermee geen rekening was gehouden in de begroting. Volgens Lymbouw zijn de drogers op verzoek van [gedaagden] geplaatst, omdat zij de woning voor de kerst wilden kunnen betrekken. Volgens [gedaagden] heeft Lymbouw de drogers op eigen initiatief geplaatst.
Beoordeling
Uit de omschrijving in het calculatierapport ‘leveren en plaatsen brugman piano centric’ blijkt dat uren zijn gerekend voor de plaatsing, die [gedaagden] dus niet verschuldigd zijn, maar onduidelijk is hoeveel uren. De rechtbank zal daarom schattenderwijs uitgaan van twee uren ad € 60,00 per uur en dit in mindering brengen op het gevorderde bedrag.
4.38.
Het komt vervolgens aan op de materiaalkosten. Lymbouw heeft voor het eerst ter zitting gesteld dat de nieuwe radiator € 787,96 heeft gekost. Zij heeft dit niet met bijvoorbeeld een aankoopfactuur onderbouwd, zodat op dit punt sprake is van een kale stelling van Lymbouw. [gedaagden] hebben daarentegen een kopie van een internetpagina overgelegd waaruit blijkt dat een op de geplaatste radiator lijkende radiator van hetzelfde merk te koop is voor € 399,50. Dit vormt een gemotiveerde betwisting van het door Lymbouw genoemde bedrag, zodat de rechtbank van het bedrag van € 399,50 zal uitgaan.
4.39.
Van de vordering van Lymbouw van € 5.510,00 ziet in ieder geval een bedrag van € 787,96 op de radiator. Omdat voor de radiator slechts een bedrag van € 399,50 wordt toegekend, geldt dat door Lymbouw € 388,46 te veel in rekening is gebracht (€ 787,96 –
€ 399,50). Ook moet nog de gerekende arbeidstijd voor de plaatsing van de radiator in mindering worden gebracht op het gevorderde bedrag. Hiermee is een bedrag tot € 5.051,54 toewijsbaar.
Meerwerkpost 70 ‘E-installaties meerwerk’ € 8.451,00
4.40.
In verband met de elektra-installaties was in de begroting een post opgenomen van € 12.500,00, gebaseerd op het eerste elektraplan van 25 juni 2021. Lymbouw stelt dat [gedaagden] tal van (aanvullende) werkzaamheden hebben opgedragen, die niet in het eerdergenoemde overzicht waren opgenomen. De stelpost van € 12.500,00 - die door [gedaagden] is betaald - is volgens Lymbouw daardoor met € 8.451,00 overschreden. Meer specifiek stelt Lymbouw dat alle leidingen in de keuken zijn verlegd, er rookmelders zijn geleverd en geplaatst, er stopcontacten zijn aangepast en verlaagd, er extra aansluitingen zijn aangebracht en dat er extra en duurdere materialen zijn geplaatst (zoals spots en dimmers).
4.41.
[gedaagden] erkennen dat zij een extra opdracht hebben gegeven tot het plaatsen van rookmelders en betwisten niet hiervoor het bedrag van € 422,87 aan materiaalkosten verschuldigd te zijn. Voor het overige betwisten zij dat ze extra werk hebben opgedragen. Zij betogen dat hier en daar misschien de locatie van een stopcontact of leiding iets is aangepast, maar dat in de marge is. [gedaagden] stellen daarnaast dat uit de eindafrekening niet duidelijk blijkt welke werkzaamheden op de betreffende elektra-onderdelen zien.
4.42.
De rechtbank stelt voorop dat bij het opstellen van de begroting voor de te verrichten werkzaamheden het partijen duidelijk was welke werkzaamheden zouden worden verricht voor het begrote bedrag van € 12.500,00. Dit is namelijk zo samen besproken en opgenomen in het elektraplan opgesteld door [gedaagden] (althans de e-mail van 25 juni 2021 van [gedaagde 2] met het elektraplan; zie productie 1 bij conclusie van antwoord). In het calculatierapport dat Lymbouw aan [gedaagden] heeft toegezonden zijn de uit te voeren werkzaamheden niet gespecificeerd en evenmin als stelpost opgenomen, maar hierin is alleen vermeld ‘aanpasse elektra n.t.b’. Uit deze omschrijving volgt mogelijk enige speling (‘n.t.b.’), maar bekend was welk werk zou worden verricht op basis van het elektraplan, zodat er een duidelijke indicatie was van de te verrichten werkzaamheden waarop dit bedrag zag. Ten aanzien van deze werkzaamheden stelt Lymbouw enkel dat gekozen is voor duurdere materialen (meest luxe touch-schakelaar) waardoor de kosten hoger zijn uitgevallen. Lymbouw heeft echter niet duidelijk gemaakt dat of waarom dit tot overschrijding van deze stelpost heeft geleid. De rechtbank gaat ervan uit dat het door Lymbouw begrote bedrag van € 12.500,00 een richtprijs betreft. Nu dit een richtprijs was voor de betreffende werkzaamheden waarop de post zag (dus de werkzaamheden als genoemd in het elektraplan) is een overschrijding van maximaal 10% hiervan toegestaan, derhalve € 1.250,00. Omdat Lymbouw niet heeft gespecificeerd welke werkzaamheden zij heeft verricht, valt niet te bepalen of ten aanzien van de overeengekomen werkzaamheden onder deze post, sprake is van een dergelijke overschrijding.
4.43.
Daarnáást staat vast dat [gedaagden] - buiten het elektraplan waarvoor de post van € 12.500,00 was opgenomen om - meerwerk aan Lymbouw hebben opgedragen. Het gaat in ieder geval om het vervangen van de meterkast, het aanbrengen van rookmelders, LED-strips in de keuken en spots. Ook zijn er op de bovenverdieping volgens Lymbouw meer werkzaamheden verricht dan oorspronkelijk bepaald, maar dit wordt door [gedaagden] betwist. Zij betwisten ook dat opdracht is gegeven om de elektra in de keuken aan te passen.
4.44.
Lymbouw dient te stellen en bij gemotiveerde betwisting te onderbouwen dat [gedaagden] opdracht tot het betreffende meerwerk hebben gegeven. [gedaagden] hebben op dit punt onvoldoende weersproken aangevoerd dat in de keuken alle apparatuur juist op dezelfde plek is gelaten als in de oude keuken zodat het vervangen van het elektrawerk in de keuken niet nodig was. Lymbouw heeft daarentegen op geen enkele wijze gespecificeerd hoe of wanneer opdracht hiertoe zou zijn gegeven, zodat zij onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat dit opgedragen meerwerk betreft.
4.45.
Met betrekking tot het overige - dus exclusief het elektrawerk voor de keuken - meerwerk is de rechtbank van oordeel dat Lymbouw wel een duidelijke onderbouwing heeft gegeven van de door haar gemaakte arbeids- en materiaalkosten. Omdat Lymbouw echter niet heeft gespecificeerd op welk onderdeel van het elektrawerk de betreffende kosten zien, terwijl dit wel nodig is om de redelijkheid hiervan te kunnen beoordelen, zal de rechtbank Lymbouw nog de gelegenheid bieden om bij akte de gemaakte arbeids- en materiaalkosten voor het meerwerk - exclusief dus het elektrawerk van de keuken - te specificeren. De rechtbank bepaalt daarom dat de zaak weer op de rol zal komen van 2 april 2025 voor het nemen van een akte door Lymbouw. In dit verband merkt de rechtbank op dat de kosten van deze extra aktewisseling voor rekening Lymbouw komen omdat zij dit nodig heeft gemaakt door - ondanks de door [gedaagden] in het geding gebrachte elektraplan - geen splitsing aan te brengen van de overeengekomen werkzaamheden onder het elektraplan én het opgedragen meerwerk. Door geen splitsing in de uitgevoerde werkzaamheden aan te brengen en geen specificatie van de hiermee gemoeide kosten te geven is een extra aktewisseling noodzakelijk. [gedaagden] hebben daarentegen in de conclusie van antwoord ook al opgemerkt dat niet duidelijk is welk deel van de kosten op welke werkzaamheden ziet.
De rechtbank geeft partijen in overweging om op dit punt te bekijken of een schikking kan worden bereikt, nu de door Lymbouw te dragen kosten van de aktewisseling misschien hoger zullen zijn dan de toe te wijzen kosten terwijl wel duidelijk is geworden dat betaald moet worden voor het verrichte meerwerk.
Meerwerkpost 101
‘Bouwdrogers’ € 771,11
4.46.
Vast staat dat Lymbouw bouwdrogers heeft geplaatst. Vast staat ook dat hiermee geen rekening was gehouden in de begroting. Volgens Lymbouw zijn de drogers op verzoek van [gedaagden] geplaatst, omdat zij de woning voor de kerst wilden kunnen betrekken. Volgens [gedaagden] heeft Lymbouw de drogers op eigen initiatief geplaatst.
Beoordeling
Zij stellen zich verder op het standpunt dat werkgereedschap als bouwdrogers en bijvoorbeeld ook bouwlampen of zaagmachines onder de werkvoorbereidings- en uitvoeringskosten vallen, waarvoor zij een opslag hebben betaald. [gedaagden] stellen ook niet te hebben geweten dat Lymbouw zelf niet over bouwdrogers beschikte en dat zij niet zijn gewaarschuwd dat er bijkomende kosten waren verbonden hieraan. Dit hadden zij ook niet uit zichzelf hoeven begrijpen.
4.47.
De post bouwdrogers betreft meerwerk. Op grond van artikel 7:755 BW kan Lymbouw voor meerwerk alleen een verhoging van de prijs vorderen, wanneer zij [gedaagden] tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging of [gedaagden] die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen. De rechtbank laat in het midden of de bouwdrogers op verzoek van [gedaagde 1] of [gedaagde 2] zijn geplaatst of niet. Ook als dit het geval was hadden zij niet hoeven begrijpen dat Lymbouw deze elders heeft gehuurd en dat hier kosten aan verbonden waren. Het was immers aan Lymbouw hen hier op te wijzen. Nu gesteld noch gebleken is dat [gedaagden] hiermee akkoord zijn gegaan geldt dat zij ten aanzien van deze post niets aan Lymbouw zijn verschuldigd.
‘Voordeurbeslag’ € 335,32
4.48.
Partijen zijn het erover eens dat [gedaagden] Lymbouw hebben gevraagd voordeurbeslag te plaatsen. Lymbouw heeft hiervoor € 335,32 in rekening gebracht. [gedaagden] hebben nog niks betaald.
4.49.
Metlzer en [gedaagde 2] wijzen op WhatsAppberichten van 19 november 2021 tussen [persoon] en [gedaagde 2] over het vervangen van het slot in de voordeur. Hierin stond, onder andere:
“ [persoon] : We hebben het er over gehad. Dat als je dat wil je die kan vervangen. En dan zou je alle cilinders in huis gelijksluitend kunnen maken. Daar zou je nog op terug komen! Dus als je dat wil dan kan ik dat nog regelen
[gedaagde 2] : Nou het hoeft van mij (nu) niet allemaal de zelfde te zijn, maar dit slot vervangen voor iets wat ‘in’ de deur zit, zou mooi zijn. Zodat de deur gewoon glad/strak afgewerkt kan worden. Wat voor kosten zitten daar aan verbonden?”
Volgens [gedaagden] gaat het niet aan om vervolgens een kostbaar type deurbeslag te plaatsen zonder op het verzoek om een prijsopgave te reageren en dit af te doen met de stelling “zij waren zich bewust van de noodzaak van de daarmee gemoeide prijsverhoging”. Volgens [gedaagden] kon ook gewoon een mooi voordeurbeslag voor minder geld worden aangebracht, waarbij zij wijzen op een veiligheidsbeslag van € 59,95. Zij achten het daarom redelijk dat Lymbouw aanspraak kan maken op de helft van het gevorderde bedrag en dus op € 167,66.
4.50.
Vast staat dat [gedaagden] Lymbouw opdracht hebben gegeven tot het vervangen van het deurbeslag. Partijen zijn het erover eens dat geen afspraken over het hiervoor verschuldigde loon zijn gemaakt. Gelet hierop geldt dat Lymbouw recht heeft op een redelijk loon. Partijen zijn het er over eens dat dit de materiaalkosten waren, zodat dit in beginsel pleit voor toewijzing van de vordering van Lymbouw. De rechtbank vat het verweer van [gedaagden] echter op als een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Omdat [gedaagde 2] expliciet gevraagd heeft naar de kosten en Lymbouw op de hoogte was van het beperkte budget bij [gedaagden] , is de rechtbank van oordeel dat Lymbouw er niet zonder meer vanuit mocht gaan dat een luxer en duurder slot akkoord zou zijn. Daar komt bij dat Lymbouw ook niet gesteld heeft waarom hiervoor gekozen is, terwijl [gedaagden] op deze wijze op kosten zijn gejaagd. Onder deze omstandigheden is de hoogte van de door Lymbouw gevorderde kosten naar het oordeel van de rechtbank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, hetgeen aan toekenning hiervan in de weg staat. Omdat [gedaagden] het redelijk achten dat Lymbouw aanspraak kan maken op de helft van het gevorderde bedrag, komt een bedrag van € 167,66 voor toewijzing in aanmerking.
‘Kast afwerken slaapkamer’ € 227,63
4.51.
[gedaagden] voeren, om discussies te voorkomen, geen verweer tegen het gevorderde bedrag van € 227,63 zodat dit zal worden toegewezen.
‘Gegalvaniseerd hoeklijn’ € 837,14
4.52.
Lymbouw heeft een gegalvaniseerde hoeklijn aangebracht bij een van de kozijnen van de woning. Deze hoeklijn is volgens Lymbouw op verzoek van [gedaagden] geplaatst, omdat het betreffende kozijn los bleek te zitten.
4.53.
[gedaagden] voeren aan dat zij hier niet om gevraagd hebben. Bij het maken van de uitsparing voor het kozijn van de schuifdeur door Lymbouw is kennelijk een gedeelte van de stenen die zich daarboven bevonden naar beneden gekomen. Lymbouw heeft de bewuste hoeklijn aangebracht om dit te herstellen. Normaal gesproken is het niet nodig om een hoeklijn aan te brengen bij het realiseren van een kozijn: hieruit kan niet anders dan worden afgeleid dat Lymbouw bij het maken van de sparing onzorgvuldig heeft gehandeld, aldus [gedaagden] . Lymbouw kan volgens [gedaagden] dan ook geen aanspraak maken op bijbetaling.
4.54.
De rechtbank is van oordeel dat als vaststaand kan worden aangenomen dat een bouwkundige noodzaak tot het aanbrengen van een gegalvaniseerde hoeklijn bestond. Lymbouw heeft ter zitting immers onvoldoende weersproken verklaard dat de gegalvaniseerde hoeklijn aangebracht is op een plek waar voorheen een raam in de dragende muur zat en dat dit raam vervangen is door een schuifpui. Om de schuifdeur in de dragende muur te kunnen plaatsen én om schade in de toekomst te voorkomen was het aanbrengen van een gegalvaniseerde hoeklijn volgens Lymbouw nodig. Maar ook onder die omstandigheden is in beginsel opdracht voor deze aanvullende werkzaamheden nodig. Omdat echter niet vastgesteld kan worden dat [gedaagden] hiertoe opdracht hebben gegeven, geldt dat geen sprake is van overeengekomen meerwerk. Ter zitting is van de kant van Lymbouw verklaard dat het klopt dat één en ander niet op de locatie is besproken. Dit betekent dat [gedaagden] dan ook niet bekend waren dat een gegalvaniseerde hoeklijn zou worden aangebracht. Daarmee ontbreekt een grondslag voor het toekennen van loon aan Lymbouw. Dit onderdeel van de meerwerkpost 101 wordt dan ook afgewezen.
‘Oplossing hoogte binnen/buiten’ € 960,84
4.55.
Lymbouw heeft een bedrag van € 960,84 in rekening gebracht in verband met een aangebracht profiel om het verschil in hoogte tussen de binnen- en buitenvloer op te vangen, waarvan zij betaling vordert. Volgens Lymbouw hebben [gedaagden] de werkzaamheden opgedragen en is sprake van meerwerk.
4.56.
[gedaagden] vinden dat deze kosten voor rekening moeten blijven van Lymbouw. Lymbouw heeft namelijk een schuifpui laten inmeten en deze besteld en geplaatst. Daarbij heeft zij niet medegedeeld dat er een hoogteverschil zou ontstaan met het maaiveld buiten. [gedaagden] hebben nooit gewild dat dit zou gebeuren, maar door de handelswijze van Lymbouw is dit probleem ontstaan. Het is dan onredelijk om de kosten gemoeid met het ‘oplossen’ van het probleem op [gedaagden] af te wentelen. Zij hadden deze kosten niet hoeven te verwachten.
4.57.
Lymbouw heeft in opdracht van [gedaagden] het bewuste profiel aangebracht. Zij hebben ook niet betwist dat het gevorderde bedrag een redelijk loon vormt. Dit betekent dat zij in beginsel het gevorderde bedrag verschuldigd zijn. In dit geval is de rechtbank het echter met [gedaagden] eens dat Lymbouw, door geen overleg met [gedaagden] , de noodzaak heeft gecreëerd tot het maken van deze kosten.
Beoordeling
Zij stellen zich verder op het standpunt dat werkgereedschap als bouwdrogers en bijvoorbeeld ook bouwlampen of zaagmachines onder de werkvoorbereidings- en uitvoeringskosten vallen, waarvoor zij een opslag hebben betaald. [gedaagden] stellen ook niet te hebben geweten dat Lymbouw zelf niet over bouwdrogers beschikte en dat zij niet zijn gewaarschuwd dat er bijkomende kosten waren verbonden hieraan. Dit hadden zij ook niet uit zichzelf hoeven begrijpen.
4.47.
De post bouwdrogers betreft meerwerk. Op grond van artikel 7:755 BW kan Lymbouw voor meerwerk alleen een verhoging van de prijs vorderen, wanneer zij [gedaagden] tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging of [gedaagden] die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen. De rechtbank laat in het midden of de bouwdrogers op verzoek van [gedaagde 1] of [gedaagde 2] zijn geplaatst of niet. Ook als dit het geval was hadden zij niet hoeven begrijpen dat Lymbouw deze elders heeft gehuurd en dat hier kosten aan verbonden waren. Het was immers aan Lymbouw hen hier op te wijzen. Nu gesteld noch gebleken is dat [gedaagden] hiermee akkoord zijn gegaan geldt dat zij ten aanzien van deze post niets aan Lymbouw zijn verschuldigd.
‘Voordeurbeslag’ € 335,32
4.48.
Partijen zijn het erover eens dat [gedaagden] Lymbouw hebben gevraagd voordeurbeslag te plaatsen. Lymbouw heeft hiervoor € 335,32 in rekening gebracht. [gedaagden] hebben nog niks betaald.
4.49.
Metlzer en [gedaagde 2] wijzen op WhatsAppberichten van 19 november 2021 tussen [persoon] en [gedaagde 2] over het vervangen van het slot in de voordeur. Hierin stond, onder andere:
“ [persoon] : We hebben het er over gehad. Dat als je dat wil je die kan vervangen. En dan zou je alle cilinders in huis gelijksluitend kunnen maken. Daar zou je nog op terug komen! Dus als je dat wil dan kan ik dat nog regelen
[gedaagde 2] : Nou het hoeft van mij (nu) niet allemaal de zelfde te zijn, maar dit slot vervangen voor iets wat ‘in’ de deur zit, zou mooi zijn. Zodat de deur gewoon glad/strak afgewerkt kan worden. Wat voor kosten zitten daar aan verbonden?”
Volgens [gedaagden] gaat het niet aan om vervolgens een kostbaar type deurbeslag te plaatsen zonder op het verzoek om een prijsopgave te reageren en dit af te doen met de stelling “zij waren zich bewust van de noodzaak van de daarmee gemoeide prijsverhoging”. Volgens [gedaagden] kon ook gewoon een mooi voordeurbeslag voor minder geld worden aangebracht, waarbij zij wijzen op een veiligheidsbeslag van € 59,95. Zij achten het daarom redelijk dat Lymbouw aanspraak kan maken op de helft van het gevorderde bedrag en dus op € 167,66.
4.50.
Vast staat dat [gedaagden] Lymbouw opdracht hebben gegeven tot het vervangen van het deurbeslag. Partijen zijn het erover eens dat geen afspraken over het hiervoor verschuldigde loon zijn gemaakt. Gelet hierop geldt dat Lymbouw recht heeft op een redelijk loon. Partijen zijn het er over eens dat dit de materiaalkosten waren, zodat dit in beginsel pleit voor toewijzing van de vordering van Lymbouw. De rechtbank vat het verweer van [gedaagden] echter op als een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Omdat [gedaagde 2] expliciet gevraagd heeft naar de kosten en Lymbouw op de hoogte was van het beperkte budget bij [gedaagden] , is de rechtbank van oordeel dat Lymbouw er niet zonder meer vanuit mocht gaan dat een luxer en duurder slot akkoord zou zijn. Daar komt bij dat Lymbouw ook niet gesteld heeft waarom hiervoor gekozen is, terwijl [gedaagden] op deze wijze op kosten zijn gejaagd. Onder deze omstandigheden is de hoogte van de door Lymbouw gevorderde kosten naar het oordeel van de rechtbank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, hetgeen aan toekenning hiervan in de weg staat. Omdat [gedaagden] het redelijk achten dat Lymbouw aanspraak kan maken op de helft van het gevorderde bedrag, komt een bedrag van € 167,66 voor toewijzing in aanmerking.
‘Kast afwerken slaapkamer’ € 227,63
4.51.
[gedaagden] voeren, om discussies te voorkomen, geen verweer tegen het gevorderde bedrag van € 227,63 zodat dit zal worden toegewezen.
‘Gegalvaniseerd hoeklijn’ € 837,14
4.52.
Lymbouw heeft een gegalvaniseerde hoeklijn aangebracht bij een van de kozijnen van de woning. Deze hoeklijn is volgens Lymbouw op verzoek van [gedaagden] geplaatst, omdat het betreffende kozijn los bleek te zitten.
4.53.
[gedaagden] voeren aan dat zij hier niet om gevraagd hebben. Bij het maken van de uitsparing voor het kozijn van de schuifdeur door Lymbouw is kennelijk een gedeelte van de stenen die zich daarboven bevonden naar beneden gekomen. Lymbouw heeft de bewuste hoeklijn aangebracht om dit te herstellen. Normaal gesproken is het niet nodig om een hoeklijn aan te brengen bij het realiseren van een kozijn: hieruit kan niet anders dan worden afgeleid dat Lymbouw bij het maken van de sparing onzorgvuldig heeft gehandeld, aldus [gedaagden] . Lymbouw kan volgens [gedaagden] dan ook geen aanspraak maken op bijbetaling.
4.54.
De rechtbank is van oordeel dat als vaststaand kan worden aangenomen dat een bouwkundige noodzaak tot het aanbrengen van een gegalvaniseerde hoeklijn bestond. Lymbouw heeft ter zitting immers onvoldoende weersproken verklaard dat de gegalvaniseerde hoeklijn aangebracht is op een plek waar voorheen een raam in de dragende muur zat en dat dit raam vervangen is door een schuifpui. Om de schuifdeur in de dragende muur te kunnen plaatsen én om schade in de toekomst te voorkomen was het aanbrengen van een gegalvaniseerde hoeklijn volgens Lymbouw nodig. Maar ook onder die omstandigheden is in beginsel opdracht voor deze aanvullende werkzaamheden nodig. Omdat echter niet vastgesteld kan worden dat [gedaagden] hiertoe opdracht hebben gegeven, geldt dat geen sprake is van overeengekomen meerwerk. Ter zitting is van de kant van Lymbouw verklaard dat het klopt dat één en ander niet op de locatie is besproken. Dit betekent dat [gedaagden] dan ook niet bekend waren dat een gegalvaniseerde hoeklijn zou worden aangebracht. Daarmee ontbreekt een grondslag voor het toekennen van loon aan Lymbouw. Dit onderdeel van de meerwerkpost 101 wordt dan ook afgewezen.
‘Oplossing hoogte binnen/buiten’ € 960,84
4.55.
Lymbouw heeft een bedrag van € 960,84 in rekening gebracht in verband met een aangebracht profiel om het verschil in hoogte tussen de binnen- en buitenvloer op te vangen, waarvan zij betaling vordert. Volgens Lymbouw hebben [gedaagden] de werkzaamheden opgedragen en is sprake van meerwerk.
4.56.
[gedaagden] vinden dat deze kosten voor rekening moeten blijven van Lymbouw. Lymbouw heeft namelijk een schuifpui laten inmeten en deze besteld en geplaatst. Daarbij heeft zij niet medegedeeld dat er een hoogteverschil zou ontstaan met het maaiveld buiten. [gedaagden] hebben nooit gewild dat dit zou gebeuren, maar door de handelswijze van Lymbouw is dit probleem ontstaan. Het is dan onredelijk om de kosten gemoeid met het ‘oplossen’ van het probleem op [gedaagden] af te wentelen. Zij hadden deze kosten niet hoeven te verwachten.
4.57.
Lymbouw heeft in opdracht van [gedaagden] het bewuste profiel aangebracht. Zij hebben ook niet betwist dat het gevorderde bedrag een redelijk loon vormt. Dit betekent dat zij in beginsel het gevorderde bedrag verschuldigd zijn. In dit geval is de rechtbank het echter met [gedaagden] eens dat Lymbouw, door geen overleg met [gedaagden] , de noodzaak heeft gecreëerd tot het maken van deze kosten.
Beoordeling
Vast staat dat de veranda buiten hoger ligt dan de vloer van de woning. Als niet betwist wordt verder aangenomen dat een schuifpui standaard op zo’n 1,5 centimeter van de vloer af wordt geplaatst en dat Lymbouw zich hieraan heeft gehouden. Uit de stellingen van Lymbouw volgt dat zij zelf heeft ingevuld dat het hoger plaatsen van de schuifpui om het hoogteverschil op te vangen onwenselijk was omdat er dan een opstap van zo’n vier centimeter zou zijn ontstaan. Ter zitting is van de kant van Lymbouw verklaard dat het hoger plaatsen van de schuifpui raar zou zijn geweest en dat [gedaagden] dat niet goed gevonden zouden hebben. Lymbouw heeft op dit punt een eigen afweging gemaakt zonder met [gedaagden] te overleggen over welke mogelijkheden er waren om het probleem van het hoogteverschil te ondervangen. Dit terwijl Lymbouw op de hoogte was van het beperkte budget waarover [gedaagden] beschikten, en er een kosteloze oplossing voor het hoogteverschil voorhanden was, namelijk het hoger plaatsen van de schuifpui. Uit de onvoldoende weersproken stellingen van [gedaagden] volgt dat zij in het licht van de kosten van het profiel geopteerd hadden voor het hoger plaatsen van de schuifpui als zij hierover waren geïnformeerd. Door zonder overleg een eigen afweging te maken heeft Lymbouw [gedaagden] de mogelijkheid ontnomen om te kiezen voor het hoger plaatsen van de schuifpui waardoor zij onnodig op kosten worden gejaagd. De gevorderde kosten van € 960,84 worden dan ook afgewezen.
‘Kitwerk’ € 560,33
4.58.
Lymbouw heeft kitwerk aangebracht voor het bedrag van € 560,33. Volgens haar betreft dit meerwerk, maar [gedaagden] vinden dat zij mochten verwachten dat het kitwerk onder de plinten onderdeel van de begroting uitmaakte. Dit is immers noodzakelijk voor een goede werking van de plinten en heeft als functie dat hier geen vuil onder door kan schieten.
4.59.
De rechtbank is van oordeel dat op dit punt sprake is van meerwerk. Lymbouw heeft immers onvoldoende weersproken aangevoerd dat het kitwerk geen onderdeel van het stuc- en schilderwerk zoals opgenomen in de begroting. In dit geval had het voor [gedaagden] duidelijk kunnen zijn dat sprake was van werkzaamheden die niet waren verdisconteerd in de begroting. Hieraan doet niet af dat [gedaagden] op dit punt een eigen verwachting hebben gehad. Anders dan [gedaagden] betogen is het niet noodzakelijk om kitwerk onder plinten aan te brengen omdat er ook plinten zonder kitrand worden geplaatst. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank met Lymbouw van oordeel dat [gedaagden] hadden moeten begrijpen dat aan de plaatsing van het kitwerk extra kosten waren verbonden. Dit onderdeel van de meerwerkpost 101, zijnde een bedrag van € 560,33 wordt dan ook toegewezen.
Te veel gefactureerd
4.60.
Lymbouw heeft onder punt 63 van haar dagvaarding erkend dat zij een bedrag van € 106,68 te veel in rekening heeft gebracht bij [gedaagden] . Gelet hierop wordt dit bedrag afgetrokken van het toe te wijzen totaalbedrag.
Tussenconclusie
4.61.
Concluderend zijn de volgende bedragen toewijsbaar:
- € 49,50 (r.o. 4.12);
- € 500,00 (r.o. 4.15);
- € 150,00 (r.o. 4.18);
- € 288,15 (r.o. 4.23);
- € 5.051,54 (r.o. 4.39);
- € 422,87 (r.o. 4.41);
- € 167,66 (r.o. 4.50);
- € 227,63 (r.o. 4.51);
- € 560,33 (r.o. 4.59).
Totaal € 7.417,68
Voormeld bedrag is ex. BTW. Inclusief 21% BTW resulteert dit in een toe te wijzen totaalbedrag van € 8.975,39. Hierop strekt in mindering het door Lymbouw bij [gedaagden] te veel in rekening gebrachte bedrag van € 106,68.
4.62.
In verband met de door Lymbouw te nemen akte - één en ander zoals hiervoor in rechtsoverweging 4.45 is overwogen - zal de rechtbank alle beslissingen aanhouden. Zoals de rechtbank heeft opgemerkt wordt partijen in overweging gegeven om op dit punt tot een schikking te komen. Ingeval partijen tot overeenstemming komen kunnen zij dit bij afzonderlijke of bij gezamenlijke akte aan de rechtbank berichten zodat dit in het te wijzen eindvonnis kan worden meegenomen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.63.
De door Lymbouw gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van
€ 1.101,68 worden afgewezen, omdat de op 21 augustus 2023 gezonden brief niet voldoet aan de voorwaarden zoals neergelegd in artikel 6:96 lid 6 BW. In de bewuste brief worden [gedaagden] namelijk gesommeerd tot betaling binnen 14 dagen na dagtekening van de brief, waarna een procedure zal worden gestart en aanspraak zal worden gemaakt op buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.203,71. Uit de wet volgt echter dat [gedaagden] moeten zijn aangemaand tot betaling binnen een termijn van 14 dagen, aanvangende de dag na aanmaning. Zelfs al zou de brief op dezelfde dag zijn ontvangen, dan nog is hierin dus een te korte termijn gesteld. De minimale termijn van 14 dagen die moet worden gesteld vangt immers pas aan de dag na die waarop de aanmaning is ontvangen (zie Hoge Raad 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704).
4.64.
In afwachting van de op de rol van 2 april 2025 te nemen akte houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan.
Beoordeling
Vast staat dat de veranda buiten hoger ligt dan de vloer van de woning. Als niet betwist wordt verder aangenomen dat een schuifpui standaard op zo’n 1,5 centimeter van de vloer af wordt geplaatst en dat Lymbouw zich hieraan heeft gehouden. Uit de stellingen van Lymbouw volgt dat zij zelf heeft ingevuld dat het hoger plaatsen van de schuifpui om het hoogteverschil op te vangen onwenselijk was omdat er dan een opstap van zo’n vier centimeter zou zijn ontstaan. Ter zitting is van de kant van Lymbouw verklaard dat het hoger plaatsen van de schuifpui raar zou zijn geweest en dat [gedaagden] dat niet goed gevonden zouden hebben. Lymbouw heeft op dit punt een eigen afweging gemaakt zonder met [gedaagden] te overleggen over welke mogelijkheden er waren om het probleem van het hoogteverschil te ondervangen. Dit terwijl Lymbouw op de hoogte was van het beperkte budget waarover [gedaagden] beschikten, en er een kosteloze oplossing voor het hoogteverschil voorhanden was, namelijk het hoger plaatsen van de schuifpui. Uit de onvoldoende weersproken stellingen van [gedaagden] volgt dat zij in het licht van de kosten van het profiel geopteerd hadden voor het hoger plaatsen van de schuifpui als zij hierover waren geïnformeerd. Door zonder overleg een eigen afweging te maken heeft Lymbouw [gedaagden] de mogelijkheid ontnomen om te kiezen voor het hoger plaatsen van de schuifpui waardoor zij onnodig op kosten worden gejaagd. De gevorderde kosten van € 960,84 worden dan ook afgewezen.
‘Kitwerk’ € 560,33
4.58.
Lymbouw heeft kitwerk aangebracht voor het bedrag van € 560,33. Volgens haar betreft dit meerwerk, maar [gedaagden] vinden dat zij mochten verwachten dat het kitwerk onder de plinten onderdeel van de begroting uitmaakte. Dit is immers noodzakelijk voor een goede werking van de plinten en heeft als functie dat hier geen vuil onder door kan schieten.
4.59.
De rechtbank is van oordeel dat op dit punt sprake is van meerwerk. Lymbouw heeft immers onvoldoende weersproken aangevoerd dat het kitwerk geen onderdeel van het stuc- en schilderwerk zoals opgenomen in de begroting. In dit geval had het voor [gedaagden] duidelijk kunnen zijn dat sprake was van werkzaamheden die niet waren verdisconteerd in de begroting. Hieraan doet niet af dat [gedaagden] op dit punt een eigen verwachting hebben gehad. Anders dan [gedaagden] betogen is het niet noodzakelijk om kitwerk onder plinten aan te brengen omdat er ook plinten zonder kitrand worden geplaatst. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank met Lymbouw van oordeel dat [gedaagden] hadden moeten begrijpen dat aan de plaatsing van het kitwerk extra kosten waren verbonden. Dit onderdeel van de meerwerkpost 101, zijnde een bedrag van € 560,33 wordt dan ook toegewezen.
Te veel gefactureerd
4.60.
Lymbouw heeft onder punt 63 van haar dagvaarding erkend dat zij een bedrag van € 106,68 te veel in rekening heeft gebracht bij [gedaagden] . Gelet hierop wordt dit bedrag afgetrokken van het toe te wijzen totaalbedrag.
Tussenconclusie
4.61.
Concluderend zijn de volgende bedragen toewijsbaar:
- € 49,50 (r.o. 4.12);
- € 500,00 (r.o. 4.15);
- € 150,00 (r.o. 4.18);
- € 288,15 (r.o. 4.23);
- € 5.051,54 (r.o. 4.39);
- € 422,87 (r.o. 4.41);
- € 167,66 (r.o. 4.50);
- € 227,63 (r.o. 4.51);
- € 560,33 (r.o. 4.59).
Totaal € 7.417,68
Voormeld bedrag is ex. BTW. Inclusief 21% BTW resulteert dit in een toe te wijzen totaalbedrag van € 8.975,39. Hierop strekt in mindering het door Lymbouw bij [gedaagden] te veel in rekening gebrachte bedrag van € 106,68.
4.62.
In verband met de door Lymbouw te nemen akte - één en ander zoals hiervoor in rechtsoverweging 4.45 is overwogen - zal de rechtbank alle beslissingen aanhouden. Zoals de rechtbank heeft opgemerkt wordt partijen in overweging gegeven om op dit punt tot een schikking te komen. Ingeval partijen tot overeenstemming komen kunnen zij dit bij afzonderlijke of bij gezamenlijke akte aan de rechtbank berichten zodat dit in het te wijzen eindvonnis kan worden meegenomen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.63.
De door Lymbouw gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van
€ 1.101,68 worden afgewezen, omdat de op 21 augustus 2023 gezonden brief niet voldoet aan de voorwaarden zoals neergelegd in artikel 6:96 lid 6 BW. In de bewuste brief worden [gedaagden] namelijk gesommeerd tot betaling binnen 14 dagen na dagtekening van de brief, waarna een procedure zal worden gestart en aanspraak zal worden gemaakt op buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.203,71. Uit de wet volgt echter dat [gedaagden] moeten zijn aangemaand tot betaling binnen een termijn van 14 dagen, aanvangende de dag na aanmaning. Zelfs al zou de brief op dezelfde dag zijn ontvangen, dan nog is hierin dus een te korte termijn gesteld. De minimale termijn van 14 dagen die moet worden gesteld vangt immers pas aan de dag na die waarop de aanmaning is ontvangen (zie Hoge Raad 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704).
4.64.
In afwachting van de op de rol van 2 april 2025 te nemen akte houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan.