Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-04-29
ECLI:NL:RBZWB:2025:6226
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
5,999 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/392504 / FA RK 21-5767
Datum uitspraak: 29 april 2025
Nadere beschikking betreffende vervangende toestemming verhuizing, vervangende toestemming inschrijving school, wijziging hoofdverblijfplaats en vaststelling zorgregeling
in de zaak van
[de vrouw]
,
hierna te noemen de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.T.P. Tielemans te Eindhoven, voorheen: mr. E. Sijnesael te Middelburg,
tegen
[de man] ,
hierna te noemen de man,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat: mr. P.C. van der Kuijl te Middelburg.
Ouders van het thans nog minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2014.
Als informant is in de procedure gekend:
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Middelburg.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1Het verdere procesverloop
1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- de beschikking van 13 juni 2023 en de daarin vermelde stukken;
- het F9-formulier van mr. Tielemans d.d. 1 november 2023;
- het F9-formulier van mr. Van der Kuijl d.d. 1 november 2023;
- het e-mailbericht van de GI d.d. 14 november 2023 met bijlagen;
- het F9-formulier van mr. Van der Kuijl d.d. 20 november 2023;
- het F9-formulier van mr. Tielemans d.d. 22 november 2023;
- het e-mailbericht van de GI d.d. 29 februari 2024 met bijlage;
- het F9-formulier van mr. Van der Kuijl d.d. 15 maart 2024;
- het F9-formulier van mr. Van der Kuijl d.d. 16 september 2024;
- het F9-formulier van mr. Tielemans d.d. 3 januari 2025 met aanvullende producties;
- de op 6 januari 2025 ingekomen brief van mr. Van der Kuijl d.d. 6 januari 2025 met bijlage;
- het F9-formulier van mr. Tielemans d.d. 4 februari 2025 met bijlage;
- het F9-formulier van mr. Van der Kuijl d.d. 4 februari 2025 met bijlage;
- het door mr. Van der Kuijl ter zitting overgelegde gewijzigde verzoek.
1.2
De verzoeken zijn door de meervoudige kamer van deze rechtbank nader mondeling behandeld op 25 maart 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad en een vertegenwoordigster van de GI.
1.3
De rechtbank heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken. Dit heeft hij gedaan in een gesprek met de rechter. Tijdens de zitting heeft de rechter partijen laten weten dat [minderjarige] niet wil dat de inhoud van het gesprek gedeeld wordt met partijen. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2De verdere beoordeling
2.1
Thans liggen nog voor de (zelfstandige) verzoeken van de man om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I primair een wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] vast te stellen in dier voege dat zijn hoofdverblijfplaats zal worden vastgesteld bij de man met de vaststelling van een zorgregeling gebaseerd op co-ouderschap waarbij [minderjarige] de ene week bij de man en de andere week bij de vrouw verblijft, alsmede gedurende de helft van de feestdagen en de schoolvakanties indien de vrouw in [plaats 1] blijft wonen en de vaststelling van een zorgregeling waarbij [minderjarige] gedurende één weekend in de veertien dagen bij de vrouw verblijft, alsmede de helft van de feestdagen en schoolvakanties indien de vrouw zelf naar [plaats 2] verhuist;
II subsidiair – indien de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw blijft – een zorgregeling vast te stellen gebaseerd op co-ouderschap waarbij [minderjarige] de ene week bij de man en de andere week bij de vrouw verblijft, alsmede gedurende de helft van de feestdagen en de schoolvakanties dan wel een zorgregeling vast te stellen c.q. de vrouw tot nakoming te veroordelen van een zorgregeling zoals partijen in de jaren voorafgaande aan deze zaak hadden, waarbij [minderjarige] gedurende één weekend in de veertien dagen bij de man verblijft, alsmede gedurende de doordeweekse dagen waarop de vrouw moet werken alsmede de helft van de feestdagen en de schoolvakanties, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen regeling;
III primair en subsidiair te bepalen dat de vrouw een dwangsom verbeurt van € 250,- per dag, dan wel dagdeel, dat de vrouw geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft de door de rechtbank vast te stellen c.q. te bekrachtigen (voorlopige) zorgregeling na te komen.
2.2
Naast voornoemd gewijzigd zelfstandig verzoek van de man, ligt tevens nog ter
Beoordeling
bij voorraad, om:
- vervangende toestemming te verlenen voor de verhuizing van [minderjarige] naar [plaats 3] (gemeente Gemert-Bakel) en tevens vervangende toestemming te verlenen voor de inschrijving van [minderjarige] op basisschool [basisschool] te [plaats 3] .
2.3
De rechtbank verwijst naar haar beschikking van 13 juni 2023. De rechtbank heeft zich toen op grond van het rapport van de Raad en hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling van 11 mei 2023 onvoldoende geïnformeerd geacht om een beslissing te kunnen geven op de nog voorliggende verzoeken omtrent het hoofdverblijf, de zorgregeling en de verhuizing. Er was namelijk destijds net een ondertoezichtstelling uitgesproken, waarbij gelijktijdig een machtiging tot uithuisplaatsing is verleend op grond waarvan [minderjarige] bij de man verblijft. De GI was voornemens om binnen het kader van de ondertoezichtstelling voor de ouders in te gaan zetten op een ouderschapsbemiddelingstraject en IPT en op speltherapie voor [minderjarige] . Met de inzet van deze trajecten zou duidelijk moeten worden waar [minderjarige] het best op zijn plaats is, maar ook of het ouders lukt om tot overeenstemming hierover te komen. De rechtbank heeft in deze beschikking – onder wijziging naar het vonnis van 17 februari 2023 – bepaald dat de vrouw en [minderjarige] voorlopig gerechtigd zijn tot omgang met elkaar gedurende één weekend per twee weken van vrijdagmiddag uit school tot zondag 18:00 uur alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen conform de verdeling zoals opgenomen in r.o. 2.6 van de beschikking van 22 juli 2022. De verzoeken zijn in afwachting van de ontwikkelingen aangehouden.
2.4
Bij beschikking van 8 mei 2024 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 13 juni 2024 en tot 13 juni 2025 verlengd.
Nadere standpunten partijen
2.5
Tijdens de nadere mondelinge behandeling heeft de man aangegeven zijn verzoeken te handhaven, onder verwijzing naar het inmiddels ondertekende ouderschapsplan. Partijen hebben hard gewerkt aan het verbeteren van de onderlinge communicatie. Het is hen dan ook gelukt om afspraken te maken over de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Anders dan de man, blijkt de vrouw echter van mening te zijn dat partijen in het ouderschapsplan uitsluitend de huidige situatie hebben vastgelegd in afwachting van een beslissing in de onderhavige bodemprocedure. Het hoofdverblijf van [minderjarige] houdt de ouders dus verdeeld. De man vindt dat zijn verzoek moet worden toegewezen, nu [minderjarige] al ruim twee jaar bij de man woont en hij inmiddels is geworteld in [plaats 1] . Hij gaat hier naar school, heeft hier zijn vrienden en voetbal. Daarnaast is het de vrouw die is verhuisd, waardoor co-ouderschap met de vrouw, wat de man eerder voor ogen had, niet meer mogelijk is. De man vindt dat [minderjarige] zich positief heeft ontwikkeld sinds hij bij de man woont. De man ziet dat [minderjarige] baat heeft bij de hulpverlening die in de afgelopen jaren voor hem is ingezet. Hij heeft geen woede-uitbarstingen meer. Wel erkent de man dat [minderjarige] loyaliteitsproblemen ondervindt, waardoor hij zich niet durft uit te spreken over zaken uit angst om één van zijn ouders te kwetsen. Dit wordt ook gezien door de hulpverlening. De man denkt dat dit komt doordat de vrouw de man nog altijd in een kwaad daglicht tracht te zetten en zij [minderjarige] hiermee belast. De man hoopt dat het helpend gaat zijn voor [minderjarige] als hij de buddy vanuit [hulpverlening] krijgt, zodat hij bij een onafhankelijk persoon zijn verhaal kwijt kan. Daarnaast doen beide ouders hun best om [minderjarige] waar nodig te steunen en om naar hem te luisteren. Dat de communicatie tussen ouders is verbeterd en zij met elkaar praten tijdens de overdracht, doet [minderjarige] in ieder geval zichtbaar goed. De zorgregeling verloopt prima en de man probeert zich zo flexibel mogelijk op te stellen naar de vrouw. De man wil het beste voor [minderjarige] , ook al zou dit betekenen dat het hoofdverblijf bij de vrouw wordt bepaald. Iedereen heeft behoefte aan duidelijkheid. Hij hoopt dan ook dat de rechtbank de knoop voor de ouders zal doorhakken.
2.6
De vrouw heeft nog altijd de wens dat [minderjarige] bij haar komt wonen. Zij handhaaft dan ook haar (ter zitting gewijzigde) verzoek om vervangende toestemming te verkrijgen voor haar verhuizing naar [plaats 3] . De afspraken die partijen in het ouderschapsplan hebben vastgelegd, zijn slechts tijdelijke afspraken in afwachting van de uitspraak in deze procedure. De vrouw is inmiddels verhuisd van [plaats 2] naar [plaats 3] en heeft hier in de nabijheid van haar familie haar leven opgebouwd. Zij mist [minderjarige] enorm en heeft veel verdriet van de situatie. Wel heeft zij in de afgelopen jaren dit meer een plekje kunnen geven. De vrouw begrijpt dat [minderjarige] veel zal moeten achterlaten wanneer hij verhuist naar [plaats 3] en dat dit lastig zal zijn voor hem. De vrouw heeft er alle vertrouwen in dat [minderjarige] dit aankan, maar zij is ook realistisch en kan zich er ook in vinden als [minderjarige] bij haar komt wonen zodra hij bijvoorbeeld de overstap gaat maken naar de middelbare school. De vrouw merkt, net als de man, dat de onderlinge communicatie van ouders is verbeterd. Anders dan voorheen wordt er nu tijdens de overdracht met elkaar gesproken. Dat is fijn voor [minderjarige] . [minderjarige] en de vrouw hebben een hechte band. De band van [minderjarige] met zijn vader is anders. Zij vreest dat dit een disbalans gaat geven zodra [minderjarige] in de puberteit komt. Daarnaast geeft [minderjarige] vaak aan dat hij bij zijn moeder wil wonen. Dat hij dit ook zegt ten aanzien van de man is de vrouw niet bekend en volgt niet uit de verslagen en rapporten. De vrouw vindt het jammer dat de speltherapeute hier weinig aandacht aan schenkt. Blijkbaar zit er bij [minderjarige] een blokkade, waardoor hij niet wil dat zaken teruggekoppeld worden aan de ouders. Volgens de vrouw heeft iedereen er behoefte aan dat de onzekerheid over waar [minderjarige] moet wonen wordt weggenomen. De vrouw hoopt dat de rechtbank de noodzakelijke duidelijkheid kan geven door voor de ouders de knoop door te hakken. Daarbij benoemt de vrouw het belangrijk te vinden dat [minderjarige] wordt opgevangen naar aanleiding van de keuze die wordt gemaakt. Zij vindt dat de GI en niet de ouders de beslissing van de rechtbank aan [minderjarige] moeten uitleggen.
2.7
De Raad vindt het knap om te zien welke stappen de ouders hebben gezet. De ouders hebben het belang van [minderjarige] voor ogen gehouden en daar profiteert hij van. De Raad heeft wel zorgen over het loyaliteitsconflict waar [minderjarige] in lijkt te zitten. Hopelijk kunnen hier met inzet van [hulpverlening] stappen in worden gezet. De Raad vindt het belangrijk dat er duidelijkheid komt over waar [minderjarige] verder mag opgroeien en dat de rechtbank dus op dit punt een beslissing zal geven. Zowel de ouders als [minderjarige] hebben die duidelijkheid nodig. De Raad stelt vast dat [minderjarige] al een lange tijd bij de man woont en dat hij hier inmiddels is geworteld. Een verhuizing naar [plaats 3] zal dan ook een grote impact op [minderjarige] hebben. Daarnaast heeft een verhuizing tot gevolg dat de betrokken hulpverlening door de GI moet worden overgedragen naar een andere regio en dat er een wijziging van GI moet komen. Hierdoor gaat niet alleen tijd verloren, maar ook de bestaande samenwerkingsverbanden. Als [minderjarige] bij de man blijft wonen, kan dit blijven bestaan en verder uitgediept worden. Alles afwegende adviseert de Raad om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de man te bepalen. De Raad vindt het daarbij belangrijk dat er wel geïnvesteerd wordt in het behoud van de band en het contact tussen [minderjarige] en zijn moeder.
Beoordeling
2.9
De rechtbank overweegt als volgt.
2.9.1
Ter beoordeling ligt voor het geschil van ouders over het hoofdverblijf van [minderjarige] en zijn contact met de andere niet-verzorgende ouder. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kunnen dergelijke geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechtbank dient ingevolge artikel 1:253a BW een zodanige beslissing te nemen als haar in het belang van de minderjarigen wenselijk voorkomt. Alvorens te beslissen dient de rechter, op grond van artikel 1:253a lid 5 BW, een vergelijk tussen beide ouders te beproeven.
2.9.2
De rechtbank stelt vast dat partijen recentelijk afspraken hebben gemaakt die zijn vastgelegd in een ondertekend ouderschapsplan. De rechtbank begrijpt van partijen dat ieder dit heeft gedaan vanuit een andere optiek. Volgens de man zijn deze afspraken toekomstgericht gemaakt, de vrouw is echter van mening dat de in het plan opgenomen afspraken zien op het bestendigen van de huidige situatie in afwachting van een beslissing van de rechtbank in de onderhavige bodemprocedure. Duidelijk is dat het hoofdverblijf van [minderjarige] partijen verdeeld houdt. Zij verwachten van de rechtbank dat zij duidelijkheid zal geven omtrent het hoofdverblijf van [minderjarige] door voor hen de knoop door te hakken.
2.9.3
Aanleiding voor het geschil over het hoofdverblijf van [minderjarige] was de wens van de vrouw om met [minderjarige] naar [plaats 2] te verhuizen. Naar aanleiding van haar verzoek tot het verkrijgen van vervangende toestemming hiervoor, zijn partijen eerder verwezen naar het Uniform HulpAanbod voor de inzet van hulpverlening ter verbetering van de onderlinge verstandhouding van partijen. Omdat dit traject destijds niet heeft geleid tot een positief resultaat, heeft de rechtbank de Raad bij beschikking van 27 juli 2022 verzocht om onderzoek te doen om zodoende haar te kunnen adviseren over de voorliggende geschilpunten. Begin 2023, nog voordat de Raad zijn onderzoek had afgerond, is de vrouw zonder de vereiste toestemming van de man met [minderjarige] verhuisd naar [plaats 2] zonder daarbij te beschikken over een huis en een school voor [minderjarige] . Bij vonnis in kort geding van 17 februari 2023 heeft de voorzieningenrechter [minderjarige] voorlopig toevertrouwd aan de man zodat [minderjarige] zo spoedig mogelijk zijn school kon hervatten en totdat partijen anders overeen zouden komen of in rechte anders is beslist.
2.9.4
Deze verblijfsituatie van [minderjarige] is sindsdien onveranderd gebleven. Binnen het kader van de ondertoezichtstelling is er hulpverlening opgezet voor de ouders, maar ook voor [minderjarige] , die dit hard nodig heeft gezien de loyaliteitsproblemen die hij ervaart. De rechtbank maakt zich hier ernstige zorgen om, nu [minderjarige] in het gesprek met de rechter duidelijk te kennen heeft gegeven dat alles wat hij tegen de rechter heeft verteld absoluut niet gedeeld mag worden met zijn ouders. Beide ouders erkennen de problemen die [minderjarige] ervaart en zien zijn behoefte aan een onafhankelijke derde om zich vrij te kunnen uiten. Hoewel de ouders in de afgelopen periode positieve stappen hebben gezet in hun onderlinge communicatie en [minderjarige] dit zichtbaar goed doet, lijkt hij erg te worstelen met de scheiding van zijn ouders en het moeten leven in twee werelden. De rechtbank heeft met de Raad sterk de indruk dat [minderjarige] klem zit en dat hij het gevoel heeft te moeten kiezen tussen zijn ouders. Volgens de vrouw zegt [minderjarige] dat hij bij zijn moeder wil wonen, maar blijkbaar zegt hij tegen de man dat hij bij hem wil wonen. De onzekerheid over bij welke ouder hij zal (gaan) wonen versterkt dit loyaliteitsconflict van [minderjarige] . De rechtbank acht dus in het belang van [minderjarige] dat er duidelijkheid komt over zijn hoofdverblijf. Zij stelt vast dat [minderjarige] inmiddels al ruim twee jaar bij de man verblijft. Hij is hier geworteld, gaat hier naar school en naar de voetbal en heeft hier een sociaal leven opgebouwd. Behoudens de loyaliteitsproblemen die [minderjarige] ervaart, ontwikkelt hij zich positief bij de man. De rechtbank begrijpt dat de vrouw inmiddels is verhuisd van Helmond naar [plaats 3] . Een overstap naar [plaats 3] zal voor [minderjarige] zeer ingrijpend zijn. Hij komt in een nieuwe omgeving en zal van school moeten wisselen. Ook zal hij een nieuw sociaal netwerk moeten opbouwen en zullen er nieuwe hulpverleners in de regio van de vrouw gezocht moeten worden. Dit alles zal veel impact hebben op [minderjarige] , waar hij naar het oordeel van de rechtbank op dit moment geen ruimte voor ervaart. De rechtbank vindt het niet in het belang van [minderjarige] om de huidige situatie, waarin hij het goed doet en waarin een GI is betrokken en hulpverlening is opgezet, te doorbreken. De rechtbank zal daarom het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de man bepalen en het verzoek van de vrouw om toestemming te krijgen voor haar verhuizing met [minderjarige] naar [plaats 3] en om hem hier op een school te kunnen inschrijven afwijzen. Daarbij benadrukt de rechtbank het belangrijk te vinden dat de hechte band tussen [minderjarige] en de vrouw wel gewaarborgd blijft. Zij hoopt dat de ouders hier een modus in zullen gaan vinden, nu – naar het lijkt – het grootste geschilpunt tussen hen is weggenomen.
2.9.5
Ten aanzien van het contact tussen de vrouw en [minderjarige] overweegt de rechtbank het volgende. Tussen partijen geldt op dit moment een zorgregeling op basis waarvan [minderjarige] één keer per twee weken in de even weekenden van vrijdagmiddag uit school tot zondagmiddag 18:00 uur bij de vrouw verblijft alsmede gedurende de helft van de feestdagen en vakanties. Deze regeling is door partijen ook vastgelegd in het ouderschapsplan. De rechtbank zal deze regeling als definitieve zorgregeling bepalen, maar zij merkt daarbij wel op dat deze frequentie als minimale frequentie moet gelden. Zoals hiervoor besproken, wordt het in het belang van [minderjarige] geacht dat de hechte band met zijn moeder behouden blijft en daarvoor is een frequent en kwalitatief contact een vereiste. Van partijen wordt dan ook verwacht dat zij zullen onderzoeken op welke wijze deze regeling geïntensiveerd kan worden, bijvoorbeeld tijdens de vakanties of op andere tussentijdse vrije momenten. Daarbij wil de rechtbank ook benoemen dat de man nog altijd bereid is tot co-ouderschap met de vrouw, mits dit praktisch haalbaar is. Het is aan de vrouw om over deze optie na te denken.
2.9.6
De rechtbank gaat ervan uit dat het verzoek van de man om een dwangsom op te leggen bedoeld was voor de situatie waarin de vrouw vervangende toestemming zou krijgen om met [minderjarige] te verhuizen en er in dat kader een zorgregeling zou worden bepaald. Deze situatie doet zich niet voor en daarom zal de rechtbank het verzoek van de man om een dwangsom op te leggen, afwijzen.
2.9.7
Tijdens de mondelinge behandeling is met partijen gesproken over hoe de beslissing van de rechtbank wordt teruggekoppeld aan [minderjarige] . Afgesproken is dat de ouders dit samen aan [minderjarige] zullen vertellen, eventueel in het bijzijn van de GI tijdens het gezamenlijke 6-wekelijkse (evaluatie)gesprek.
2.9.8
Het vorenstaande leidt tot de navolgende beslissing, welke de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
Dictum
De rechtbank
3.1
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] zijn hoofdverblijf heeft bij de man;
3.2
bepaalt – onder wijziging van de voorlopige zorgregeling zoals opgenomen in de beschikking van 13 juni 2023 – dat de vrouw en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar éénmaal per twee weken van vrijdagmiddag uit school om 14:15 uur tot zondagmiddag 18:00 uur alsmede de helft van de feestdagen en schoolvakanties, waarbij deze regeling geldt als minimumregeling met inachtneming van hetgeen onder 2.9.5 hierover is overwogen;
3.3
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.4
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Roose, voorzitter tevens kinderrechter, mr. De Beer en mr. Hendriks, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2025 in aanwezigheid van W. Bakker-Maljers, griffier.
Mededeling van de griffier:
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden,
binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking
aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.