Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-02-04
ECLI:NL:RBZWB:2025:6195
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
8,188 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/377713 / FA RK 20-5333
datum uitspraak: 4 februari 2025
nadere beschikking betreffende vaststellen omgangsregeling en informatie- en consultatieregeling
in de zaak van
[de man]
, hierna te noemen: de man,
wonende te [plaats] ,
advocaat: mr. M. Theunessen te Berkel en Rodenrijs,
tegen
[de vrouw] , hierna te noemen de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.L.J. de Vos te Bergen op Zoom, voorheen: mr. W.A. Lensink te Bergen op Zoom.
betreffende de thans nog minderjarigen:
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2014 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2015 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1Het (verdere) procesverloop
1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- de beschikking van de rechtbank d.d. 21 juni 2022 met alle daarin vermelde stukken;
- het emailbericht van het Verdeelloket regio West-Brabant West d.d. 7 juni 2023;
- het emailbericht van het Verdeelloket regio West-Brabant West d.d. 18 juli 2023 met bijlage;
- de op 18 juli 2023 ingekomen brief van de Raad d.d. 17 juli 2023;
- de op 23 augustus 2023 ingekomen brief van de Raad d.d. 22 augustus 2023;
- het op 27 oktober 2023 ingekomen rapport van de Raad d.d. 26 oktober 2023;
- het F9-formulier van mr. Theunessen d.d. 16 november 2023;
- het F9-formulier van mr. Lensink d.d. 20 november 2023;
- het e-mailbericht van mr. De Vos d.d. 2 januari 2025 met bijlagen.
1.2
De verzoeken zijn nader mondeling behandeld op 7 januari 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen de advocaat van de man en de vrouw bijgestaan door haar advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad.
2De verdere beoordeling
2.1
De rechtbank verwijst naar haar eerdere beschikking van 21 juni 2022, waarin partijen opnieuw zijn verwezen voor (jeugd)hulpverlening naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West en de Raad is verzocht om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in de beschikking gestelde vragen, indien dit traject niet leidt tot een positief resultaat of indien de Raad daartoe zelf een aanleiding ziet. De rechtbank heeft in deze beschikking overwogen dat er eerst statusvoorlichting dient plaats te vinden, waarbij gezien de complexe situatie van [minderjarige 1] (de man is niet haar biologische vader, maar wel haar juridische vader, terwijl de man van [minderjarige 2] de biologische en juridische vader is) professionele hulpverlening dient te worden ingezet en waarbij zowel beide kinderen als de ouders ondersteuning krijgen. Daarna dient te worden bezien of omgang met de man in het belang van beide kinderen is, waarbij de draagkracht en het tempo van de kinderen leidend zal zijn. De rechtbank heeft in deze beschikking bepaald dat de vrouw de man voorlopig één keer per twee maanden per e-mail dient te informeren over de kinderen en wanneer er sprake is van contact tussen de man en de kinderen één keer per maand met als doel dat de ouders binnen het te starten hulpverleningstraject tot concrete afspraken komen over een definitieve informatieregeling.
2.2
Uit de rapportage van 29 juni 2023 van de naar aanleiding van de verwijzing betrokken zorgaanbieder [jeugdhulp] blijkt dat voornoemd hulpverleningstraject niet is opgestart, daar het niet is gelukt om met ouders een gezamenlijk gesprek in te plannen. De zorgaanbieder betwijfelt of er voldoende commitment bij ouders is om constructief met elkaar in gesprek te gaan en of het voor ouders mogelijk is om in het vrijwillig kader de hulpverlening te volgen. De visie en verwachtingen van ouders lijken ver uiteen te liggen waardoor er geen samenwerking op gang komt, hetgeen wel nodig is voor het realiseren van contact van de kinderen met de man. De zorgaanbieder adviseert een raadsonderzoek.
2.3
Bij brief van 22 augustus 2023 laat de Raad weten opnieuw een onderzoek te zullen starten naar de omgang tussen [minderjarige 2] , [minderjarige 1] en de man. De Raad heeft ook besloten om een beschermingsonderzoek uit te voeren. Op 27 oktober 2023 is van de Raad het rapport van deze onderzoeken ontvangen. Daarin adviseert de Raad om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar alsmede om de onderhavige procedure aan te houden in afwachting van de resultaten die bereikt worden binnen die ondertoezichtstelling.
2.4
Bij beschikking van 7 december 2023 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 7 juni 2024. De ondertoezichtstelling is bij beschikking van 4 juni 2024 laatstelijk verlengd tot 7 december 2024 en is daardoor niet meer van kracht.
2.5
Omgang
2.5.1
Ter beoordeling ligt voor het verzoek van de man tot het vaststellen van een reguliere omgangsregeling van een weekend per veertien dagen. De rechtbank stelt vast dat de onderhavige procedure al enige jaren loopt en dat er veel is geprobeerd om contact tussen de man, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot stand te brengen. Partijen zijn tot twee keer toe verwezen naar de gemeente voor de inzet van professionele hulpverlening voor zowel beide partijen als beide kinderen. Naast dat eerst onder begeleiding van professionele hulpverlening de statusvoorlichting moest plaatsvinden, was het de bedoeling dat vervolgens geleidelijk aan het contact tussen de man en de kinderen opgebouwd zou gaan worden. Uit de rapportage van [jeugdhulp] blijkt dat het hulpverleningstraject niet van de grond is gekomen, omdat het niet lukte om met partijen een gezamenlijk gesprek in te plannen. Naar aanleiding van de negatieve terugmelding vanuit deze zorgaanbieder en een onderzoek van de Raad is vervolgens door de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uitgesproken met onder meer als doel om een band op te bouwen tussen de man en de kinderen. Daarnaast werd als doel gesteld dat de man zijn emotieregulatie onder controle zou krijgen. Binnen dit kader is de hulpverlening vanuit [hulpverlening] ingezet om de mogelijkheden en wensen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ten aanzien van het contact met de man te onderzoeken. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben binnen dit traject uitgesproken geen contact te willen met de man. Zij ervaren veel weerstand, boosheid en angst als het gaat om een mogelijke contactopbouw met de man. Door de behandelaar is met de man afgesproken dat hij contact met de kinderen zal onderhouden in de vorm van het sturen van een (herstel)brief en kaartjes. Echter is sindsdien elke vorm van initiatief vanuit de man uitgebleven. Zowel de vrouw als de kinderen hebben niets van de man vernomen. Volgens de vrouw hebben de kinderen lang gewacht op de aangekondigde herstelbrief van de man. Dat deze brief tot op heden niet is gekomen, heeft hen teleurgesteld en hun boosheid jegens de man zeker niet weggenomen.
Dictum
De rechtbank
bepaalt, onder wijziging van de beschikking van 21 juni 2022, dat de vrouw éénmaal per drie maanden de man per e-mail informeert omtrent belangrijke gebeurtenissen met betrekking tot [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zulks met inachtneming van hetgeen onder r.o. 2.6.1 is overwogen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2025 in tegenwoordigheid van Bakker-Maljers, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Inleiding
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/377713 / FA RK 20-5333
datum uitspraak: 4 februari 2025
nadere beschikking betreffende vaststellen omgangsregeling en informatie- en consultatieregeling
in de zaak van
[de man]
, hierna te noemen: de man,
wonende te [plaats] ,
advocaat: mr. M. Theunessen te Berkel en Rodenrijs,
tegen
[de vrouw] , hierna te noemen de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.L.J. de Vos te Bergen op Zoom, voorheen: mr. W.A. Lensink te Bergen op Zoom.
betreffende de thans nog minderjarigen:
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2014 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2015 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1Het (verdere) procesverloop
1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- de beschikking van de rechtbank d.d. 21 juni 2022 met alle daarin vermelde stukken;
- het emailbericht van het Verdeelloket regio West-Brabant West d.d. 7 juni 2023;
- het emailbericht van het Verdeelloket regio West-Brabant West d.d. 18 juli 2023 met bijlage;
- de op 18 juli 2023 ingekomen brief van de Raad d.d. 17 juli 2023;
- de op 23 augustus 2023 ingekomen brief van de Raad d.d. 22 augustus 2023;
- het op 27 oktober 2023 ingekomen rapport van de Raad d.d. 26 oktober 2023;
- het F9-formulier van mr. Theunessen d.d. 16 november 2023;
- het F9-formulier van mr. Lensink d.d. 20 november 2023;
- het e-mailbericht van mr. De Vos d.d. 2 januari 2025 met bijlagen.
1.2
De verzoeken zijn nader mondeling behandeld op 7 januari 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen de advocaat van de man en de vrouw bijgestaan door haar advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad.
2De verdere beoordeling
2.1
De rechtbank verwijst naar haar eerdere beschikking van 21 juni 2022, waarin partijen opnieuw zijn verwezen voor (jeugd)hulpverlening naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West en de Raad is verzocht om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in de beschikking gestelde vragen, indien dit traject niet leidt tot een positief resultaat of indien de Raad daartoe zelf een aanleiding ziet. De rechtbank heeft in deze beschikking overwogen dat er eerst statusvoorlichting dient plaats te vinden, waarbij gezien de complexe situatie van [minderjarige 1] (de man is niet haar biologische vader, maar wel haar juridische vader, terwijl de man van [minderjarige 2] de biologische en juridische vader is) professionele hulpverlening dient te worden ingezet en waarbij zowel beide kinderen als de ouders ondersteuning krijgen. Daarna dient te worden bezien of omgang met de man in het belang van beide kinderen is, waarbij de draagkracht en het tempo van de kinderen leidend zal zijn. De rechtbank heeft in deze beschikking bepaald dat de vrouw de man voorlopig één keer per twee maanden per e-mail dient te informeren over de kinderen en wanneer er sprake is van contact tussen de man en de kinderen één keer per maand met als doel dat de ouders binnen het te starten hulpverleningstraject tot concrete afspraken komen over een definitieve informatieregeling.
2.2
Uit de rapportage van 29 juni 2023 van de naar aanleiding van de verwijzing betrokken zorgaanbieder [jeugdhulp] blijkt dat voornoemd hulpverleningstraject niet is opgestart, daar het niet is gelukt om met ouders een gezamenlijk gesprek in te plannen. De zorgaanbieder betwijfelt of er voldoende commitment bij ouders is om constructief met elkaar in gesprek te gaan en of het voor ouders mogelijk is om in het vrijwillig kader de hulpverlening te volgen. De visie en verwachtingen van ouders lijken ver uiteen te liggen waardoor er geen samenwerking op gang komt, hetgeen wel nodig is voor het realiseren van contact van de kinderen met de man. De zorgaanbieder adviseert een raadsonderzoek.
2.3
Bij brief van 22 augustus 2023 laat de Raad weten opnieuw een onderzoek te zullen starten naar de omgang tussen [minderjarige 2] , [minderjarige 1] en de man. De Raad heeft ook besloten om een beschermingsonderzoek uit te voeren. Op 27 oktober 2023 is van de Raad het rapport van deze onderzoeken ontvangen. Daarin adviseert de Raad om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar alsmede om de onderhavige procedure aan te houden in afwachting van de resultaten die bereikt worden binnen die ondertoezichtstelling.
2.4
Bij beschikking van 7 december 2023 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 7 juni 2024. De ondertoezichtstelling is bij beschikking van 4 juni 2024 laatstelijk verlengd tot 7 december 2024 en is daardoor niet meer van kracht.
2.5
Omgang
2.5.1
Ter beoordeling ligt voor het verzoek van de man tot het vaststellen van een reguliere omgangsregeling van een weekend per veertien dagen. De rechtbank stelt vast dat de onderhavige procedure al enige jaren loopt en dat er veel is geprobeerd om contact tussen de man, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot stand te brengen. Partijen zijn tot twee keer toe verwezen naar de gemeente voor de inzet van professionele hulpverlening voor zowel beide partijen als beide kinderen. Naast dat eerst onder begeleiding van professionele hulpverlening de statusvoorlichting moest plaatsvinden, was het de bedoeling dat vervolgens geleidelijk aan het contact tussen de man en de kinderen opgebouwd zou gaan worden. Uit de rapportage van [jeugdhulp] blijkt dat het hulpverleningstraject niet van de grond is gekomen, omdat het niet lukte om met partijen een gezamenlijk gesprek in te plannen. Naar aanleiding van de negatieve terugmelding vanuit deze zorgaanbieder en een onderzoek van de Raad is vervolgens door de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uitgesproken met onder meer als doel om een band op te bouwen tussen de man en de kinderen. Daarnaast werd als doel gesteld dat de man zijn emotieregulatie onder controle zou krijgen. Binnen dit kader is de hulpverlening vanuit [hulpverlening] ingezet om de mogelijkheden en wensen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ten aanzien van het contact met de man te onderzoeken. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben binnen dit traject uitgesproken geen contact te willen met de man. Zij ervaren veel weerstand, boosheid en angst als het gaat om een mogelijke contactopbouw met de man. Door de behandelaar is met de man afgesproken dat hij contact met de kinderen zal onderhouden in de vorm van het sturen van een (herstel)brief en kaartjes. Echter is sindsdien elke vorm van initiatief vanuit de man uitgebleven. Zowel de vrouw als de kinderen hebben niets van de man vernomen. Volgens de vrouw hebben de kinderen lang gewacht op de aangekondigde herstelbrief van de man. Dat deze brief tot op heden niet is gekomen, heeft hen teleurgesteld en hun boosheid jegens de man zeker niet weggenomen.
Dictum
De rechtbank
bepaalt, onder wijziging van de beschikking van 21 juni 2022, dat de vrouw éénmaal per drie maanden de man per e-mail informeert omtrent belangrijke gebeurtenissen met betrekking tot [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zulks met inachtneming van hetgeen onder r.o. 2.6.1 is overwogen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2025 in tegenwoordigheid van Bakker-Maljers, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Inleiding
Omdat het niet in het belang van de kinderen werd geacht om omgang te forceren, werd er (met instemming van de Raad) geen meerwaarde meer gezien voor het laten voortduren van de ondertoezichtstelling en met als gevolg dat de ondertoezichtstelling niet meer van kracht is sinds 7 december 2024.
2.5.2
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de man aangegeven dat de man niet naar de zitting is gekomen, omdat dit voor hem geen toegevoegde waarde heeft. Wel heeft de advocaat opgemerkt dat de man gemengde gevoelens kent. Enerzijds wil hij het contact niet bij de kinderen afdwingen, maar aan de andere kant vindt hij dat hij recht op omgang heeft. Hij begrijpt dat het voor de kinderen moeilijk is om zich te committeren aan iemand die zij niet kennen en erkent soms moeite te hebben met het reguleren van zijn emoties. Volgens de advocaat heeft de man iemand nodig die hem aan de hand neemt, zoals bijvoorbeeld bij het schrijven van de brief aan de kinderen. De advocaat betwijfelt of daar genoeg op ingezet is.
2.5.3
De vrouw begrijpt niet waarom de man niet de brief aan de kinderen schrijft en hij niet reageert op haar e-mails met informatie over de kinderen. Zij weet niet goed hoe het verder moet, want er komt totaal geen initiatief of reactie vanuit de man. Daarnaast is bij [hulpverlening] duidelijk geworden dat er geen draagvlak bij de kinderen is voor contact met de man. De vrouw heeft behoefte aan duidelijkheid en rust, ook voor de kinderen. Het verzoek van de man moet volgens haar worden afgewezen. De vrouw wil de kinderen niet moeten dwingen tot afspraken die zij niet willen. De vrouw benoemt wel dat zij altijd achter het contact tussen de man en de kinderen heeft gestaan en dit ook in de toekomst zal blijven doen als de kinderen hiervoor de ruimte ervaren.
2.5.4
De Raad vindt dat er genoeg is gedaan om contact tussen de man en de kinderen op te bouwen. De man laat het afweten. Hij stuurt geen kaartjes naar de kinderen, schrijft hen geen brief en heeft niet gewerkt aan zijn emotieregulatie. Daarnaast is er geen draagvlak bij de kinderen voor contact met de man. De Raad vindt het daarom niet in hun belang om omgang te forceren. Hopelijk ontstaat er in de toekomst wel mogelijkheden voor dit contact. Voor nu adviseert de Raad het verzoek van de man af te wijzen.
2.5.5
Alles in overweging nemende komt de rechtbank tot het oordeel dat het vaststellen van een omgangsregeling op dit moment niet in het belang van de kinderen is. Hoewel namens de man betwijfeld wordt of er voldoende is ingezet, deelt de rechtbank deze twijfel niet. Partijen zijn tot twee keer toe verwezen naar de hulpverlening om onder begeleiding de man een rol te gunnen in het leven van de kinderen. Deze trajecten zijn niet van de grond gekomen, waardoor het niet gelukt is om resultaten te boeken in de onderlinge verhouding van partijen maar ook niet ten aanzien van het contact van de man met de kinderen. Daarnaast is niet gebleken dat de man gewerkt heeft aan zijn emotieregulatie, hetgeen als doel was gesteld in het kader van de ondertoezichtstelling. Ondanks dat binnen het traject bij [hulpverlening] de afspraak was gemaakt dat de man een brief aan de kinderen zou schrijven en dat hij in contact met hen zou blijven middels het sturen van kaartjes, heeft hij dit niet gedaan. De kinderen laten veel weerstand zien jegens de man en ervaren geen draagkracht voor het contact met hem. De rechtbank is het met de Raad eens dat de man de kansen die hem gegeven zijn om de weerstand van de kinderen enigszins te kunnen verminderen niet heeft gegrepen, zoals bijvoorbeeld de toegezegde kaartjes en herstelbrief. Bij [hulpverlening] hebben de kinderen duidelijk uitgesproken dat zij geen contact willen met de man. De rechtbank acht niet in het belang van de kinderen om met de weerstand, boosheid en angst die zij laten zien het contact met de man te forceren. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man tot het vaststellen van een reguliere omgangsregeling afwijzen.
2.6.
Informatie-/consultatieregeling
2.6.1
Uit het voorgaande volgt dat er voorlopig geen omgang zal plaatsvinden tussen de man en de kinderen. Hoewel de vrouw geen meerwaarde ziet in het vaststellen van een definitieve informatieregeling, acht de rechtbank dit wel in het belang van de kinderen. Door het opleggen van een verplichting aan de vrouw om de man met regelmaat te informeren over de kinderen, blijft de man namelijk betrokken bij de kinderen. Dit biedt hem in de toekomst tevens de mogelijkheid om aan te sluiten bij de kinderen, zodra zij nieuwsgierig worden naar de man en er ruimte ontstaat voor het contact. De rechtbank zal daarom als definitieve informatieregeling bepalen dat de vrouw de man één keer in de drie maanden per e-mail dient te informeren over de kinderen. De rechtbank begrijpt vanuit de vrouw dat de man nooit gereageerd heeft op haar berichten, waardoor zij niet weet of de berichten hem daadwerkelijk bereiken en zo ja, of hij de inhoud van de berichten leest en waardeert. Van de man wordt verwacht dat hij de vrouw (eventueel via zijn advocaat) laat weten welke informatie over de kinderen zijn interesse heeft. De vrouw zal, zoals tijdens de mondelinge behandeling is afgesproken, hiermee voortaan rekening houden in haar berichtgeving naar de man. Het verzoek ten aanzien van het vaststellen van een consultatieregeling zal de rechtbank afwijzen. Zoals uit de voorgaande overwegingen volgt, is er geen contact tussen de man en de kinderen en ontbreekt enige vorm van communicatie tussen partijen, behoudens de informatie die de vrouw aan de man verstrekt conform de voornoemde informatieregeling. De rechtbank is van oordeel dat dit wel een voorwaarde is voor een ouder om zodoende in het kader van te nemen beslissingen een adequate inschatting te kunnen maken van de behoefte van een kind alsmede om met de andere ouder hierover het gesprek aan te gaan. De rechtbank stelt vast dat hier geen sprake van is en het verplichten van vrouw om de man te consulteren ten aanzien van te nemen beslissingen zal in de huidige situatie tot veel onderlinge spanningen leiden, hetgeen de situatie van de kinderen niet ten goede zal komen en waar niet alleen partijen maar ook de kinderen last van zullen ondervinden. De rechtbank acht dan ook in de huidige situatie het vaststellen van een consultatieregeling niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en zal het hiertoe strekkende verzoek afwijzen.
2.7
De rechtbank zal de beslissing ten aanzien van de informatieregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de man. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als daartegen hoger beroep wordt ingesteld.
2.8
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
Inleiding
Omdat het niet in het belang van de kinderen werd geacht om omgang te forceren, werd er (met instemming van de Raad) geen meerwaarde meer gezien voor het laten voortduren van de ondertoezichtstelling en met als gevolg dat de ondertoezichtstelling niet meer van kracht is sinds 7 december 2024.
2.5.2
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de man aangegeven dat de man niet naar de zitting is gekomen, omdat dit voor hem geen toegevoegde waarde heeft. Wel heeft de advocaat opgemerkt dat de man gemengde gevoelens kent. Enerzijds wil hij het contact niet bij de kinderen afdwingen, maar aan de andere kant vindt hij dat hij recht op omgang heeft. Hij begrijpt dat het voor de kinderen moeilijk is om zich te committeren aan iemand die zij niet kennen en erkent soms moeite te hebben met het reguleren van zijn emoties. Volgens de advocaat heeft de man iemand nodig die hem aan de hand neemt, zoals bijvoorbeeld bij het schrijven van de brief aan de kinderen. De advocaat betwijfelt of daar genoeg op ingezet is.
2.5.3
De vrouw begrijpt niet waarom de man niet de brief aan de kinderen schrijft en hij niet reageert op haar e-mails met informatie over de kinderen. Zij weet niet goed hoe het verder moet, want er komt totaal geen initiatief of reactie vanuit de man. Daarnaast is bij [hulpverlening] duidelijk geworden dat er geen draagvlak bij de kinderen is voor contact met de man. De vrouw heeft behoefte aan duidelijkheid en rust, ook voor de kinderen. Het verzoek van de man moet volgens haar worden afgewezen. De vrouw wil de kinderen niet moeten dwingen tot afspraken die zij niet willen. De vrouw benoemt wel dat zij altijd achter het contact tussen de man en de kinderen heeft gestaan en dit ook in de toekomst zal blijven doen als de kinderen hiervoor de ruimte ervaren.
2.5.4
De Raad vindt dat er genoeg is gedaan om contact tussen de man en de kinderen op te bouwen. De man laat het afweten. Hij stuurt geen kaartjes naar de kinderen, schrijft hen geen brief en heeft niet gewerkt aan zijn emotieregulatie. Daarnaast is er geen draagvlak bij de kinderen voor contact met de man. De Raad vindt het daarom niet in hun belang om omgang te forceren. Hopelijk ontstaat er in de toekomst wel mogelijkheden voor dit contact. Voor nu adviseert de Raad het verzoek van de man af te wijzen.
2.5.5
Alles in overweging nemende komt de rechtbank tot het oordeel dat het vaststellen van een omgangsregeling op dit moment niet in het belang van de kinderen is. Hoewel namens de man betwijfeld wordt of er voldoende is ingezet, deelt de rechtbank deze twijfel niet. Partijen zijn tot twee keer toe verwezen naar de hulpverlening om onder begeleiding de man een rol te gunnen in het leven van de kinderen. Deze trajecten zijn niet van de grond gekomen, waardoor het niet gelukt is om resultaten te boeken in de onderlinge verhouding van partijen maar ook niet ten aanzien van het contact van de man met de kinderen. Daarnaast is niet gebleken dat de man gewerkt heeft aan zijn emotieregulatie, hetgeen als doel was gesteld in het kader van de ondertoezichtstelling. Ondanks dat binnen het traject bij [hulpverlening] de afspraak was gemaakt dat de man een brief aan de kinderen zou schrijven en dat hij in contact met hen zou blijven middels het sturen van kaartjes, heeft hij dit niet gedaan. De kinderen laten veel weerstand zien jegens de man en ervaren geen draagkracht voor het contact met hem. De rechtbank is het met de Raad eens dat de man de kansen die hem gegeven zijn om de weerstand van de kinderen enigszins te kunnen verminderen niet heeft gegrepen, zoals bijvoorbeeld de toegezegde kaartjes en herstelbrief. Bij [hulpverlening] hebben de kinderen duidelijk uitgesproken dat zij geen contact willen met de man. De rechtbank acht niet in het belang van de kinderen om met de weerstand, boosheid en angst die zij laten zien het contact met de man te forceren. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man tot het vaststellen van een reguliere omgangsregeling afwijzen.
2.6.
Informatie-/consultatieregeling
2.6.1
Uit het voorgaande volgt dat er voorlopig geen omgang zal plaatsvinden tussen de man en de kinderen. Hoewel de vrouw geen meerwaarde ziet in het vaststellen van een definitieve informatieregeling, acht de rechtbank dit wel in het belang van de kinderen. Door het opleggen van een verplichting aan de vrouw om de man met regelmaat te informeren over de kinderen, blijft de man namelijk betrokken bij de kinderen. Dit biedt hem in de toekomst tevens de mogelijkheid om aan te sluiten bij de kinderen, zodra zij nieuwsgierig worden naar de man en er ruimte ontstaat voor het contact. De rechtbank zal daarom als definitieve informatieregeling bepalen dat de vrouw de man één keer in de drie maanden per e-mail dient te informeren over de kinderen. De rechtbank begrijpt vanuit de vrouw dat de man nooit gereageerd heeft op haar berichten, waardoor zij niet weet of de berichten hem daadwerkelijk bereiken en zo ja, of hij de inhoud van de berichten leest en waardeert. Van de man wordt verwacht dat hij de vrouw (eventueel via zijn advocaat) laat weten welke informatie over de kinderen zijn interesse heeft. De vrouw zal, zoals tijdens de mondelinge behandeling is afgesproken, hiermee voortaan rekening houden in haar berichtgeving naar de man. Het verzoek ten aanzien van het vaststellen van een consultatieregeling zal de rechtbank afwijzen. Zoals uit de voorgaande overwegingen volgt, is er geen contact tussen de man en de kinderen en ontbreekt enige vorm van communicatie tussen partijen, behoudens de informatie die de vrouw aan de man verstrekt conform de voornoemde informatieregeling. De rechtbank is van oordeel dat dit wel een voorwaarde is voor een ouder om zodoende in het kader van te nemen beslissingen een adequate inschatting te kunnen maken van de behoefte van een kind alsmede om met de andere ouder hierover het gesprek aan te gaan. De rechtbank stelt vast dat hier geen sprake van is en het verplichten van vrouw om de man te consulteren ten aanzien van te nemen beslissingen zal in de huidige situatie tot veel onderlinge spanningen leiden, hetgeen de situatie van de kinderen niet ten goede zal komen en waar niet alleen partijen maar ook de kinderen last van zullen ondervinden. De rechtbank acht dan ook in de huidige situatie het vaststellen van een consultatieregeling niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en zal het hiertoe strekkende verzoek afwijzen.
2.7
De rechtbank zal de beslissing ten aanzien van de informatieregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de man. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als daartegen hoger beroep wordt ingesteld.
2.8
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.