Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-09-10
ECLI:NL:RBZWB:2025:6065
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
2,430 tokens
Inleiding
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/422023 / HA ZA 24-225
Vonnis van 10 september 2025
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M.W. Huijzer,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. B.W.P.R. van den Bemt.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 december 2024 met de daarin genoemde stukken;
- productie 16 van [gedaagde] ;
- het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 20 mei 2025;
- de conclusie na enquête van [gedaagde] ;
- de antwoordconclusie na enquête van [eiser] , met producties 17 en 18.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere boordeling
Samenvatting tussenvonnis
2.1.
In het tussenvonnis van 18 december 2024 heeft de rechtbank de vordering van [eiser] met betrekking tot de woning, de spullen, de meeste specifieke overboekingen en het door [eiser] zelf gepinde geld afgewezen. De rechtbank heeft vastgesteld dat [gedaagde] wel nog een bedrag van € 3.400,00 van de borg heeft die hij aan [eiser] moet betalen. Ook heeft de rechtbank [gedaagde] opgedragen te bewijzen dat hij het bedrag van € 50.000,00 en de bedragen van in totaal € 16.500,00 in contanten aan [eiser] heeft gegeven.
Het geleverde bewijs
2.2.
In enquête heeft [gedaagde] [eiser] , zichzelf en [getuige] laten horen als getuige. [eiser] ontkent de bedragen van € 50.000,00 en € 16.500,00 van [gedaagde] te hebben ontvangen, zodat haar verklaring geen bewijs ten gunste van [gedaagde] oplevert. [gedaagde] heeft verklaard bedragen contant aan [eiser] te hebben betaald, op de wijze zoals is weergegeven in onderdeel 3 van zijn conclusie na enquête.
De verklaring van [gedaagde] wordt alleen ten aanzien van een bedrag van € 30.000,00 bevestigd door [getuige] . [getuige] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat [gedaagde] een ongeveer 10 cm dikke stapel van oranjekleurige biljetten van € 50,00 uit zijn jas heeft gehaald en aan [eiser] heeft overhandigd. [eiser] heeft het geld van [gedaagde] aangenomen en in haar jaszak gestopt. [getuige] stond op dat moment in de woonkamer van de woning van [eiser] die leeg gehaald moest worden. Hij was bezig bij het raam en keek van daaruit naar buiten in de tuin. Aan het eind van het pad in de tuin stonden [eiser] en [gedaagde] . [gedaagde] heeft daar de biljetten overhandigd aan [eiser] .
Op grond van deze verklaringen heeft [gedaagde] voldoende bewezen dat hij een bedrag van € 30.000,00 aan [eiser] heeft terugbetaald. Dat hij méér dan € 30.000,00 heeft terugbetaald aan [eiser] acht de rechtbank niet bewezen omdat alleen [gedaagde] hierover verklaart. Volgens artikel 164 Rv (oud) kan de verklaring van een partijgetuige als [gedaagde] alleen bewijs in zijn voordeel opleveren, als de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Hiervan is alleen sprake als er aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken. Dat aanvullend bewijs is er niet.
2.3.
[gedaagde] heeft bij conclusie na enquête nog gesteld, dat zijn verklaring als partijgetuige sinds de recente wijziging van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering vrije bewijskracht heeft. [eiser] stelt terecht dat die wijziging op deze procedure niet van toepassing is. Het nieuwe bewijsrecht is alleen van toepassing op procedures die vanaf 1 januari 2025 zijn gestart. Deze procedure is vóór 1 januari 2025 gestart, zodat die wetswijziging hier niet van toepassing is. Overigens had dat niet geleid tot een andere uitkomst. Het aanvullende bewijs had dan weliswaar niet hoeven te voldoen aan de hiervoor genoemde strenge maatstaf, maar er ontbreekt dan voldoende bewijs die de verklaring van [gedaagde] ondersteunt.
[gedaagde] stelt nog dat enkele door hem genoemde contante betalingen aan [eiser] overeenstemmen met bedragen op bankafschriften. De terugbetaling van (ook) deze bedragen is volgens [gedaagde] bewezen. Echter, het feit dat [gedaagde] deze contante bedragen heeft gepind bij een geldautomaat in de buurt van de woning van [eiser] levert onvoldoende bewijs op dat hij deze bedragen aan [eiser] heeft gegeven. Dit volgt niet automatisch uit het pinnen van het geld, en alleen [gedaagde] heeft verklaard die bedragen aan [eiser] te hebben overhandigd.
2.4.
Naar aanleiding van de conclusie van antwoord in enquête overweegt de rechtbank het volgende. Hoewel [getuige] en [gedaagde] verschillend verklaren over de precieze datum waarop het geld is gegeven (11 of 18 december 2023) verklaren zij beiden dat dit op de dag is gebeurd waarop de eerste container voor de verhuizing kwam. Het moment van het verhuizen is ook door [eiser] genoemd. Zij heeft verklaard dat [getuige] [gedaagde] heeft geholpen bij haar verhuizing op 11 december 2023. [getuige] en [gedaagde] verklaren dus over hetzelfde moment in de tijd en de precieze datum is hierbij niet van belang.
[getuige] heeft verklaard dat hij niet op de dag van overhandiging maar later heeft gevraagd waarom [gedaagde] dat geld aan [eiser] heeft overhandigd. Uit de verklaring van [gedaagde] kan worden opgemaakt dat [getuige] dat meteen heeft gevraagd. Dit verschil is echter geen reden om de verklaringen niet betrouwbaar te achten. Het gaat hier niet om een essentieel feit en een dergelijke ‘ruis’ kan nu eenmaal optreden als verschillende getuigen over eenzelfde gebeurtenis verklaren.
[getuige] heeft een schatting gemaakt van de afstand tussen hem en [gedaagde] op het moment van overhandiging van de bankbiljetten aan [eiser] , die volgens zijn schatting 15 à 20 meter is geweest. Volgens [eiser] is de tuin tussen de 8,6 en 10 meter lang, was het een druilerige dag en lag de woning in de schaduw, zodat [getuige] over een afstand van 15 à 20 meter niet gezien kan hebben dat de stapel bankbiljetten ongeveer 10 cm was. Hiertegenover staat, dat [getuige] heeft verklaard dat hij het lastig vindt de afstand te schatten en dat hij bezig was bij het raam. Als hij bezig is geweest bij het raam zal hij waarschijnlijk op een kortere afstand hebben gestaan dan 15 à 20 meter. Ook als het druilerig was en de woning op dat moment in de schaduw lag, is dat onvoldoende om aan te nemen dat [getuige] onder die omstandigheden niet kan hebben waargenomen dat de stapel bankbiljetten circa 10 cm hoog was en oranje waren. Het gaat hierbij uiteraard om een schatting van de hoogte en de genoemde 10 cm duidt er op, dat het in elk geval om een dikke stapel bankbiljetten gaat, wat kan passen bij een bedrag van (volgens [gedaagde] ) € 30.000,00. Volgens [eiser] zou de stapel dan ongeveer 6 cm hoog moeten zijn geweest, maar ook dan is er sprake van een dikke stapel. Dit doet dan ook geen afbreuk aan de verklaring van [getuige] . Evenmin is aannemelijk gemaakt dat de oranje kleur van de stapel bankbiljetten niet onder de gegeven omstandigheden kon worden waargenomen. Dat volgens [eiser] dan alleen nog het bovenste biljet als oranje kan worden waargenomen is niet aannemelijk. Een stapel als geheel kan ook een oranje kleur hebben.
[eiser] stelt nog dat de verklaring van [getuige] onbetrouwbaar is en hij is geïnstrueerd door [gedaagde] . De rechtbank heeft die indruk niet gekregen. Eventueel had de advocaat van [eiser] hierover nog vragen kunnen stellen aan deze getuigen tijdens het getuigenverhoor, maar hij is daarbij niet aanwezig geweest.
Gevolgen bewijslevering
2.5.
Zoals hiervoor overwogen, heeft [gedaagde] alleen bewezen een bedrag van € 30.000,00 te hebben terugbetaald aan [eiser] . Dit betekent dat hij nog een bedrag van (in hoofdsom) € 36.500 aan [eiser] moet betalen. [gedaagde] zal worden veroordeeld dit bedrag aan [eiser] te betalen.
Het bedrag van de borg
2.6.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat [gedaagde] nog een bedrag van € 3.400 van de borg heeft die hij aan [eiser] moet betalen.
Dictum
De rechtbank
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 36.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek vanaf 16 april 2024;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.588,83 als beslagkosten;
3.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Römers en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2025.
HR 31 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1688
Zie artikel XIIA van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht, Stb. 2024, 62.