Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-09-09
ECLI:NL:RBZWB:2025:6019
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,924 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/1951
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser
(gemachtigde: mr. N.J.M. Beelaerts van [organisatie]),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere, het college.
Samenvatting
1. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser tegen het besluit van het college om de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit buiten behandeling te stellen. De rechtbank doet dit aan de hand van de door eiser aangevoerde beroepsgronden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen gelijk krijgt en het beroep dus ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiser heeft een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit aangevraagd. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 3 augustus 2023 buitenbehandeling gesteld. Met de beslissing van 8 januari 2024 op het bezwaar van eiser (bestreden besluit I) is het college bij de buitenbehandelingstelling gebleven. Eiser heeft tegen dit bestreden besluit I beroep ingesteld.
2.1.
Op 2 april 2024 heeft het college een nieuw besluit genomen (bestreden besluit II). In bestreden besluit II herroept het college het primaire besluit en stelt het bestreden besluit II hiervoor in de plaats.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben aan de kant van eiser deelgenomen: [eiser], vergezeld door [naam 1], en mr. N.J.M. Beelaerts van [organisatie]. Namens verweerder zijn op zitting verschenen: [naam 2] en [naam 3].
2.3.
De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.
Beoordeling
Wat zijn de feiten?
3. Eiser heeft op 1 mei 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor een bouwactiviteit ten behoeve van de bouw van een recreatiewoning en het aanpassen van een bestaande woning. Ter zitting is gebleken dat het de bedoeling is om de recreatiewoning aan het einde van de percelen van [adres 1] en [adres 2] te bouwen, in de achtertuin.
3.1.
Het college heeft op 10 mei 2023 in een brief aangegeven dat de reguliere procedure gevolgd wordt, waardoor het college op grond van artikel 3.9, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) een termijn van acht weken krijgt om op de aanvraag te beslissen.
3.2.
Het college heeft eiser op 14 juni 2023 per brief, met verzenddatum 23 juni 2023, verzocht de aanvraag binnen zes weken aan te vullen, omdat een aantal gegevens ontbrak voor een goede beoordeling van de aanvraag. Met toepassing van artikel 4:15, eerste lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het college in deze brief de beslistermijn van acht weken opgeschort tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
3.3.
Eiser heeft op 16 juli 2023 in een e-mail aanvullende gegevens verstrekt aan het college.
3.4.
Het college heeft op 4 augustus 2023 op grond van artikel 4:5, eerste lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het besluit genomen om de aanvraag niet in behandeling te nemen (het primaire besluit). De reden die het college hiervoor heeft opgegeven is dat het bepaalde gegevens van eiser niet ontvangen heeft.
3.5.
Eiser heeft op 16 augustus 2023 een brief gestuurd naar het college waarin hij stelt recht te hebben op een vergunning van rechtswege.
3.6.
Op 29 augustus 2023 is eiser in bezwaar gegaan tegen het primaire besluit. Het college heeft op 9 januari 2024 een beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit I). In dit besluit heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Het primaire besluit is dan ook in stand gelaten. Eiser heeft op 13 februari 2024 beroep ingesteld tegen bestreden besluit I.
3.7.
Op 2 april 2024 heeft het college een reparatiebesluit genomen (bestreden besluit II). Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van eiser van rechtswege mede betrekking op dit besluit. In bestreden besluit II herroept het college het primaire besluit en stelt het bestreden besluit II hiervoor in de plaats. Het college biedt in dit besluit eiser daarnaast de mogelijkheid om binnen een termijn van twaalf weken alsnog de ontbrekende stukken in te dienen.
Ontvankelijkheid van het beroep tegen bestreden besluit I
4. Niet is gebleken dat eiser nog belang heeft bij een beoordeling van bestreden besluit I. Het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit I zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Alleen het beroep tegen bestreden besluit II zal hierna worden besproken.
Welke beroepsgronden voert eiser aan?
5. Eiser meent dat de omgevingsvergunning van rechtswege is verleend. Ook doet eiser een beroep op het gelijkheidsbeginsel.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Het wettelijk kader
6. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo.
6.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is ingediend op 1 mei 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
6.2.
Artikel 3.9, eerste lid, van de Wabo bepaalt dat het bevoegd gezag binnen acht weken beslist op de aanvraag om een omgevingsvergunning na de datum van ontvangst van de aanvraag.
6.3.
In het derde lid van artikel 3.9 van de Wabo staat het volgende: paragraaf. 4.1.3.3 van de Awb is, met uitzondering van de artikelen 4:20b, derde lid, en 4:20f, van toepassing op de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën gevallen worden aangewezen waarin de voorbereiding van de beslissing op een aanvraag wegens strijd met een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie is uitgezonderd van de toepassing van de eerste volzin.
6.4.
Uit artikel 4:20b, eerste lid, van de Awb volgt dat de gevraagde beschikking van rechtswege gegeven wordt indien niet tijdig op de aanvraag tot het geven van de beschikking is beslist.
6.5.
In artikel 4:5, eerste lid, onder c van de Awb staat dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.
6.6.
Artikel 4:15, eerste lid, onder a, van de Awb bepaalt dat de termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag na die waarop het bestuursorgaan de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Awb uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
Is er een vergunning van rechtswege ontstaan?
7. In de brief van het college van 10 mei 2023, waarin de ontvangst van de aanvraag wordt bevestigd, staat dat voor de behandeling van de aanvraag de reguliere procedure wordt gevolgd en dat het college op grond van artikel 3.9, eerste lid, van de Wabo daarom voor de behandeling acht weken de tijd heeft. In deze brief is er ook op gewezen dat de termijn met zes weken mag worden verlengd als het niet lukt om de aanvraag binnen acht weken te behandelen. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de beslistermijn van het college in beginsel eindigt op 26 juni 2023.
7.1.
Op 14 juni 2023 heeft het college eiser verzocht de aanvraag binnen zes weken aan te vullen, omdat de aanvraag niet compleet was. Een dergelijk verzoek schorst op grond van artikel 4:15, eerste lid, onder a, van de Awb de beslistermijn van het college met ingang van de dag na die van het verzoek.
7.2.
De rechtbank constateert dat dit verzoek pas per brief verzonden is op 23 juni 2023. De rechtbank is daarom van oordeel dat de opschorting van de beslistermijn pas vanaf 24 juni 2023 is ingegaan.
7.3.
Op basis van artikel 4:15, eerste lid, onder a, van de Awb begint de beslistermijn na opschorting weer te lopen wanneer de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
7.4.
Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) eerder heeft overwogen, is een aanvraag om een omgevingsvergunning pas aangevuld in de zin van artikel 4:15, eerste lid, onder a, van de Awb als alle door het bestuursorgaan op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb gevraagde aanvullende gegevens zijn aangeleverd.
7.5.
Eiser heeft op 16 juli 2023 aanvullende gegevens verstrekt.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit II in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J. Janzing, griffier, op 9 september 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
De Afdeling 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3150.
Dit volgt onder andere uit de Afdeling 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3150.
Rb. Zeeland-West-Brabant 15 augustus 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:5584.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/1951
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser
(gemachtigde: mr. N.J.M. Beelaerts van [organisatie]),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere, het college.
Samenvatting
1. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser tegen het besluit van het college om de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit buiten behandeling te stellen. De rechtbank doet dit aan de hand van de door eiser aangevoerde beroepsgronden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen gelijk krijgt en het beroep dus ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiser heeft een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit aangevraagd. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 3 augustus 2023 buitenbehandeling gesteld. Met de beslissing van 8 januari 2024 op het bezwaar van eiser (bestreden besluit I) is het college bij de buitenbehandelingstelling gebleven. Eiser heeft tegen dit bestreden besluit I beroep ingesteld.
2.1.
Op 2 april 2024 heeft het college een nieuw besluit genomen (bestreden besluit II). In bestreden besluit II herroept het college het primaire besluit en stelt het bestreden besluit II hiervoor in de plaats.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben aan de kant van eiser deelgenomen: [eiser], vergezeld door [naam 1], en mr. N.J.M. Beelaerts van [organisatie]. Namens verweerder zijn op zitting verschenen: [naam 2] en [naam 3].
2.3.
De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.
Beoordeling
Wat zijn de feiten?
3. Eiser heeft op 1 mei 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor een bouwactiviteit ten behoeve van de bouw van een recreatiewoning en het aanpassen van een bestaande woning. Ter zitting is gebleken dat het de bedoeling is om de recreatiewoning aan het einde van de percelen van [adres 1] en [adres 2] te bouwen, in de achtertuin.
3.1.
Het college heeft op 10 mei 2023 in een brief aangegeven dat de reguliere procedure gevolgd wordt, waardoor het college op grond van artikel 3.9, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) een termijn van acht weken krijgt om op de aanvraag te beslissen.
3.2.
Het college heeft eiser op 14 juni 2023 per brief, met verzenddatum 23 juni 2023, verzocht de aanvraag binnen zes weken aan te vullen, omdat een aantal gegevens ontbrak voor een goede beoordeling van de aanvraag. Met toepassing van artikel 4:15, eerste lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het college in deze brief de beslistermijn van acht weken opgeschort tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
3.3.
Eiser heeft op 16 juli 2023 in een e-mail aanvullende gegevens verstrekt aan het college.
3.4.
Het college heeft op 4 augustus 2023 op grond van artikel 4:5, eerste lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het besluit genomen om de aanvraag niet in behandeling te nemen (het primaire besluit). De reden die het college hiervoor heeft opgegeven is dat het bepaalde gegevens van eiser niet ontvangen heeft.
3.5.
Eiser heeft op 16 augustus 2023 een brief gestuurd naar het college waarin hij stelt recht te hebben op een vergunning van rechtswege.
3.6.
Op 29 augustus 2023 is eiser in bezwaar gegaan tegen het primaire besluit. Het college heeft op 9 januari 2024 een beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit I). In dit besluit heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Het primaire besluit is dan ook in stand gelaten. Eiser heeft op 13 februari 2024 beroep ingesteld tegen bestreden besluit I.
3.7.
Op 2 april 2024 heeft het college een reparatiebesluit genomen (bestreden besluit II). Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van eiser van rechtswege mede betrekking op dit besluit. In bestreden besluit II herroept het college het primaire besluit en stelt het bestreden besluit II hiervoor in de plaats. Het college biedt in dit besluit eiser daarnaast de mogelijkheid om binnen een termijn van twaalf weken alsnog de ontbrekende stukken in te dienen.
Ontvankelijkheid van het beroep tegen bestreden besluit I
4. Niet is gebleken dat eiser nog belang heeft bij een beoordeling van bestreden besluit I. Het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit I zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Alleen het beroep tegen bestreden besluit II zal hierna worden besproken.
Welke beroepsgronden voert eiser aan?
5. Eiser meent dat de omgevingsvergunning van rechtswege is verleend. Ook doet eiser een beroep op het gelijkheidsbeginsel.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Het wettelijk kader
6. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo.
6.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is ingediend op 1 mei 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
6.2.
Artikel 3.9, eerste lid, van de Wabo bepaalt dat het bevoegd gezag binnen acht weken beslist op de aanvraag om een omgevingsvergunning na de datum van ontvangst van de aanvraag.
6.3.
In het derde lid van artikel 3.9 van de Wabo staat het volgende: paragraaf. 4.1.3.3 van de Awb is, met uitzondering van de artikelen 4:20b, derde lid, en 4:20f, van toepassing op de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën gevallen worden aangewezen waarin de voorbereiding van de beslissing op een aanvraag wegens strijd met een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie is uitgezonderd van de toepassing van de eerste volzin.
6.4.
Uit artikel 4:20b, eerste lid, van de Awb volgt dat de gevraagde beschikking van rechtswege gegeven wordt indien niet tijdig op de aanvraag tot het geven van de beschikking is beslist.
6.5.
In artikel 4:5, eerste lid, onder c van de Awb staat dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.
6.6.
Artikel 4:15, eerste lid, onder a, van de Awb bepaalt dat de termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag na die waarop het bestuursorgaan de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Awb uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
Is er een vergunning van rechtswege ontstaan?
7. In de brief van het college van 10 mei 2023, waarin de ontvangst van de aanvraag wordt bevestigd, staat dat voor de behandeling van de aanvraag de reguliere procedure wordt gevolgd en dat het college op grond van artikel 3.9, eerste lid, van de Wabo daarom voor de behandeling acht weken de tijd heeft. In deze brief is er ook op gewezen dat de termijn met zes weken mag worden verlengd als het niet lukt om de aanvraag binnen acht weken te behandelen. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de beslistermijn van het college in beginsel eindigt op 26 juni 2023.
7.1.
Op 14 juni 2023 heeft het college eiser verzocht de aanvraag binnen zes weken aan te vullen, omdat de aanvraag niet compleet was. Een dergelijk verzoek schorst op grond van artikel 4:15, eerste lid, onder a, van de Awb de beslistermijn van het college met ingang van de dag na die van het verzoek.
7.2.
De rechtbank constateert dat dit verzoek pas per brief verzonden is op 23 juni 2023. De rechtbank is daarom van oordeel dat de opschorting van de beslistermijn pas vanaf 24 juni 2023 is ingegaan.
7.3.
Op basis van artikel 4:15, eerste lid, onder a, van de Awb begint de beslistermijn na opschorting weer te lopen wanneer de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
7.4.
Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) eerder heeft overwogen, is een aanvraag om een omgevingsvergunning pas aangevuld in de zin van artikel 4:15, eerste lid, onder a, van de Awb als alle door het bestuursorgaan op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb gevraagde aanvullende gegevens zijn aangeleverd.
7.5.
Eiser heeft op 16 juli 2023 aanvullende gegevens verstrekt.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit II in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J. Janzing, griffier, op 9 september 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
De Afdeling 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3150.
Dit volgt onder andere uit de Afdeling 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3150.
Rb. Zeeland-West-Brabant 15 augustus 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:5584.