Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-01-08
ECLI:NL:RBZWB:2025:60
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,220 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/7665
uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 januari 2025 in de zaak tussen
[verzoeker], uit 's-[plaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. M.A.W. Nillesen),
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tholen, het college, verweerder
(gemachtigde: mr. B. Roozendaal).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker in verband met de opname van zijn personalia in het Register Paspoortsignaleringen (RPS).
1.1.
Het college heeft de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (RvI) bij besluit van 5 augustus 2024 (het bestreden besluit), verzonden op 13 augustus 2024, verzocht om verzoekers personalia op te nemen in het RPS. Bij brief van 14 augustus 2024 heeft de RvI laten weten dat de gegevens in het RPS zijn opgenomen.
1.2.
Verzoeker is bekend geraakt met het bestreden besluit toen zijn paspoort op 24 oktober 2024 werd ingenomen op Schiphol. Vervolgens heeft hij bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Ook heeft hij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 december 2024 in Middelburg op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, mr. S.A.C. de Ridder als waarnemer van de gemachtigde van verzoeker, en de gemachtigde van het college.
Beoordeling
2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om een voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol.
4. De griffier heeft aan verzoeker gevraagd het spoedeisend belang nader toe te lichten. In reactie daarop heeft verzoeker in een stuk van 21 november 2024 aangevoerd dat hij in het kader van zijn werk frequent moet afreizen naar Zwitserland. Doordat hij daar zonder zijn paspoort niet naartoe kan, dreigt hij zijn werkvisum te verliezen. Verder stelt verzoeker dat de continuïteit van de onderneming waarvoor hij werkzaam is wordt bedreigd, omdat hij in Zwitserland moet zijn om zaken bij de bank te regelen en stukken te ondertekenen. Dat is nu niet mogelijk. Ook kan verzoeker geen nieuwe projecten opstarten. Dit leidt tot reputatieschade, waardoor zakenpartners zich terugtrekken. Verzoeker heeft zijn werkzaamheden voor de onderneming in een brief aan de rechtbank nader toegelicht.
5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is met de gegeven toelichting onvoldoende gebleken dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij een voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter. In het stuk van 21 november 2024 en de bijgevoegde brief van verzoeker is namelijk enkel sprake van niet onderbouwde stellingen. Zo heeft verzoeker geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij voor zijn werkvisum een minimaal aantal dagen per jaar fysiek aanwezig dient te zijn in Zwitserland. Ook heeft hij geen enkel stuk overgelegd waaruit zijn gestelde rol binnen de onderneming blijkt, waardoor ook niet gevolgd kan worden dat hij voor zijn werkzaamheden in Zwitserland aanwezig dient te zijn. Tot slot zijn er geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat er over verzoekers reizen tussen Nederland en Zwitserland afspraken zijn gemaakt met het Openbaar Ministerie in het kader van een strafzaak, zoals hij ter zitting wel heeft gesteld.
6. Uit het voorgaande volgt dat onvoldoende is gebleken dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij een voorlopig oordeel over het bestreden besluit. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier op 8 januari 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.