Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-06-12
ECLI:NL:RBZWB:2025:5952
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Beschikking
1,953 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer / rekestnummer: 11328830 \ OV VERZ 24-5888
Beschikking van
12
juni 2025
in de zaak van
1 [verzoeker 1] ,
te [plaats 1] ,2. [verzoeker 2],
te [plaats 1] ,3. [verzoeker 3],
te [plaats 2] ,
verzoekende partijen,
hierna samen te noemen: [verzoekers 1 en 2] en [verzoeker 3] ,
gemachtigde: mr. T.M. Schraven,
tegen
[verweerder]
,
te [plaats 3] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. T.G.G. Raijmakers.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de tussenbeschikking van 2 april 2025
- de akte van [verzoekers 1 en 2] en [verzoeker 3] van 29 april 2025
- de akte van [verweerder] van 30 april 2025
- de (antwoord)akte van [verzoekers 1 en 2] en [verzoeker 3] van 28 mei 2025.
2De verdere beoordeling
In het incident
2.1.
In de (eerdere) tussenbeschikking van 30 januari 2025 heeft de kantonrechter overwogen dat hij voldoende aanleiding ziet om [verweerder] tijdelijk – voor de duur van het geding – te vervangen door een onafhankelijke derde wat betreft het beheer van de administratie en alle andere (beheers)taken die [verweerder] heeft en uitvoert in het kader van de overeengekomen beheersregeling.
2.2.
Vervolgens heeft de kantonrechter in de tussenbeschikking van 2 april 2025 overwogen dat [organisatie] bereid is om voormelde taak op zich te nemen. Daarbij heeft de kantonrechter met verwijzing naar een brief van [organisatie] van 4 maart 2025 overwogen dat [organisatie] nog geen kostenopgave kan doen, aangezien [organisatie] nog geen inzage heeft in de huurrechtelijke, commerciële en technische toestand van de vastgoedportefeuille. De kantonrechter heeft de zaak in de beschikking van 2 april 2025 vier weken aangehouden om partijen de gelegenheid te geven om te reageren op het voorstel om [organisatie] als onafhankelijke derde aan te stellen ter vervanging van [verweerder] als beheerder voor de duur van het geding.
2.3.
[verzoekers 1 en 2] en [verzoeker 3] hebben bij akte bericht dat zij in beginsel menen dat [organisatie] geschikt zou kunnen zijn om het beheer – tijdelijk – over te nemen, maar dat zij nog wel de behoefte hebben om een afspraak te maken met [organisatie] over onder andere de vergoeding. [verweerder] heeft bij akte bericht dat hij hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikkingen van 30 januari 2025 en 2 april 2025. Volgens [verweerder] kan [organisatie] niet als (tijdelijke) vervanger van [verweerder] aangesteld worden wegens de schorsende werking van het hoger beroep. Verder maakt [verweerder] tegen [organisatie] als tijdelijke beheerder geen bezwaar. Bij (antwoord)akte hebben [verzoekers 1 en 2] en [verzoeker 3] bericht dat het ingestelde hoger beroep volgens hen niet verhindert dat [organisatie] als tijdelijke beheerder wordt aangesteld.
2.4.
De kantonrechter is van oordeel dat [organisatie] als tijdelijke beheerder aangesteld kan worden, ondanks het door [verweerder] ingestelde hoger beroep tegen de beschikkingen van 30 januari 2025 en 2 april 2025. Daarbij is met name van belang dat in voormelde beschikkingen slechts is beslist dat de zaak wordt aangehouden voor uitlating partijen voor het gezamenlijk aandragen van een onafhankelijke derde respectievelijk dat de zaak wordt aangehouden voor uitlating partijen over het voorstel van de kantonrechter om [organisatie] als tijdelijke beheerder aan te stellen. (Pas) in deze beschikking zal de kantonrechter beslissen dat [organisatie] als tijdelijke beheerder wordt aangesteld. Of partijen van die beslissing in hoger beroep kunnen, is aan de appelrechter.
2.5.
In dat kader is nog van belang dat [verzoekers 1 en 2] en [verzoeker 3] hebben verzocht om de beslissing in het incident uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De kantonrechter zal dat verzoek toewijzen. [verweerder] heeft immers geen verweer gevoerd tegen de verzochte uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Bovendien volgt uit de beschikking van 30 januari 2025 dat [verzoekers 1 en 2] en [verzoeker 3] voldoende belang hebben bij de verzochte uitvoerbaarheid bij voorraad. Zo staat daarin dat de kantonrechter in de geconstateerde onenigheden tussen partijen en verwijten richting [verweerder] aanleiding ziet om [verweerder] als beheerder tijdelijk te vervangen door een onafhankelijke derde. Aangezien het beheer ook gedurende deze procedure wel gevoerd zal moeten worden hebben [verzoekers 1 en 2] en [verzoeker 3] voldoende belang bij een uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
2.6.
Gelet op het voorgaande en de eerdere (tussen)beschikkingen zal de kantonrechter in deze beschikking – uitvoerbaar bij voorraad – bepalen dat de beheersregeling gewijzigd zal worden en wel zodanig dat [verweerder] tijdelijk – voor de duur van het geding – wordt vervangen door [organisatie] wat betreft het beheer van de administratie en alle andere (beheers)taken die [verweerder] heeft en uitvoert in het kader van de overeengekomen beheersregeling. Daarbij overweegt de kantonrechter dat van partijen en [organisatie] wordt verlangd dat zij op korte termijn, binnen vier weken na de dag van deze beschikking, afspraken maken over de vergoeding van [organisatie] en voor de uitvoering van het beheer door [organisatie] noodzakelijke c.q. relevante informatie uitwisselen.
2.7.
[verweerder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verzoekers 1 en 2] en [verzoeker 3] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
542,00
(2 punten × € 271,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
677,00
Dictum
De kantonrechter
In het incident
3.1.
stelt [organisatie] aan om [verweerder] tijdelijk – voor de duur van het geding – te vervangen wat betreft het beheer van de administratie en alle andere (beheers)taken die [verweerder] heeft en uitvoert in het kader van de overeengekomen beheersregeling met inachtneming van het overwogene onder 2.6. van deze beschikking;
3.2.
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 677,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2025.