Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-03-19
ECLI:NL:RBZWB:2025:5947
Civiel recht; Arbeidsrecht
Bodemzaak
7,518 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11347407 \ CV EXPL 24-5126
Vonnis van 19 maart 2025
in de zaak van
[werknemer]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. A.C. van Langen,
tegen
[werkgever] B.V.,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: mr. S.J.M. Stoop.
1De zaak in het kort
Partijen verschillen van mening over de vraag of [werknemer] als werknemer studiekosten en kosten van vermist gereedschap aan zijn [werkgever] moet (terug)betalen. De kantonrechter is van oordeel dat het studiekostenbeding tussen partijen in beginsel rechtsgeldig is, maar dat de redelijkheid en billijkheid en de eisen van goed werkgeverschap meebrengen dat een deel van de studiekosten niet terugbetaald hoeft te worden. Verder is de kantonrechter van oordeel dat [werknemer] de kosten van het vermiste gereedschap moet betalen, maar wel met een correctie wegens ‘nieuw voor oud’. Hieronder legt de kantonrechter dit oordeel nader uit.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 27 november 2024
- de conclusie van antwoord in reconventie- het bericht van 24 januari 2025 met productie(s) van [werkgever]- de mondelinge behandeling van 5 februari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [werkgever] .
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
3.1.
Op 4 april 2022 is [werknemer] bij [werkgever] in dienst getreden als leerling-monteur. De betreffende arbeidsovereenkomst (hierna te noemen: de arbeidsovereenkomst) liep in eerste instantie tot 31 oktober 2022 waarna deze is verlengd tot 1 mei 2024 met een tussentijdse opzeggingsmogelijkheid voor beide partijen.
3.2.
In de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat deze is gekoppeld aan de tegelijkertijd afgesloten leerovereenkomst. Daarnaast hebben partijen een studiekostenovereenkomst gesloten, waarin onder meer is opgenomen dat [werknemer] de opleiding Eerste monteur elektronische installaties Woning & Utiliteit gaat volgen en dat bij uitdiensttreding de terugbetalingsregeling conform het personeelshandboek van toepassing is betreffende het collegegeld, lesmateriaal, scholingsuren, licentiekosten en boeken.
3.3.
[werknemer] heeft de arbeidsovereenkomst op 22 februari 2024 opgezegd per 1 april 2024. Vervolgens heeft [werkgever] de eindafrekening opgesteld, waaruit volgt dat [werknemer] nog recht had op een netto bedrag van € 1.660,10 aan vakantiedagen en vakantiegeld. [werkgever] heeft dat bedrag echter niet uitgekeerd, maar verrekend.
3.4.
Op 4 april 2024 heeft [werkgever] [werknemer] een factuur gestuurd, waarin € 5.794,08 aan studiekosten (€ 1.850,75 ‘Eerste monteur elektrotechnische installatie woning en utiliteit (KW1C)’ en € 3.943,33 ‘BBL-uren’) in rekening wordt gebracht. Verder staat op de factuur vermeld dat € 1.660,10 zal worden verrekend met de eindafrekening en dat het restantbedrag van € 4.133,98 (€ 5.794,08 - € 1.660,10) door [werknemer] overgemaakt moest worden op het bankrekeningnummer van [werkgever] .
3.5.
Bij factuur van 1 mei 2024 heeft [werkgever] een bedrag van € 140,48 bij [werknemer] in rekening gebracht met als omschrijving ‘vermist materiaal laser multilijn incl. statief).
Geschil
in conventie
4.1.
[werknemer] vordert – samengevat – veroordeling van [werkgever] tot betaling van € 2.490,00 (€ 1.660,00 ter zake van de eindafrekening en € 830,00 aan wettelijke verhoging), te vermeerderen met de wettelijke rente en een verklaring voor recht dat er geen grond is om studiekosten en kosten van vermist materiaal op [werknemer] te verhalen.
4.2.
[werkgever] voert verweer. [werkgever] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [werknemer] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [werknemer] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [werknemer] in de kosten van deze procedure.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
4.4.
[werkgever] vordert - samengevat - veroordeling van [werknemer] tot betaling van € 4.274,46, vermeerderd met rente en kosten.
4.5.
[werknemer] voert verweer. [werknemer] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [werkgever] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [werkgever] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [werkgever] in de kosten van deze procedure.
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
in conventie
Studiekosten
5.1.
Primair beroept [werknemer] zich op nietigheid van het studiekostenbeding op grond waarvan [werkgever] de studiekosten van € 5.794,08 niet kan terugvorderen.
5.2.
Eerst zal de kantonrechter beoordelen of het studiekostenbeding op grond van artikel 7:611a BW nietig is. [werknemer] was bij [werkgever] in dienst als leerling-monteur. In de betreffende arbeidsovereenkomst is opgenomen dat deze gekoppeld is aan de tegelijkertijd afgesloten leerovereenkomst voor de opleiding tot Eerste monteur elektronische installaties Woning & Utiliteit. De kantonrechter is van oordeel dat deze opleiding noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie van [werknemer] . Dat brengt op grond van artikel 7:611a BW mee dat de betreffende opleiding in beginsel kosteloos aangebonden moet worden. Echter, uit EU-richtlijn 2019/1152 (met name overweging 37) en de memorie van toelichting bij de implementatiewetgeving leidt de kantonrechter af dat dit uitgangspunt (noodzakelijke opleiding, dus kosteloos) niet geldt voor onder andere beroepsopleidingen. De opleiding tot Eerste monteur elektronische installaties Woning & Utiliteit is een BBL-opleiding (Beroeps Begeleidende Leerweg), waarbij de werknemer/scholier werkt en leert tegelijkertijd. Dat blijkt ook uit de arbeidsovereenkomst van [werknemer] . De arbeidsovereenkomst en leerovereenkomst van [werknemer] waren onlosmakelijk met elkaar verbonden en naar het oordeel van de kantonrechter is er dan ook sprake van een beroepsopleiding, waarvoor een studiekostenbeding niet nietig is op grond van artikel 7:611a BW.
5.3.
Gelet op het voorgaande was [werkgever] dus bevoegd om afspraken met [werknemer] te maken over een eventuele terugbetaling van de studiekosten. Deze bevoegdheid is echter niet onbeperkt, maar wordt begrensd door onder andere de eisen van goed werkgeverschap als bedoeld in artikel 7:611 BW en de norm van redelijkheid en billijkheid zoals genoemd in artikel 6:248 BW.
5.4.
De Hoge Raad heeft over de (loon)terugbetalingsverplichting op 10 juni 1983 een richtinggevend arrest gewezen. Kort gezegd bepaalt de Hoge Raad daarin dat voor de rechtsgeldigheid van een terugbetalingsregeling onder meer van belang is dat de periode wordt vastgesteld waarin werkgever baat heeft van de kennis en vaardigheden die werknemer tijdens zijn studie heeft verworven en dat er sprake is van een trapsgewijze afbouw van de terugbetalingsverplichting. In de studiekostenovereenkomst die partijen hebben gesloten is opgenomen dat bij uitdiensttreding de terugbetalingsregeling conform het personeelshandboek van toepassing is betreffende het collegegeld, lesmateriaal, scholingsuren, licentiekosten en boeken. Verder is in het betreffende personeelshandboek een afbouwregeling opgenomen die als volgt luidt:
Einde dienstverband tijdens de scholing of wanneer scholing niet succesvol afgerond is:
o 100% terugbetalen;
Einde dienstverband binnen één jaar na beëindiging van de scholing:
o 75% terugbetalen
Einde dienstverband binnen twee jaar na beëindiging van de scholing:
o 50% terugbetalen
Einde dienstverband binnen drie jaar na beëindiging van de scholing:
o 25% terugbetalen
Einde dienstverband na drie jaar na beëindiging van de scholing:
o 0% terugbetalen.
Hiermee voldoet de studiekostenregeling die partijen overeengekomen zijn naar het oordeel van de kantonrechter aan voormelde eisen uit het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 1983.
5.5.
In voormeld arrest overweegt de Hoge Raad echter ook nog dat een verplichting tot terugbetaling van de reeds gedurende de studieperiode ontvangen loonbedragen alleen aan de orde kan zijn als dit ingrijpende gevolg duidelijk aan werknemer is uiteengezet. Dit sluit ook aan bij het bepaalde in de eerdergenoemde artikelen 7:611 BW en 6:248 BW. In dit kader erkent [werknemer] dat de studiekostenovereenkomst en de relevante bepalingen in het personeelshandboek vooraf met hem besproken zijn. Desondanks stelt [werknemer] dat het voor hem bij aanvang niet duidelijk was dat hij ook (het ontvangen loon over) alle scholingsuren zou moeten terugbetalen. Bovendien stelt [werknemer] dat [werkgever] hem hierop ook niet heeft gewezen op het moment dat [werknemer] de arbeidsovereenkomst opzegde. De kantonrechter oordeelt hierover als volgt.
5.6.
Dat (ook) de scholingsuren onderdeel uitmaken van de terugbetalingsregeling staat op papier in zowel de studiekostenovereenkomst als het personeelshandboek. Verder staat vast dat er voor aanvang van de arbeids- en leerovereenkomst is gesproken over de studiekostenregeling, maar of [werknemer] er expliciet op gewezen is dat mogelijk ook (alle) scholingsuren terugbetaald moeten worden, kon [werkgever] desgevraagd niet met zekerheid zeggen en wordt door [werknemer] betwist. Tot slot staat vast dat [werkgever] naar aanleiding van de opzegging geen (exit)gesprek met [werknemer] heeft gevoerd. [werkgever] heeft [werknemer] dan ook niet gewezen op de gevolgen van de opzegging voor de terugbetaling van de studiekosten, waaronder de scholingsuren.
5.7.
Op grond van al het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de eisen van goed werkgeverschap en de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat [werknemer] niet verplicht kan worden om de volledige scholingsuren terug te betalen. Daarvoor heeft [werkgever] [werknemer] , die zelf het oplopen van het met de scholingsuren corresponderende loon niet heeft kunnen monitoren, in de gegeven omstandigheden van het geval onvoldoende gewezen op het ingrijpende gevolg dat bij opzegging (mogelijk) ook alle reeds ontvangen loonbedragen over de scholingsuren terugbetaald moeten worden. Dit gebrek rechtvaardigt naar het oordeel van de kantonrechter dat [werknemer] wat betreft de scholingsuren slechts een terugbetalingsplicht heeft voor een kwart van het loon dat hij hierover heeft ontvangen, zijnde € 985,83 (€ 3.943,33 / 4). Daarnaast dient [werknemer] de overige studiekosten van € 1.850,75 terug te betalen. Dit geldt temeer als redelijke en billijke uitkomst, nu [werkgever] blijkens haar website – zoals besproken ter zitting – haar beleid heeft gewijzigd in die zin dat BBL’ers die na 31 augustus 2023 aan het BBL-traject zijn gestart bij vroegtijdige uitdiensttreding niet meer alle kosten hoeven terug te betalen, maar alleen het jaarlijkse collegegeld en de kosten van boeken en licenties (en dus niet de scholingsuren). Weliswaar is [werknemer] zijn BBL-opleiding al voor 31 augustus 2023 gestart, zodat het gewijzigde beleid niet rechtstreeks op hem van toepassing is, maar dat staat er niet aan in de weg dat de kantonrechter het kan meewegen bij de toepassing van de artikelen 7:611 BW en 6:248 BW.
5.8.
Gelet op het voorgaande dient [werknemer] aan studiekosten een totaalbedrag van € 2.836,58 (€ 985,83 + € 1.850,75) terug te betalen. Daarvan heeft [werkgever] al € 1.660,10 verrekend met de eindafrekening. Dat betekent dat [werknemer] ter zake van studiekosten nog een bedrag van € 1.176,48 (€ 2.836,58 - € 1.660,10) aan [werkgever] verschuldigd is.
Materiaalkosten
5.9.
[werknemer] erkent dat [werkgever] aan hem ten behoeve van zijn werkzaamheden een Laser Multilijn inclusief statief ter beschikking heeft gesteld. Ook erkent [werknemer] dat hij dit gereedschap bij het einde van de arbeidsovereenkomst niet heeft ingeleverd. [werknemer] stelt hierover dat hij het betreffende gereedschap heeft uitgeleend en niet meer heeft teruggekregen. In het personeelshandboek – waarnaar ook wordt verwezen in de arbeidsovereenkomst – staat hierover onder meer dat werknemers zelf verantwoordelijk zijn voor het gereedschap dat ze in bezit hebben en dat uitlenen zo veel mogelijk beperkt moet worden. Als gereedschap toch wordt uitgeleend, moet de ontvanger daarvoor tekenen.
Dictum
De kantonrechter
in conventie
6.1.
wijst de vorderingen van [werknemer] af,
6.2.
veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van € 595,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
6.4.
veroordeelt [werknemer] om aan [werkgever] te betalen een bedrag van € 1.251,48, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover met ingang van 13 november 2024 tot de dag van (volledige) betaling,
6.5.
veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van € 204,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in conventie en in reconventie
6.8.
veroordeelt [werknemer] tot betaling van de kosten van betekening als [werknemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2025.
Kamerstukken II 2021/22, 35962, nr. 3, p. 11
ECLI:NL:HR:1983:AC2816
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11347407 \ CV EXPL 24-5126
Vonnis van 19 maart 2025
in de zaak van
[werknemer]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. A.C. van Langen,
tegen
[werkgever] B.V.,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: mr. S.J.M. Stoop.
1De zaak in het kort
Partijen verschillen van mening over de vraag of [werknemer] als werknemer studiekosten en kosten van vermist gereedschap aan zijn [werkgever] moet (terug)betalen. De kantonrechter is van oordeel dat het studiekostenbeding tussen partijen in beginsel rechtsgeldig is, maar dat de redelijkheid en billijkheid en de eisen van goed werkgeverschap meebrengen dat een deel van de studiekosten niet terugbetaald hoeft te worden. Verder is de kantonrechter van oordeel dat [werknemer] de kosten van het vermiste gereedschap moet betalen, maar wel met een correctie wegens ‘nieuw voor oud’. Hieronder legt de kantonrechter dit oordeel nader uit.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 27 november 2024
- de conclusie van antwoord in reconventie- het bericht van 24 januari 2025 met productie(s) van [werkgever]- de mondelinge behandeling van 5 februari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [werkgever] .
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
3.1.
Op 4 april 2022 is [werknemer] bij [werkgever] in dienst getreden als leerling-monteur. De betreffende arbeidsovereenkomst (hierna te noemen: de arbeidsovereenkomst) liep in eerste instantie tot 31 oktober 2022 waarna deze is verlengd tot 1 mei 2024 met een tussentijdse opzeggingsmogelijkheid voor beide partijen.
3.2.
In de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat deze is gekoppeld aan de tegelijkertijd afgesloten leerovereenkomst. Daarnaast hebben partijen een studiekostenovereenkomst gesloten, waarin onder meer is opgenomen dat [werknemer] de opleiding Eerste monteur elektronische installaties Woning & Utiliteit gaat volgen en dat bij uitdiensttreding de terugbetalingsregeling conform het personeelshandboek van toepassing is betreffende het collegegeld, lesmateriaal, scholingsuren, licentiekosten en boeken.
3.3.
[werknemer] heeft de arbeidsovereenkomst op 22 februari 2024 opgezegd per 1 april 2024. Vervolgens heeft [werkgever] de eindafrekening opgesteld, waaruit volgt dat [werknemer] nog recht had op een netto bedrag van € 1.660,10 aan vakantiedagen en vakantiegeld. [werkgever] heeft dat bedrag echter niet uitgekeerd, maar verrekend.
3.4.
Op 4 april 2024 heeft [werkgever] [werknemer] een factuur gestuurd, waarin € 5.794,08 aan studiekosten (€ 1.850,75 ‘Eerste monteur elektrotechnische installatie woning en utiliteit (KW1C)’ en € 3.943,33 ‘BBL-uren’) in rekening wordt gebracht. Verder staat op de factuur vermeld dat € 1.660,10 zal worden verrekend met de eindafrekening en dat het restantbedrag van € 4.133,98 (€ 5.794,08 - € 1.660,10) door [werknemer] overgemaakt moest worden op het bankrekeningnummer van [werkgever] .
3.5.
Bij factuur van 1 mei 2024 heeft [werkgever] een bedrag van € 140,48 bij [werknemer] in rekening gebracht met als omschrijving ‘vermist materiaal laser multilijn incl. statief).
Geschil
in conventie
4.1.
[werknemer] vordert – samengevat – veroordeling van [werkgever] tot betaling van € 2.490,00 (€ 1.660,00 ter zake van de eindafrekening en € 830,00 aan wettelijke verhoging), te vermeerderen met de wettelijke rente en een verklaring voor recht dat er geen grond is om studiekosten en kosten van vermist materiaal op [werknemer] te verhalen.
4.2.
[werkgever] voert verweer. [werkgever] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [werknemer] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [werknemer] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [werknemer] in de kosten van deze procedure.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
4.4.
[werkgever] vordert - samengevat - veroordeling van [werknemer] tot betaling van € 4.274,46, vermeerderd met rente en kosten.
4.5.
[werknemer] voert verweer. [werknemer] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [werkgever] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [werkgever] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [werkgever] in de kosten van deze procedure.
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
in conventie
Studiekosten
5.1.
Primair beroept [werknemer] zich op nietigheid van het studiekostenbeding op grond waarvan [werkgever] de studiekosten van € 5.794,08 niet kan terugvorderen.
5.2.
Eerst zal de kantonrechter beoordelen of het studiekostenbeding op grond van artikel 7:611a BW nietig is. [werknemer] was bij [werkgever] in dienst als leerling-monteur. In de betreffende arbeidsovereenkomst is opgenomen dat deze gekoppeld is aan de tegelijkertijd afgesloten leerovereenkomst voor de opleiding tot Eerste monteur elektronische installaties Woning & Utiliteit. De kantonrechter is van oordeel dat deze opleiding noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie van [werknemer] . Dat brengt op grond van artikel 7:611a BW mee dat de betreffende opleiding in beginsel kosteloos aangebonden moet worden. Echter, uit EU-richtlijn 2019/1152 (met name overweging 37) en de memorie van toelichting bij de implementatiewetgeving leidt de kantonrechter af dat dit uitgangspunt (noodzakelijke opleiding, dus kosteloos) niet geldt voor onder andere beroepsopleidingen. De opleiding tot Eerste monteur elektronische installaties Woning & Utiliteit is een BBL-opleiding (Beroeps Begeleidende Leerweg), waarbij de werknemer/scholier werkt en leert tegelijkertijd. Dat blijkt ook uit de arbeidsovereenkomst van [werknemer] . De arbeidsovereenkomst en leerovereenkomst van [werknemer] waren onlosmakelijk met elkaar verbonden en naar het oordeel van de kantonrechter is er dan ook sprake van een beroepsopleiding, waarvoor een studiekostenbeding niet nietig is op grond van artikel 7:611a BW.
5.3.
Gelet op het voorgaande was [werkgever] dus bevoegd om afspraken met [werknemer] te maken over een eventuele terugbetaling van de studiekosten. Deze bevoegdheid is echter niet onbeperkt, maar wordt begrensd door onder andere de eisen van goed werkgeverschap als bedoeld in artikel 7:611 BW en de norm van redelijkheid en billijkheid zoals genoemd in artikel 6:248 BW.
5.4.
De Hoge Raad heeft over de (loon)terugbetalingsverplichting op 10 juni 1983 een richtinggevend arrest gewezen. Kort gezegd bepaalt de Hoge Raad daarin dat voor de rechtsgeldigheid van een terugbetalingsregeling onder meer van belang is dat de periode wordt vastgesteld waarin werkgever baat heeft van de kennis en vaardigheden die werknemer tijdens zijn studie heeft verworven en dat er sprake is van een trapsgewijze afbouw van de terugbetalingsverplichting. In de studiekostenovereenkomst die partijen hebben gesloten is opgenomen dat bij uitdiensttreding de terugbetalingsregeling conform het personeelshandboek van toepassing is betreffende het collegegeld, lesmateriaal, scholingsuren, licentiekosten en boeken. Verder is in het betreffende personeelshandboek een afbouwregeling opgenomen die als volgt luidt:
Einde dienstverband tijdens de scholing of wanneer scholing niet succesvol afgerond is:
o 100% terugbetalen;
Einde dienstverband binnen één jaar na beëindiging van de scholing:
o 75% terugbetalen
Einde dienstverband binnen twee jaar na beëindiging van de scholing:
o 50% terugbetalen
Einde dienstverband binnen drie jaar na beëindiging van de scholing:
o 25% terugbetalen
Einde dienstverband na drie jaar na beëindiging van de scholing:
o 0% terugbetalen.
Hiermee voldoet de studiekostenregeling die partijen overeengekomen zijn naar het oordeel van de kantonrechter aan voormelde eisen uit het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 1983.
5.5.
In voormeld arrest overweegt de Hoge Raad echter ook nog dat een verplichting tot terugbetaling van de reeds gedurende de studieperiode ontvangen loonbedragen alleen aan de orde kan zijn als dit ingrijpende gevolg duidelijk aan werknemer is uiteengezet. Dit sluit ook aan bij het bepaalde in de eerdergenoemde artikelen 7:611 BW en 6:248 BW. In dit kader erkent [werknemer] dat de studiekostenovereenkomst en de relevante bepalingen in het personeelshandboek vooraf met hem besproken zijn. Desondanks stelt [werknemer] dat het voor hem bij aanvang niet duidelijk was dat hij ook (het ontvangen loon over) alle scholingsuren zou moeten terugbetalen. Bovendien stelt [werknemer] dat [werkgever] hem hierop ook niet heeft gewezen op het moment dat [werknemer] de arbeidsovereenkomst opzegde. De kantonrechter oordeelt hierover als volgt.
5.6.
Dat (ook) de scholingsuren onderdeel uitmaken van de terugbetalingsregeling staat op papier in zowel de studiekostenovereenkomst als het personeelshandboek. Verder staat vast dat er voor aanvang van de arbeids- en leerovereenkomst is gesproken over de studiekostenregeling, maar of [werknemer] er expliciet op gewezen is dat mogelijk ook (alle) scholingsuren terugbetaald moeten worden, kon [werkgever] desgevraagd niet met zekerheid zeggen en wordt door [werknemer] betwist. Tot slot staat vast dat [werkgever] naar aanleiding van de opzegging geen (exit)gesprek met [werknemer] heeft gevoerd. [werkgever] heeft [werknemer] dan ook niet gewezen op de gevolgen van de opzegging voor de terugbetaling van de studiekosten, waaronder de scholingsuren.
5.7.
Op grond van al het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de eisen van goed werkgeverschap en de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat [werknemer] niet verplicht kan worden om de volledige scholingsuren terug te betalen. Daarvoor heeft [werkgever] [werknemer] , die zelf het oplopen van het met de scholingsuren corresponderende loon niet heeft kunnen monitoren, in de gegeven omstandigheden van het geval onvoldoende gewezen op het ingrijpende gevolg dat bij opzegging (mogelijk) ook alle reeds ontvangen loonbedragen over de scholingsuren terugbetaald moeten worden. Dit gebrek rechtvaardigt naar het oordeel van de kantonrechter dat [werknemer] wat betreft de scholingsuren slechts een terugbetalingsplicht heeft voor een kwart van het loon dat hij hierover heeft ontvangen, zijnde € 985,83 (€ 3.943,33 / 4). Daarnaast dient [werknemer] de overige studiekosten van € 1.850,75 terug te betalen. Dit geldt temeer als redelijke en billijke uitkomst, nu [werkgever] blijkens haar website – zoals besproken ter zitting – haar beleid heeft gewijzigd in die zin dat BBL’ers die na 31 augustus 2023 aan het BBL-traject zijn gestart bij vroegtijdige uitdiensttreding niet meer alle kosten hoeven terug te betalen, maar alleen het jaarlijkse collegegeld en de kosten van boeken en licenties (en dus niet de scholingsuren). Weliswaar is [werknemer] zijn BBL-opleiding al voor 31 augustus 2023 gestart, zodat het gewijzigde beleid niet rechtstreeks op hem van toepassing is, maar dat staat er niet aan in de weg dat de kantonrechter het kan meewegen bij de toepassing van de artikelen 7:611 BW en 6:248 BW.
5.8.
Gelet op het voorgaande dient [werknemer] aan studiekosten een totaalbedrag van € 2.836,58 (€ 985,83 + € 1.850,75) terug te betalen. Daarvan heeft [werkgever] al € 1.660,10 verrekend met de eindafrekening. Dat betekent dat [werknemer] ter zake van studiekosten nog een bedrag van € 1.176,48 (€ 2.836,58 - € 1.660,10) aan [werkgever] verschuldigd is.
Materiaalkosten
5.9.
[werknemer] erkent dat [werkgever] aan hem ten behoeve van zijn werkzaamheden een Laser Multilijn inclusief statief ter beschikking heeft gesteld. Ook erkent [werknemer] dat hij dit gereedschap bij het einde van de arbeidsovereenkomst niet heeft ingeleverd. [werknemer] stelt hierover dat hij het betreffende gereedschap heeft uitgeleend en niet meer heeft teruggekregen. In het personeelshandboek – waarnaar ook wordt verwezen in de arbeidsovereenkomst – staat hierover onder meer dat werknemers zelf verantwoordelijk zijn voor het gereedschap dat ze in bezit hebben en dat uitlenen zo veel mogelijk beperkt moet worden. Als gereedschap toch wordt uitgeleend, moet de ontvanger daarvoor tekenen.
Dictum
De kantonrechter
in conventie
6.1.
wijst de vorderingen van [werknemer] af,
6.2.
veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van € 595,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
6.4.
veroordeelt [werknemer] om aan [werkgever] te betalen een bedrag van € 1.251,48, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover met ingang van 13 november 2024 tot de dag van (volledige) betaling,
6.5.
veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van € 204,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in conventie en in reconventie
6.8.
veroordeelt [werknemer] tot betaling van de kosten van betekening als [werknemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2025.
Kamerstukken II 2021/22, 35962, nr. 3, p. 11
ECLI:NL:HR:1983:AC2816