Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-07-07
ECLI:NL:RBZWB:2025:5803
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,791 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/7677 WIA
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2025 in de zaak tussen
[eiseres], te [plaats], eiseres,
gemachtigde: mr. M.J.M. Voogt,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Eindhoven), verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen.
1.1.
Het UWV heeft met het besluit van 22 april 2024 (primair besluit) geweigerd per 10 januari 2024 aan eiseres een WIA-uitkering toe te kennen. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 3 oktober 2024 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
1.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 5 juni 2025 zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiseres, bijgestaan door haar gemachtigde en tolk Arabisch-Marokkaans [tolk] en namens het UWV [naam 1].
Beoordeling
2. Aan het bestreden besluit heeft het UWV ten grondslag gelegd dat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De rechtbank zal beoordelen of dit juist is. Zij doet dit aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden. Bij deze beoordeling is van belang of eiseres medische beperkingen heeft en of zij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.
3. De rechtbank is van oordeel dat het UWV terecht de WIA-uitkering heeft geweigerd per 10 januari 2024. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3.1.
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
3.2.
Eiseres is werkzaam geweest als keukenhulp bij [stichting] tot 1 januari 2019. Vervolgens heeft het UWV eiseres een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet toegekend. Op 12 januari 2022 heeft eiseres zich ziek gemeld bij het UWV.
Op 2 oktober 2023 heeft eiseres een aanvraag voor een WIA-uitkering ingediend.
Hierna heeft het UWV de besluiten genomen die in de inleiding zijn genoemd.
Zijn de beperkingen juist vastgesteld?
4. Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapporten van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.
4.1.
De verzekeringsarts heeft eiseres gezien op het spreekuur. De verzekeringsarts heeft eiseres lichamelijk en psychisch onderzocht. De beperkingen en de belastbaarheid van eiseres zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 1 maart 2024.
De verzekeringsarts b&b heeft het dossier van eiseres, met daarin onder meer informatie van de huisarts en psychiater, bestudeerd. Ook heeft de verzekeringsarts b&b eiseres tijdens een spreekuur lichamelijk en psychisch onderzocht. Verder heeft de verzekeringsarts b&b kennis genomen van de bezwaarschriften van eiseres en de daarbij door haar overgelegde informatie van de reumatoloog, ergotherapeut en fysiotherapeut. De verzekeringsarts b&b heeft op grond van de onderzoeksbevindingen aanleiding gezien om de FML aan te passen. De verzekeringsarts b&b heeft de FML op 20 september 2024 gewijzigd door aanpassing van de toelichtingen bij de aspecten ‘frequent reiken tijdens het werk’ en ‘afwisseling van houding’.
De verzekeringsarts b&b heeft in beroep aanvullend gerapporteerd in reactie op de gronden die eiseres heeft aangevoerd.
4.2.
Eiseres heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat haar fysieke en psychische beperkingen zijn onderschat. Door de klachten aan haar nek, rechterschouder, rug, rechterknie en rechtervoet slaagt eiseres er niet in om gedurende een langere periode aaneengesloten te staan, zitten en lopen. Volgens eiseres is er geen sprake van deconditionering als gevolg van inactiviteit, maar als gevolg van fibromyalgie. Deze deconditionering had aanleiding moeten zijn voor het aannemen van een duurbeperking. Het lichamelijke onderzoek is een momentopname van korte duur waarbij bewegingen eenmalig moeten worden uitgevoerd. Eiseres krijgt juist meer last van de klachten als de bewegingen in frequentie toenemen. De verzekeringsarts b&b had zonder motivering niet aan opmerkingen van de ergotherapeut en fysiotherapie voorbij mogen gaan. Voor de psychische klachten zijn in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren onvoldoende beperkingen aangenomen. Eiseres kan weliswaar functioneren in het dagelijks leven, maar dit kost haar veel moeite. Er is aanleiding om een urenbeperking aan te nemen, vanwege een stoornis in de energiehuishouding, op preventieve gronden en op basis van beschikbaarheid. Eiseres is gediagnosticeerd met een depressieve stoornis en een paniekstoornis. Die laatste stoornis wordt in de Standaard Duurbelasting in arbeid (Standaard) genoemd bij de verstoorde energiehuishouding als gevolg van verminderde mogelijkheden om te kunnen recuperen. Bovendien kampt eiseres met fibromyalgie. Daarnaast blijkt uit het dagverhaal dat eiseres, naast de activiteiten die zij uitvoert om deconditionering tegen te gaan, veel rustmomenten inlast. Verder blijkt daaruit dat zij wordt belemmerd in haar thuissituatie en ondersteuning nodig heeft van familieleden. Er is sprake van behandeling, waarbij ook vanwege de voorbereiding, het herstel, het effect en de reistijd eiseres niet ten minste acht uur per dag beschikbaar is om te werken. Op de datum in geding bestond de behandeling uit één keer per week fysiotherapie en één keer per week een zwemsessie. Volgens de Standaard geeft een beperkt ziektebeeld aanleiding om een urenbeperking aan te nemen. Uit het psychiatrisch onderzoek van [naam 2] van 13 augustus 2020 is gebleken dat eiseres dit heeft.
Ter onderbouwing van haar stellingen heeft eiseres informatie van revalidatiearts dr. [arts] van 29 januari 2025 overgelegd.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door eiseres gestelde klachten, waaronder psychische klachten en klachten aan haar nek en schouder. Bij de opstelling van de FML is met het geobjectiveerde deel van de klachten rekening gehouden. De informatie van de revalidatiearts die eiseres in beroep heeft overgelegd geeft de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de belastbaarheid die de verzekeringsartsen hebben aangenomen. Daarbij is in aanmerking genomen dat deze informatie betrekking heeft op een periode ver na de datum in geding. Ten aanzien van de geclaimde beperking op het aspect ‘zitten’, overweegt de rechtbank dat de verzekeringsarts b&b in beroep uitvoerig heeft toegelicht waarom er geen aanleiding bestaat om een dergelijke beperking aan te nemen. In tegenstelling tot eiseres leest de rechtbank geen tegenstrijdigheden in de rapportages van de verzekeringsarts b&b. Tijdens het spreekuur is geconstateerd dat eiseres van zithouding wisselt, onder meer door te gaan staan. Zoals de verzekeringsarts b&b terecht heeft opgemerkt, wordt dit op grond van het CBBS niet gezien als een onderbreking van het zitten. Pas bij het ondernemen van substantieel andere activiteiten kan een beperking aan de orde zijn. De rechtbank ziet geen reden om de verzekeringsarts b&b niet te volgen in de stelling dat hiervan geen sprake is.
Met de verzekeringsarts b&b is de rechtbank van oordeel dat een medisch objectiveerbare onderbouwing voor het aannemen van een urenbeperking ontbreekt. De rechtbank acht door de verzekeringsarts b&b voldoende uiteengezet waarom geen indicatie is voor een urenbeperking op energetische of preventieve gronden. Dat, zoals eiseres heeft gesteld, sprake is van een beperkte beschikbaarheid wegens het volgen van fysiotherapie, leidt de rechtbank evenmin tot de conclusie dat een urenbeperking aan de orde zou moeten zijn. De verzekeringsarts b&b heeft hierover terecht opgemerkt dat dit een laagfrequente en niet intensieve behandeling betrof.
4.4.
Niet gebleken is dat in de FML van 20 september 2024 de beperkingen van eiseres zijn onderschat. De beroepsgrond dat eiseres meer beperkt moet worden, slaagt niet.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV terecht de WIA-uitkering heeft geweigerd per 10 januari 2024.
7.1.
Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard krijgt eiseres geen proceskostenvergoeding. Ook krijgt eiseres het griffierecht niet vergoed.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 7 juli 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Bijlage: wettelijk kader
In artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Volgens artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.
Claim Beoordelings- en Borgingssysteem