Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-02-05
ECLI:NL:RBZWB:2025:580
Strafrecht
Op tegenspraak
1,943 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02/284957-21
vonnis van de meervoudige kamer van 5 februari 2025
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1975 te [geboorteplaats]
wonende te [woonadres]
raadsvrouw mr. K.C. van de Wijngaart, advocaat te Rotterdam.
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 januari 2025, waarbij de officier van justitie mr. Ü.D. Colak en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van harddrugs.
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het feit heeft gepleegd. Hij had beschikkingsmacht over de goederen die achter in de bus lagen waarin hij reed. Daarnaast was er op zijn minst sprake van een ernstig vermoeden dat de spullen bestemd waren tot het plegen van het strafbare feit. Verdachte heeft niet in de bus gekeken, was zenuwachtig bij de staandehouding en zijn verklaring is ongeloofwaardig.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Bij verdachte ontbreekt de vereiste wetenschap. Hij heeft zijn bus slechts uitgeleend en is er pas later bij betrokken. Ook was hij niet bij het in- en uitladen aanwezig en heeft hij daarna niet in de bus gekeken. In de kern heeft verdachte ook consistent verklaard.
4.3
Beoordeling
Voor een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van de goederen is vereist dat verdachte beschikkingsmacht had over en wetenschap van de aanwezigheid van de goederen. Van beschikkingsmacht was sprake; de spullen lagen achter in de laadruimte van zijn bus, welke verdachte bij de aanhouding bestuurde en verdachte kon hier gemakkelijk bij.
Wetenschap
De rechtbank vindt de verklaring die verdachte heeft afgegeven over het waarom en hoe van het uitlenen van de bus twijfelachtig. Verdachte heeft verklaard dat hem door medeverdachten gevraagd was zijn bus te laten gebruiken bij een verhuizing. Verdachte heeft verklaard dat hij zijn bus wel hiertoe uitleende, maar in eerste instantie niet wilde dat iemand anders er in reed. Hij had in eerdere gevallen wel eens bussen uitgeleend en beschadigd of zonder benzine teruggekregen. Om die reden is verdachte naar eigen zeggen nu meegegaan. Hij reed het eerste stuk en is vervolgens bij een restaurant afgezet. Omdat het nog maar een klein stukje was van het restaurant naar de loods waar spullen gehaald moesten worden, liet hij uiteindelijk toch toe dat de twee medeverdachten samen met zijn bus verder reden en is hij bij het restaurant gebleven. De rechtbank begrijpt niet waarom verdachte niet mee naar de loods is gegaan, maar om een of andere reden bij een restaurant is blijven wachten, er waren immers voldoende voertuigen beschikbaar. Vervolgens kwamen de twee medeverdachten terug bij het restaurant en is verdachte weer als bestuurder van de bus terug richting Rotterdam gereden. Bij de staandehouding bleken diverse, mogelijk drugsgerelateerde goederen in de afgesloten laadruimte te zitten. De gehele gang van zaken bevreemdt haar dan ook en roept veel vragen op.
Het enkele feit dat er sprake is van een vreemd verhaal is echter onvoldoende om vast te kunnen stellen dat verdachte wist of had moeten vermoeden dat wat hij vervoerde, net als de bestelbus zelf, bestemd was tot het plegen van een strafbaar feit als ten laste is gelegd. Dit geldt ook voor de waarneming van de verbalisant dat verdachte zenuwachtig zou zijn. Daarnaast volgt niet uit het dossier dat verdachte, nadat de bus door de medeverdachten, ook volgens de politieobservanten buiten zijn aanwezigheid, was ingeladen, in de laadruimte heeft gekeken, waardoor bijvoorbeeld ook niet vast is komen te staan dat verdachte een chemische geur heeft moeten ruiken.
Ook voor het overige bevinden zich in het dossier onvoldoende bewijsmiddelen op basis waarvan kan worden vastgesteld dat verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat de goederen die door anderen in zijn bus zijn geladen bestemd waren tot het plegen van een strafbaar feit.
Al met al is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier onvoldoende volgt dat er bij verdachte sprake was van de vereiste wetenschap. De rechtbank spreekt verdachte vrij.
Dictum
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. Combee, voorzitter, mr. M.E.I. Beudeker en mr. A.G. van Hedel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Heitzman, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 5 februari 2025.
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
6Bijlage I
De tenlastelegging
hij op of omstreeks 19 oktober 2021 te [plaats] , gemeente Roosendaal, in elk geval in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,te weten het (telkens) opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,afleveren, verstrekken, vervoeren en/of vervaardigen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelhe(i)d(en) metamfetamine en/of MDMA,zijnde metamfetamine en/of MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, in elk geval een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende een ofmeer middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan welaangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, voor te bereidenen/of te bevorderen,voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of anderebetaalmiddelen voorhanden heeft gehad, te weten- een bestelbus (Mercedes Sprinter) en/of- twee filterunits bevestigd op een ketel en/of een “druk” reactieketel met eenroermotor en/of twee scheitrechters en/of een hoeveelheid platinaoxide en/ofvacuümpompen en/of drie inductiekookplaten een hoeveelheid klein laboratoriumglaswerk en/of- in een loods/zeecontainer een destillatie-opstelling en/of een industrieeldestillatie apparaat en/of een tabletteermachine met stempels en/of driewaterstofgasflessen en/of een aantal mallen en/of een hoeveelheidverpakkingsmateriaal en/of een hoeveelheid klein laboratorium glaswerk en/ofhoeveelheden chemicaliën (zoutzuur en/of ammoniak),waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van het/die feit(en);( art 10 lid 4 Opiumwet, art 10 lid 5 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf/sub 1 alineaOpiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )