Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-08-28
ECLI:NL:RBZWB:2025:5762
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
767 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3678
uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 augustus 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [de vergunninghouder] .
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de omgevingsvergunning voor het bouwen van een appartementencomplex op de [locatie] . Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2.
Het college heeft de vergunning op [datum] 2025 verleend. Deze vergunning is voorbereid met de uitgebreid voorbereidingsprocedure. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. De vergunninghouder heeft verklaard dat hij pas eind 2025 of begin 2026 met de werkzaamheden zal beginnen. Op 31 juli 2025 is verzoekster in de gelegenheid gesteld hierop te reageren door het verzoekschrift in te trekken dan wel uit te leggen waaruit het spoedeisend belang nog bestaat. Zij heeft daarop niet gereageerd. De voorzieningenrechter komt daarom tot de conclusie dat er op dit moment geen spoedeisend belang is.
Conclusie
3. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.1.
Ten overvloede wijst de voorzieningenrechter erop dat het verzoekster vrij staat een nieuw verzoek om voorlopige voorziening in te dienen, indien de bouwwerkzaamheden alsnog op korte termijn gaan plaatsvinden en er daarmee alsnog een spoedeisend belang ontstaat.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier op 28 augustus 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.