Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-01-29
ECLI:NL:RBZWB:2025:553
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
2,196 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 10979770 \ CV EXPL 24-1205
Vonnis van 29 januari 2025
in de zaak van
DGB ENERGIE B.V.,
te Hardenberg,
eisende partij,
hierna te noemen: DGB Energie,
gemachtigde: Argus Incasso B.V.,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats 1] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De zaak in het kort
1.1.
In deze zaak gaat het om de betaling van levering van gas en elektriciteit door DGB Energie. Volgens haar heeft [gedaagde] een overeenkomst hiervoor afgesloten. [gedaagde] betwist dit en stelt dat hij nooit heeft gewoond op het adres zoals in de overeenkomst staat vermeld.
1.2.
De kantonrechter zal de vordering van DGB Energie tot betaling van de openstaande facturen toewijzen en zal hieronder uitleggen waarom dat zo is.
2Het verdere verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 20 november 2024
- de akte aan de zijde van DGB Energie
- de mondelinge behandeling van 17 december 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
3De verdere beoordeling
3.1.
In voormeld tussenvonnis van 20 november 2024 zijn DGB Energie en [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan de mondelinge behandeling van 17 december 2024 nadere stukken in het geding te brengen. DGB Energie heeft voor die zitting een overzicht van betalingen gedurende de looptijd van de overeenkomst overgelegd. In dat overzicht valt op te maken dat er gedurende de periode maart 2021 tot en met augustus 2021 betalingen zijn gedaan die afkomstig zijn van het [rekeningnummer] . Enkele facturen zijn automatisch geïncasseerd en een aantal betalingen zijn handmatig overgeboekt. [gedaagde] heeft voor de zitting geen uittreksel uit de Basisregistratie Personen (hierna BRP) overgelegd, maar heeft tijdens de mondelinge behandeling op zijn mobiele telefoon ingelogd met zijn DigiD om zijn BRP te (laten) bekijken. Hierin is zichtbaar dat hij vanaf 24 november 2011 op een adres in [plaats 1] staat ingeschreven waar hij thans nog steeds woonachtig is.
Overeenkomst
3.2.
De kantonrechter is van oordeel dat er een overeenkomst tussen DGB Energie en [gedaagde] heeft bestaan in de periode maart 2021 tot en met augustus 2021. [gedaagde] heeft het standpunt van DGB Energie dat er in eerste instantie telefonisch een overeenkomst is gesloten, die vervolgens is geannuleerd niet betwist. Ook heeft hij niet betwist dat – op zijn verzoek – een nieuwe overeenkomst per e-mail is toegezonden. Deze overeenkomst is ingevuld en via de mail teruggestuurd. [gedaagde] heeft erkend dat het e-mailadres, mobiele nummer en rekeningnummer dat op de overeenkomst en de doorlopende incassomachtiging staan vermeld, van hem zijn. De kantonrechter is het met [gedaagde] eens dat dergelijke gegevens ook door een ander aan DGB Energie kunnen zijn verstrekt. Zij vindt het wel opvallend dat alle gegevens waarmee DGB Energie met de afnemer kan communiceren
– e-mailadres en telefoonnummer – van [gedaagde] zijn. Dit ligt niet voor de hand in de situatie dat iemand op naam van een ander een contract afsluit. Bovendien zijn er meer aanwijzingen dat er een overeenkomst heeft bestaan tussen DGB Energie en [gedaagde] . Vast staat namelijk dat er betalingen vanuit zijn bankrekening zijn gedaan in de periode maart 2021 tot en met augustus 2021. Die betalingen hebben niet alleen via automatische incasso plaatsgevonden, maar er zijn ook handmatig betalingen verricht afkomstig van het rekeningnummer van [gedaagde] . Dit blijkt uit het door DGB Energie overgelegde overzicht, omdat bij enkele betalingen als omschrijving staat vermeld “Incasso” en bij andere betalingen “Overgeboekt”. Dat die betalingen zijn verricht is door [gedaagde] ook niet betwist. [gedaagde] heeft gesteld dat de betalingen mogelijk zonder zijn medeweten zijn verricht door zijn vader, maar hij heeft dit niet onderbouwd. Ook is het niet logisch dat de vader van [gedaagde] zonder met [gedaagde] te overleggen betalingen aan DGB Energie zou doen in verband met de levering van energie op een adres in [plaats 2] , terwijl [gedaagde] bij zijn ouders in [plaats 1] woonde. Gelet op het voorgaande heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd betwist dat hij een overeenkomt met DGB Energie heeft gesloten. Daarvoor is onvoldoende dat [gedaagde] niet op het adres staat ingeschreven waar gas en elektriciteit is geleverd. Het is namelijk mogelijk om een overeenkomst te sluiten voor een ander adres.
Aanmaningskosten
3.3.
DGB Energie baseert haar vordering op een drietal facturen:
Factuurnummer: Datum Omschrijving Bedrag
[factuurnummer 1] 09-02-2022 voorschot gas € 297,11
[factuurnummer 2] 22-05-2022 eindnota gas € 1.830,35
[factuurnummer 3] 23-05-2022 eindnota elektriciteit € 132,05
3.4.
Op de eindnota gas staat een bedrag van € 66,12 (exclusief btw) als “aanmaningskosten” vermeld, waarna een bedrag van € 33,06 (exclusief btw) voor “totaal betaalde kosten” in mindering wordt gebracht, zodat resteert een bedrag van € 33,06 (exclusief btw) aan “aanmaningskosten”. Ter zitting heeft de kantonrechter een nadere toelichting gevraagd op deze kosten, omdat het hier gaat om kosten die geacht moeten worden te behoren tot de buitengerechtelijke kosten. Die nadere toelichting kon DGB Energie niet geven, zodat een bedrag van € 33,06 exclusief btw (= € 40,00 inclusief btw) in mindering dient te strekken op de eindnota gas (factuurnummer [factuurnummer 1] ), zodat op die factuur een bedrag van € 1.790,35 (inclusief btw) resteert. Hoewel op de eindnota elektriciteit ook een bedrag aan aanmaningskosten staat vermeld, heeft DGB Energie dit bedrag al volledig in mindering gebracht op diezelfde factuur, zodat hier geen consequenties aan verbonden hoeven te worden.
Buitengerechtelijke incassokosten
3.5.
De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten komt niet voor toewijzing in aanmerking, nu DGB Energie niet, althans onvoldoende heeft gesteld op welke datum de aanmaning in de zin van artikel 6:96 lid 6 BW door [gedaagde] op zijn laatst is ontvangen, dan wel op welke datum DGB Energie deze aanmaning aan [gedaagde] heeft verzonden. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704.
Opzegvergoeding
3.6.
DGB Energie heeft in leveringsovereenkomst over de opzegvergoeding het volgende vermeld: “2.4 In het geval van voortijdige beëindiging van de leveringsovereenkomst mag DGB Energie een opzegvergoeding bij u in rekening brengen. (…)”.
3.7.
De kantonrechter stelt vast dat een vergoeding ter hoogte van € 125,00 per product in overeenstemming is met hetgeen is bepaald in artikel 4 lid 2 van de Richtsnoeren Redelijke Opzegvergoedingen van de ACM. Daarnaast is komen vast te staan dat [gedaagde] de overeenkomst vroegtijdig heeft beëindigd. Naar het oordeel van de kantonrechter is [gedaagde] deze vergoeding dan ook verschuldigd geworden.
Dictum
De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan DGB Energie te betalen een bedrag van € 2.219,51, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag, vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen, tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 995,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Ebben en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2025.