Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-04-02
ECLI:NL:RBZWB:2025:5525
Civiel recht; Personen- en familierecht
Bodemzaak
21,022 tokens
Inleiding
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/400552 / HA ZA 22-417
Vonnis van 2 april 2025
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
wonende te [plaats 1] ,2. [eiser 2],
wonende te [plaats 2] ,3. [eiser 3],
wonende te [plaats 3] ,4. [eiser 4],
vanwege het overlijden van haar moeder mevrouw [erflaatster 1] door
plaatsvervulling rechthebbende,
wonende te [plaats 1] ,5. [eiser 5],
vanwege het overlijden van zijn moeder mevrouw [erflaatster 1] door
plaatsvervulling rechthebbende,
wonende te [plaats 1] ,
6. [eiser 6],
vanwege het overlijden van zijn moeder mevrouw [erflaatster 2] door
plaatsvervulling rechthebbende,
wonende te [plaats 4] ,7. [eiser 7],
vanwege het overlijden van zijn moeder mevrouw [erflaatster 2] door
plaatsvervulling rechthebbende,
wonende te [plaats 5] ,8. [eiser 8],
vanwege het overlijden van zijn moeder mevrouw [erflaatster 2] door
plaatsvervulling rechthebbende,
wonende te [plaats 6] ,
eisers in de hoofdzaak,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. A.C. de Bakker te Hendrik-Ido-Ambacht,
tegen
1 [gedaagde 1] in zijn hoedanigheid van executeur in de
nalatenschap van wijlen mevrouw [erflaatster 3],
wonende te [plaats 7] ,2. [gedaagde 2] in haar hoedanigheid van enig
erfgenaam in de nalatenschap van wijlen mevrouw [erflaatster 3] ,
wonende te [plaats 8] ,
gedaagden in de hoofdzaak,
hierna respectievelijk te noemen: de executeur en [gedaagde 2] ,
advocaat: mr. R.A.J. Zomer te Oosterhout NB.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in het incident van 3 april 2024 en de daarin genoemde processtukken,
- de conclusie van antwoord na mondelinge behandeling van de executeur en [gedaagde 2]
met producties 22 tot en met 36,
- de akte van [eisers]- de rolbeslissing van 7 augustus 2024, waarbij verval van recht om een antwoordakte te
nemen is verleend en vonnis is bepaald.
Feiten
2.1.
Op [datum] 1980 is overleden de heer [persoon 1] . De heer [persoon 1] was ten tijde van zijn overlijden op huwelijkse voorwaarden gehuwd met mevrouw [erflaatster 3] , de moeder van [gedaagde 2] . Uit het huwelijk tussen de heer [persoon 1] en mevrouw [erflaatster 3] zijn geen kinderen geboren. De heer [persoon 1] was eerder gehuwd met mevrouw [persoon 2] . Uit dit huwelijk zijn zes kinderen geboren, te weten eisers sub 1 tot en met 3, [erflaatster 1] (wijlen de moeder van eisers sub 4 en 5), [erflaatster 2] (wijlen de moeder van eisers sub 6 tot en met 8) en [persoon 3] . Dit huwelijk is door vooroverlijden van mevrouw [persoon 2] ontbonden.
2.2.
De heer [persoon 1] heeft over zijn nalatenschap beschikt bij testament en bij akte huwelijkse voorwaarden. Beide akten zijn gepasseerd op 27 juni 1980.
In het testament heeft de heer [persoon 1] aan zijn echtgenote mevrouw [erflaatster 3] gelegateerd het vruchtgebruik van door haar te kiezen goederen van zijn nalatenschap. Zijn zes kinderen heeft hij aangewezen als zijn erfgenamen onder de last van, onder meer, het vruchtgebruik-legaat aan mevrouw [erflaatster 3] . Notaris mr. [notaris] (hierna: [notaris] ) is aangewezen als executeur van de nalatenschap.
In de akte huwelijkse voorwaarden staat opgenomen dat het door de heer [persoon 1] aan mevrouw [erflaatster 3] gelegateerde vruchtgebruik zal ingaan op de dag van zijn overlijden en zal eindigen op de dag van overlijden van mevrouw [erflaatster 3] , dat mevrouw [erflaatster 3] als vruchtgebruikster zal zijn vrijgesteld van de verplichting tot het stellen van zekerheid, dat zij het bestuur zal hebben over de aan vruchtgebruik onderworpen goederen en dat zij geheel vrij zal zijn in de wijze van beleggen van die goederen. Daarbij is opgenomen dat de heer [persoon 1] met het legateren van dit vruchtgebruik wil voldoen aan een voor hem tegenover zijn echtgenote bestaande dringende verplichting van moraal en fatsoen.
2.3.
Op 12 augustus 1981 is een akte afgifte van vruchtgebruik gepasseerd. Daaruit volgt dat mevrouw [erflaatster 3] heeft gekozen om vruchtgebruik te vestigen op de navolgende goederen van de nalatenschap van de heer [persoon 1] :
“de zaken zoals vermeld op het uittreksel uit de successie-aangifte, gehecht aan deze akte, alsmede de twee appartementsrechten aan [adres 1] ,(…), welke genoemde zaken in totaal in de successie-aangifte zijn opgenomen voor een bedrag van (…) f 316.500,==
Voorts kiest zij:
32.46145 % onverdeeld aandeel van de blote eigendom van nominaal (…)
f 610.000,== notes zes één/vierde procent Algemene Bank Nederland N.V.
1978/1983, nominaal (…) f 1.230.000,== notes zes en half procent
Nederlandse Middenstandbank N.V. 1978/1983, ten sterfdage waard (…)
f 483.500,==
Totaal (…) f 800.000,==”.
Verderop in de akte is opgenomen dat de gekozen goederen door [notaris] aan mevrouw [erflaatster 3] in vruchtgebruik zijn afgegeven en dat mevrouw [erflaatster 3] aan [notaris] volmacht verleend om:
“voor en namens haar alle hiervoor vermelde zaken zoveel mogelijk op haar naam te doen stellen en de nodige verrekeningen te doen uitvoeren, zoals hierna vermeld.
De heer [notaris] verklaarde deze volmacht te aanvaarden en zowel in zijn hoedanigheid van gemachtigde van mevrouw [persoon 1] - [erflaatster 3] als in zijn hoedanigheid van executeur testamentair, de nodige verrekeningen op zo kort mogelijke termijn te zullen uitvoeren, alsmede vorderingen te innen, teneinde te bereiken dat de hiervoor vermelde zaken, met uitzondering van het verhuurde onroerend goed, op zo kort mogelijke termijn liquide worden gemaakt, zodat de zaken tot de hiervoor vermelde bedragen, alsmede de sedert de datum van overlijden op de betreffende zaken genoten vruchten kunnen worden geplaatst op één of meer rekeningen ten name van de Erven van de heer [persoon 1] als blote eigenaren en mevrouw [persoon 1] - [erflaatster 3] als vruchtgebruikster, waarna belegging zal plaatsvinden”.
2.4.
Op 11 mei 1983 is een akte boedelbeschrijving en (partiële) scheiding en deling gepasseerd. Daarin verklaart [notaris] , handelend als executeur-testamentair en gevolmachtigde van de erfgenamen:
“dat sedert erflaters overlijden diverse ontvangsten en uitgaven zijn gedaan zoals aan de erven bekend gemaakt via de aan hen verstrekte overzichten van ontvangsten en uitgaven en dat de door de erflater gemaakte legaten zijn uitgekeerd”.
Vervolgens is in de akte beschreven welke baten de nalatenschap van de heer [persoon 1] (nog) omvat en aan wie van de erfgenamen deze worden toebedeeld. Voor wat betreft de goederen belast met het vruchtgebruik ten behoeve van mevrouw [erflaatster 3] vermeldt de akte:
“Met betrekking tot de hiervoorbedoelde met vruchtgebruik belaste zaken wordt overeengekomen dat deze voorshands onverdeeld eigendom blijven van alle zes erven,(…)”.
2.5.
Op 15 februari 1996 is tussen [bedrijf 1] BV en [bedrijf 2] BV, van welke vennootschappen de heer [persoon 1] directeur was, enerzijds en mevrouw [erflaatster 3] anderzijds een vaststellingsovereenkomst gesloten met betrekking tot de afkoop van pensioenrechten.
2.6.
Op 15 december 2021 is mevrouw [erflaatster 3] overleden. Mevrouw [erflaatster 3] heeft over haar nalatenschap beschikt laatst bij testament van 30 januari 2014. Daarbij heeft zij haar dochter [gedaagde 2] aangewezen tot haar enige erfgename en de heer [persoon 4] aangewezen tot executeur van haar nalatenschap.
2.7.
Na verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank hebben [eisers] ten laste van de heer [persoon 4] in zijn hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van mevrouw [erflaatster 3] en [gedaagde 2] conservatoir beslag doen leggen onder derden en op de onroerende zaak aan [adres 2] . Dit tot zekerheid van verhaal van een op de nalatenschap van mevrouw [erflaatster 3] gepretendeerde vordering, door de voorzieningenrechter begroot op € 370.000,00 inclusief rente en kosten.
2.8.
[gedaagde 2] heeft de nalatenschap van haar moeder (hierna: erflaatster) aanvankelijk zuiver aanvaard. Na verkregen machtiging van de kantonrechter van deze rechtbank heeft [gedaagde 2] de nalatenschap alsnog beneficiair aanvaard. De erfgenamen zijn in hoger beroep gegaan van de beslissing van de kantonrechter.
2.9.
Op 20 november 2023 heeft de heer [persoon 4] als executeur van de nalatenschap van erflaatster in zijn plaats gezet de heer [gedaagde 1] .
Geschil
3.1.
[eisers] vorderen – samengevat – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
A. de executeur en [gedaagde 2] te veroordelen tot afgifte van primair de in vruchtgebruik gegeven goederen, zijnde:
- de zaken zoals vermeld op het uittreksel uit de successieaangifte gehechte akte,
- 32.641,45% onverdeeld aandeel van de blote eigendom van nominaal
€ 610.000,00 notes zes/één vierde procent Algemene Bank Nederland NV 1978/1983 nominaal € 1.230.000,00 notes zes en half procent Nederlandse
Middenstandbank NV 1978/1983, dan wel subsidiair hetgeen daarvoor in de plaats is getreden, voorgaande op straffe van verbeurte van een dwangsom, dan wel meer subsidiair de executeur en [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling van de waarde van de goederen,
B. de executeur en [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 29.040,00 (voor onderhoud) en € 21.600,00 (voor niet gederfde huur),
C. de executeur en [gedaagde 2] te veroordelen in de kosten van deze procedure.
3.2.
Gelet op de akte vruchtgebruik, waarop ter onderbouwing van de vordering een beroep wordt gedaan, gaat de rechtbank ervan uit dat [eisers] in hun vordering abusievelijk de waarde van de notes in euro’s hebben weergegeven in plaats van Nederlandse guldens.
3.3.
[eisers] leggen aan hun vordering onder A ten grondslag dat door het overlijden van erflaatster het aan haar gelegateerde vruchtgebruik is geëindigd, waardoor zij als erfgenamen van de heer [persoon 1] recht hebben op afgifte van de in vruchtgebruik gegeven goederen dan wel hetgeen daarvoor in de plaats is getreden (het vruchtgebruikvermogen). Aan de vordering onder B leggen zij ten grondslag dat erflaatster is tekortgeschoten in de op haar rustende verplichting om ten aanzien van de aan haar in vruchtgebruik gegeven goederen de zorg van een goed vruchtgebruikster in acht te nemen. [eisers] stellen dat zij daardoor schade hebben geleden en dat zij deze schade op de nalatenschap van erflaatster kunnen verhalen.
3.4.
De executeur en [gedaagde 2] voeren verweer. De executeur en [gedaagde 2] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
nietige dagvaarding
4.1.
Bij conclusie na mondelinge behandeling hebben de executeur en [gedaagde 2] hun beroep op nietigheid van de dagvaarding niet gehandhaafd. Daar hoeft dus niet op te worden beslist.
omvang van het geschil
4.2.
Na de mondelinge behandeling is tussen partijen niet langer in geschil dat de twee aan vruchtgebruik onderworpen appartementsrechten aan [adres 1] in volle eigendom van [eisers] zijn gekomen. Verder is niet langer in geschil dat de overige aan vruchtgebruik onderworpen goederen contant zijn gemaakt, dat de gelden op een beleggingsrekening bij de ABN AMRO bank zijn gestort met [rekeningnummer] (hierna: de beleggingsrekening) en dat [eisers] bloot eigenaren van deze rekening waren en erflaatster vruchtgebruikster.
4.3.
[eisers] stellen bij conclusie na mondelinge behandeling dat de onder A genoemde primaire vordering tot afgifte van de in vruchtgebruik gegeven goederen niet langer in stand kan blijven en daarom wordt toegekomen aan hun subsidiaire vordering tot afgifte van het vruchtgebruikvermogen op grond van artikel 3:213 BW (zaaksvervanging) dan wel meer subsidiair vergoeding van de waarde daarvan.
toepasselijk recht
4.4.
[eisers] stellen dat op grond van het bepaalde in artikel 126 Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek (ONBW) het testament van de heer [persoon 1] moet worden uitgelegd aan de hand van het oud Burgerlijk Wetboek (oud BW). In het oud BW ontbrak een regeling die de vruchtgebruiker de bevoegdheid gaf de aan vruchtgebruik onderworpen goederen te vervreemden en te verteren. Dit brengt met zich dat de heer [persoon 1] heeft gekozen voor een vruchtgebruik zonder de bevoegdheid voor erflaatster om de goederen waarop ten behoeve van haar vruchtgebruik zou worden gevestigd, te verteren. Nadat de aan vruchtgebruik onderworpen goederen contant zijn gemaakt, zijn de op de beleggingsrekening gestorte gelden tot het vruchtgebruikvermogen gaan behoren. De vordering op de bank, in dit geval de ABN AMRO bank, wordt naar oud recht als ‘eigenlijk’ vruchtgebruik beschouwd (in tegenstelling tot ‘oneigenlijk’ vruchtgebruik, dat ziet op een verbruikbaar goed). In dit verband kan worden verwezen naar het arrest MeesPierson/Ten Bos. Op eigenlijk vruchtgebruik is artikel 804 oud BW (dat ziet op afgifte van het vruchtgebruik bij het eindigen daarvan) niet van toepassing. Op grond van het bepaalde in artikel 68a ONBW zijn daarom de bepalingen van het nieuw BW van toepassing op het vruchtgebruik van erflaatster, aldus [eisers]
4.5.
[eisers] stellen dat op grond van artikel 3:214 BW de gelden op de beleggingsrekening in beginsel niet mochten worden verbruikt, maar moesten worden belegd. Artikel 3:213 BW bepaalt dat al hetgeen in de plaats treedt van aan vruchtgebruik onderworpen goederen toebehoort aan de hoofdgerechtigden en dat dit ook aan het vruchtgebruik onderworpen is. Na het eindigen van het vruchtgebruik moet de vruchtgebruiker of zijn rechtverkrijgende op grond van artikel 3:225 BW het vruchtgebruikvermogen aan de hoofdgerechtigde ter beschikking stellen.
Bij het vestigen van het onderhavige vruchtgebruik had het vruchtgebruikvermogen een waarde van f 800.000,-, waaronder begrepen de twee appartementsrechten ter waarde van in totaal f 68.500,-. Erflaatster heeft een bedrag van f 190.000,- van de beleggingsrekening besteed aan de aankoop van de woning aan [adres 2] . De aankoop van de woning was een herbelegging als bedoeld in artikel 3:214 BW. De woning maakt daarom op grond van artikel 3:213 BW onderdeel uit van het vruchtgebruikvermogen. Op grond van het voorgaande kunnen zij daarom aanspraak maken op f 541.500 (€ 245.721,87) plus de woning in [plaats 9] . (f 800.000,- minus f 68.500,- in totaal f 731.500,- minus f 190.000,-). Dan wel, als de rechtbank oordeelt dat geen sprake is van zaaksvervanging, kunnen zij aanspraak maken op f 731.500,-. Meer subsidiair vorderen [eisers] daarom € 331.486,39.
4.6.
De executeur en [gedaagde 2] betwisten niet dat het testament van de heer [persoon 1] aan de hand van het oud BW moet worden uitgelegd en dat daarin het recht om de aan vruchtgebruik onderworpen goederen te vervreemden en te verteren niet voorkwam, maar – zo stellen zij – het oude recht kende wèl het stellen van zekerheid door een vruchtgebruiker. Erflaatster was als vruchtgebruikster vrijgesteld van het stellen van zekerheid. Bovendien was ten aanzien van het vruchtgebruik bepaald dat sprake was van een verbintenis uit hoofde van moraal en fatsoen, een zogenaamde natuurlijke verbintenis. Het niet hoeven geven van zekerheid en het voldoen aan een natuurlijke verbintenis met betrekking tot het levensonderhoud van erflaatster, duidt op een recht van verbruik en vertering. Het is volgens de executeur en [gedaagde 2] dus helemaal niet zeker of er naar oud recht geen sprake was van een recht op verbruik en vertering van het vruchtgebruik.
4.7.
De executeur en [gedaagde 2] verbinden geen rechtsgevolg aan hun standpunt dat erflaatster naar oud recht (mogelijk toch) een recht van verbruik en vertering toekwam. De rechtbank kan om die reden geen beslissing nemen over de verteringsbevoegdheid van erflaatster. Dit staat aan de beoordeling van het geschil overigens niet in de weg, nu de executeur en [gedaagde 2] niet stellen dat erflaatster het vruchtgebruikvermogen heeft verteerd.
4.8.
De executeur en [gedaagde 2] betwisten niet dat de vordering op de ABN AMRO bank met betrekking tot de op de beleggingsrekening gestorte gelden na contant making van de aan vruchtgebruik onderworpen goederen naar oud recht als ‘eigenlijk’ vruchtgebruik wordt beschouwd. De executeur en [gedaagde 2] menen, anders dan [eisers] , dat de bepalingen van het oud BW van toepassing zijn op het vruchtgebruik van erflaatster. Daaraan leggen zij artikel 87 ONBW ten grondslag. De rechtbank volgt de executeur en [gedaagde 2] daarin niet. Het uitgangspunt van de ONBW is de onmiddellijke werking van de nieuwe bepalingen, tenzij daarop een uitzondering is gemaakt. Artikel 87 ONBW bevat geen uitzondering op de hoofdregel. [eisers] stellen naar het oordeel van de rechtbank terecht dat op grond van artikel 68a ONBW de bepalingen van het nieuw BW op het vruchtgebruik van erflaatster van toepassing zijn. Aan de orde is thans de vraag wat dit betekent voor de vorderingen van [eisers]
vruchtgebruik beëindigd anders dan door overlijden erflaatster?
4.9.
De executeur en [gedaagde 2] stellen dat na het overlijden van erflaatster het gestelde vruchtgebruikvermogen, met uitzondering van de twee appartementsrechten, niet is aangetroffen in de (nog) aanwezige administratie van erflaatster, terwijl erflaatster wel het vruchtgebruik administreerde. [eisers] als eigenaren van de beleggingsrekening en aan wie afschriften van die rekening zouden moeten zijn toegezonden, moeten het antwoord hebben op de vraag wat er met het vruchtgebruikvermogen is gebeurd. Volgens de executeur en [gedaagde 2] is het antwoord, dat er sinds 1996 geen vruchtgebruik meer bestaat, anders dan op de twee appartementsrechten, welk vruchtgebruik is geëindigd met het overlijden van erflaatster. De woning aan [adres 2] heeft overigens nooit tot het vruchtgebruikvermogen behoort, aldus de executeur en [gedaagde 2] .
4.10.
De executeur en [gedaagde 2] voeren een bevrijdend verweer.
Dictum
De rechtbank
5.1.
draagt de executeur en [gedaagde 2] op te bewijzen dat het vruchtgebruik sinds 1996 niet meer bestaat doordat erflaatster in dat jaar afstand van het recht op vruchtgebruik heeft gedaan,
5.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 30 april 2025 voor uitlating door partijen of zij bewijs willen leveren door het overleggen van
bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
5.3.
bepaalt dat, als partijen geen bewijs door het horen van getuigen willen leveren
maar wel bewijsstukken willen overleggen, zij die stukken dan direct in het geding
moeten brengen,
5.4.
bepaalt dat, als partijen getuigen willen laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden juni, augustus en september 2025 dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
5.5.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. Van 't Nedereind, in het gerechtsgebouw te Breda, Stationslaan 10,
5.6.
bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,
5.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van 't Nedereind en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2025
HR 9 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2536, NJ 1999/285
Artikel 3:207 lid 3 BW
Inleiding
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/400552 / HA ZA 22-417
Vonnis van 2 april 2025
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
wonende te [plaats 1] ,2. [eiser 2],
wonende te [plaats 2] ,3. [eiser 3],
wonende te [plaats 3] ,4. [eiser 4],
vanwege het overlijden van haar moeder mevrouw [erflaatster 1] door
plaatsvervulling rechthebbende,
wonende te [plaats 1] ,5. [eiser 5],
vanwege het overlijden van zijn moeder mevrouw [erflaatster 1] door
plaatsvervulling rechthebbende,
wonende te [plaats 1] ,
6. [eiser 6],
vanwege het overlijden van zijn moeder mevrouw [erflaatster 2] door
plaatsvervulling rechthebbende,
wonende te [plaats 4] ,7. [eiser 7],
vanwege het overlijden van zijn moeder mevrouw [erflaatster 2] door
plaatsvervulling rechthebbende,
wonende te [plaats 5] ,8. [eiser 8],
vanwege het overlijden van zijn moeder mevrouw [erflaatster 2] door
plaatsvervulling rechthebbende,
wonende te [plaats 6] ,
eisers in de hoofdzaak,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. A.C. de Bakker te Hendrik-Ido-Ambacht,
tegen
1 [gedaagde 1] in zijn hoedanigheid van executeur in de
nalatenschap van wijlen mevrouw [erflaatster 3],
wonende te [plaats 7] ,2. [gedaagde 2] in haar hoedanigheid van enig
erfgenaam in de nalatenschap van wijlen mevrouw [erflaatster 3] ,
wonende te [plaats 8] ,
gedaagden in de hoofdzaak,
hierna respectievelijk te noemen: de executeur en [gedaagde 2] ,
advocaat: mr. R.A.J. Zomer te Oosterhout NB.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in het incident van 3 april 2024 en de daarin genoemde processtukken,
- de conclusie van antwoord na mondelinge behandeling van de executeur en [gedaagde 2]
met producties 22 tot en met 36,
- de akte van [eisers]- de rolbeslissing van 7 augustus 2024, waarbij verval van recht om een antwoordakte te
nemen is verleend en vonnis is bepaald.
Feiten
2.1.
Op [datum] 1980 is overleden de heer [persoon 1] . De heer [persoon 1] was ten tijde van zijn overlijden op huwelijkse voorwaarden gehuwd met mevrouw [erflaatster 3] , de moeder van [gedaagde 2] . Uit het huwelijk tussen de heer [persoon 1] en mevrouw [erflaatster 3] zijn geen kinderen geboren. De heer [persoon 1] was eerder gehuwd met mevrouw [persoon 2] . Uit dit huwelijk zijn zes kinderen geboren, te weten eisers sub 1 tot en met 3, [erflaatster 1] (wijlen de moeder van eisers sub 4 en 5), [erflaatster 2] (wijlen de moeder van eisers sub 6 tot en met 8) en [persoon 3] . Dit huwelijk is door vooroverlijden van mevrouw [persoon 2] ontbonden.
2.2.
De heer [persoon 1] heeft over zijn nalatenschap beschikt bij testament en bij akte huwelijkse voorwaarden. Beide akten zijn gepasseerd op 27 juni 1980.
In het testament heeft de heer [persoon 1] aan zijn echtgenote mevrouw [erflaatster 3] gelegateerd het vruchtgebruik van door haar te kiezen goederen van zijn nalatenschap. Zijn zes kinderen heeft hij aangewezen als zijn erfgenamen onder de last van, onder meer, het vruchtgebruik-legaat aan mevrouw [erflaatster 3] . Notaris mr. [notaris] (hierna: [notaris] ) is aangewezen als executeur van de nalatenschap.
In de akte huwelijkse voorwaarden staat opgenomen dat het door de heer [persoon 1] aan mevrouw [erflaatster 3] gelegateerde vruchtgebruik zal ingaan op de dag van zijn overlijden en zal eindigen op de dag van overlijden van mevrouw [erflaatster 3] , dat mevrouw [erflaatster 3] als vruchtgebruikster zal zijn vrijgesteld van de verplichting tot het stellen van zekerheid, dat zij het bestuur zal hebben over de aan vruchtgebruik onderworpen goederen en dat zij geheel vrij zal zijn in de wijze van beleggen van die goederen. Daarbij is opgenomen dat de heer [persoon 1] met het legateren van dit vruchtgebruik wil voldoen aan een voor hem tegenover zijn echtgenote bestaande dringende verplichting van moraal en fatsoen.
2.3.
Op 12 augustus 1981 is een akte afgifte van vruchtgebruik gepasseerd. Daaruit volgt dat mevrouw [erflaatster 3] heeft gekozen om vruchtgebruik te vestigen op de navolgende goederen van de nalatenschap van de heer [persoon 1] :
“de zaken zoals vermeld op het uittreksel uit de successie-aangifte, gehecht aan deze akte, alsmede de twee appartementsrechten aan [adres 1] ,(…), welke genoemde zaken in totaal in de successie-aangifte zijn opgenomen voor een bedrag van (…) f 316.500,==
Voorts kiest zij:
32.46145 % onverdeeld aandeel van de blote eigendom van nominaal (…)
f 610.000,== notes zes één/vierde procent Algemene Bank Nederland N.V.
1978/1983, nominaal (…) f 1.230.000,== notes zes en half procent
Nederlandse Middenstandbank N.V. 1978/1983, ten sterfdage waard (…)
f 483.500,==
Totaal (…) f 800.000,==”.
Verderop in de akte is opgenomen dat de gekozen goederen door [notaris] aan mevrouw [erflaatster 3] in vruchtgebruik zijn afgegeven en dat mevrouw [erflaatster 3] aan [notaris] volmacht verleend om:
“voor en namens haar alle hiervoor vermelde zaken zoveel mogelijk op haar naam te doen stellen en de nodige verrekeningen te doen uitvoeren, zoals hierna vermeld.
De heer [notaris] verklaarde deze volmacht te aanvaarden en zowel in zijn hoedanigheid van gemachtigde van mevrouw [persoon 1] - [erflaatster 3] als in zijn hoedanigheid van executeur testamentair, de nodige verrekeningen op zo kort mogelijke termijn te zullen uitvoeren, alsmede vorderingen te innen, teneinde te bereiken dat de hiervoor vermelde zaken, met uitzondering van het verhuurde onroerend goed, op zo kort mogelijke termijn liquide worden gemaakt, zodat de zaken tot de hiervoor vermelde bedragen, alsmede de sedert de datum van overlijden op de betreffende zaken genoten vruchten kunnen worden geplaatst op één of meer rekeningen ten name van de Erven van de heer [persoon 1] als blote eigenaren en mevrouw [persoon 1] - [erflaatster 3] als vruchtgebruikster, waarna belegging zal plaatsvinden”.
2.4.
Op 11 mei 1983 is een akte boedelbeschrijving en (partiële) scheiding en deling gepasseerd. Daarin verklaart [notaris] , handelend als executeur-testamentair en gevolmachtigde van de erfgenamen:
“dat sedert erflaters overlijden diverse ontvangsten en uitgaven zijn gedaan zoals aan de erven bekend gemaakt via de aan hen verstrekte overzichten van ontvangsten en uitgaven en dat de door de erflater gemaakte legaten zijn uitgekeerd”.
Vervolgens is in de akte beschreven welke baten de nalatenschap van de heer [persoon 1] (nog) omvat en aan wie van de erfgenamen deze worden toebedeeld. Voor wat betreft de goederen belast met het vruchtgebruik ten behoeve van mevrouw [erflaatster 3] vermeldt de akte:
“Met betrekking tot de hiervoorbedoelde met vruchtgebruik belaste zaken wordt overeengekomen dat deze voorshands onverdeeld eigendom blijven van alle zes erven,(…)”.
2.5.
Op 15 februari 1996 is tussen [bedrijf 1] BV en [bedrijf 2] BV, van welke vennootschappen de heer [persoon 1] directeur was, enerzijds en mevrouw [erflaatster 3] anderzijds een vaststellingsovereenkomst gesloten met betrekking tot de afkoop van pensioenrechten.
2.6.
Op 15 december 2021 is mevrouw [erflaatster 3] overleden. Mevrouw [erflaatster 3] heeft over haar nalatenschap beschikt laatst bij testament van 30 januari 2014. Daarbij heeft zij haar dochter [gedaagde 2] aangewezen tot haar enige erfgename en de heer [persoon 4] aangewezen tot executeur van haar nalatenschap.
2.7.
Na verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank hebben [eisers] ten laste van de heer [persoon 4] in zijn hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van mevrouw [erflaatster 3] en [gedaagde 2] conservatoir beslag doen leggen onder derden en op de onroerende zaak aan [adres 2] . Dit tot zekerheid van verhaal van een op de nalatenschap van mevrouw [erflaatster 3] gepretendeerde vordering, door de voorzieningenrechter begroot op € 370.000,00 inclusief rente en kosten.
2.8.
[gedaagde 2] heeft de nalatenschap van haar moeder (hierna: erflaatster) aanvankelijk zuiver aanvaard. Na verkregen machtiging van de kantonrechter van deze rechtbank heeft [gedaagde 2] de nalatenschap alsnog beneficiair aanvaard. De erfgenamen zijn in hoger beroep gegaan van de beslissing van de kantonrechter.
2.9.
Op 20 november 2023 heeft de heer [persoon 4] als executeur van de nalatenschap van erflaatster in zijn plaats gezet de heer [gedaagde 1] .
Geschil
3.1.
[eisers] vorderen – samengevat – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
A. de executeur en [gedaagde 2] te veroordelen tot afgifte van primair de in vruchtgebruik gegeven goederen, zijnde:
- de zaken zoals vermeld op het uittreksel uit de successieaangifte gehechte akte,
- 32.641,45% onverdeeld aandeel van de blote eigendom van nominaal
€ 610.000,00 notes zes/één vierde procent Algemene Bank Nederland NV 1978/1983 nominaal € 1.230.000,00 notes zes en half procent Nederlandse
Middenstandbank NV 1978/1983, dan wel subsidiair hetgeen daarvoor in de plaats is getreden, voorgaande op straffe van verbeurte van een dwangsom, dan wel meer subsidiair de executeur en [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling van de waarde van de goederen,
B. de executeur en [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 29.040,00 (voor onderhoud) en € 21.600,00 (voor niet gederfde huur),
C. de executeur en [gedaagde 2] te veroordelen in de kosten van deze procedure.
3.2.
Gelet op de akte vruchtgebruik, waarop ter onderbouwing van de vordering een beroep wordt gedaan, gaat de rechtbank ervan uit dat [eisers] in hun vordering abusievelijk de waarde van de notes in euro’s hebben weergegeven in plaats van Nederlandse guldens.
3.3.
[eisers] leggen aan hun vordering onder A ten grondslag dat door het overlijden van erflaatster het aan haar gelegateerde vruchtgebruik is geëindigd, waardoor zij als erfgenamen van de heer [persoon 1] recht hebben op afgifte van de in vruchtgebruik gegeven goederen dan wel hetgeen daarvoor in de plaats is getreden (het vruchtgebruikvermogen). Aan de vordering onder B leggen zij ten grondslag dat erflaatster is tekortgeschoten in de op haar rustende verplichting om ten aanzien van de aan haar in vruchtgebruik gegeven goederen de zorg van een goed vruchtgebruikster in acht te nemen. [eisers] stellen dat zij daardoor schade hebben geleden en dat zij deze schade op de nalatenschap van erflaatster kunnen verhalen.
3.4.
De executeur en [gedaagde 2] voeren verweer. De executeur en [gedaagde 2] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
nietige dagvaarding
4.1.
Bij conclusie na mondelinge behandeling hebben de executeur en [gedaagde 2] hun beroep op nietigheid van de dagvaarding niet gehandhaafd. Daar hoeft dus niet op te worden beslist.
omvang van het geschil
4.2.
Na de mondelinge behandeling is tussen partijen niet langer in geschil dat de twee aan vruchtgebruik onderworpen appartementsrechten aan [adres 1] in volle eigendom van [eisers] zijn gekomen. Verder is niet langer in geschil dat de overige aan vruchtgebruik onderworpen goederen contant zijn gemaakt, dat de gelden op een beleggingsrekening bij de ABN AMRO bank zijn gestort met [rekeningnummer] (hierna: de beleggingsrekening) en dat [eisers] bloot eigenaren van deze rekening waren en erflaatster vruchtgebruikster.
4.3.
[eisers] stellen bij conclusie na mondelinge behandeling dat de onder A genoemde primaire vordering tot afgifte van de in vruchtgebruik gegeven goederen niet langer in stand kan blijven en daarom wordt toegekomen aan hun subsidiaire vordering tot afgifte van het vruchtgebruikvermogen op grond van artikel 3:213 BW (zaaksvervanging) dan wel meer subsidiair vergoeding van de waarde daarvan.
toepasselijk recht
4.4.
[eisers] stellen dat op grond van het bepaalde in artikel 126 Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek (ONBW) het testament van de heer [persoon 1] moet worden uitgelegd aan de hand van het oud Burgerlijk Wetboek (oud BW). In het oud BW ontbrak een regeling die de vruchtgebruiker de bevoegdheid gaf de aan vruchtgebruik onderworpen goederen te vervreemden en te verteren. Dit brengt met zich dat de heer [persoon 1] heeft gekozen voor een vruchtgebruik zonder de bevoegdheid voor erflaatster om de goederen waarop ten behoeve van haar vruchtgebruik zou worden gevestigd, te verteren. Nadat de aan vruchtgebruik onderworpen goederen contant zijn gemaakt, zijn de op de beleggingsrekening gestorte gelden tot het vruchtgebruikvermogen gaan behoren. De vordering op de bank, in dit geval de ABN AMRO bank, wordt naar oud recht als ‘eigenlijk’ vruchtgebruik beschouwd (in tegenstelling tot ‘oneigenlijk’ vruchtgebruik, dat ziet op een verbruikbaar goed). In dit verband kan worden verwezen naar het arrest MeesPierson/Ten Bos. Op eigenlijk vruchtgebruik is artikel 804 oud BW (dat ziet op afgifte van het vruchtgebruik bij het eindigen daarvan) niet van toepassing. Op grond van het bepaalde in artikel 68a ONBW zijn daarom de bepalingen van het nieuw BW van toepassing op het vruchtgebruik van erflaatster, aldus [eisers]
4.5.
[eisers] stellen dat op grond van artikel 3:214 BW de gelden op de beleggingsrekening in beginsel niet mochten worden verbruikt, maar moesten worden belegd. Artikel 3:213 BW bepaalt dat al hetgeen in de plaats treedt van aan vruchtgebruik onderworpen goederen toebehoort aan de hoofdgerechtigden en dat dit ook aan het vruchtgebruik onderworpen is. Na het eindigen van het vruchtgebruik moet de vruchtgebruiker of zijn rechtverkrijgende op grond van artikel 3:225 BW het vruchtgebruikvermogen aan de hoofdgerechtigde ter beschikking stellen.
Bij het vestigen van het onderhavige vruchtgebruik had het vruchtgebruikvermogen een waarde van f 800.000,-, waaronder begrepen de twee appartementsrechten ter waarde van in totaal f 68.500,-. Erflaatster heeft een bedrag van f 190.000,- van de beleggingsrekening besteed aan de aankoop van de woning aan [adres 2] . De aankoop van de woning was een herbelegging als bedoeld in artikel 3:214 BW. De woning maakt daarom op grond van artikel 3:213 BW onderdeel uit van het vruchtgebruikvermogen. Op grond van het voorgaande kunnen zij daarom aanspraak maken op f 541.500 (€ 245.721,87) plus de woning in [plaats 9] . (f 800.000,- minus f 68.500,- in totaal f 731.500,- minus f 190.000,-). Dan wel, als de rechtbank oordeelt dat geen sprake is van zaaksvervanging, kunnen zij aanspraak maken op f 731.500,-. Meer subsidiair vorderen [eisers] daarom € 331.486,39.
4.6.
De executeur en [gedaagde 2] betwisten niet dat het testament van de heer [persoon 1] aan de hand van het oud BW moet worden uitgelegd en dat daarin het recht om de aan vruchtgebruik onderworpen goederen te vervreemden en te verteren niet voorkwam, maar – zo stellen zij – het oude recht kende wèl het stellen van zekerheid door een vruchtgebruiker. Erflaatster was als vruchtgebruikster vrijgesteld van het stellen van zekerheid. Bovendien was ten aanzien van het vruchtgebruik bepaald dat sprake was van een verbintenis uit hoofde van moraal en fatsoen, een zogenaamde natuurlijke verbintenis. Het niet hoeven geven van zekerheid en het voldoen aan een natuurlijke verbintenis met betrekking tot het levensonderhoud van erflaatster, duidt op een recht van verbruik en vertering. Het is volgens de executeur en [gedaagde 2] dus helemaal niet zeker of er naar oud recht geen sprake was van een recht op verbruik en vertering van het vruchtgebruik.
4.7.
De executeur en [gedaagde 2] verbinden geen rechtsgevolg aan hun standpunt dat erflaatster naar oud recht (mogelijk toch) een recht van verbruik en vertering toekwam. De rechtbank kan om die reden geen beslissing nemen over de verteringsbevoegdheid van erflaatster. Dit staat aan de beoordeling van het geschil overigens niet in de weg, nu de executeur en [gedaagde 2] niet stellen dat erflaatster het vruchtgebruikvermogen heeft verteerd.
4.8.
De executeur en [gedaagde 2] betwisten niet dat de vordering op de ABN AMRO bank met betrekking tot de op de beleggingsrekening gestorte gelden na contant making van de aan vruchtgebruik onderworpen goederen naar oud recht als ‘eigenlijk’ vruchtgebruik wordt beschouwd. De executeur en [gedaagde 2] menen, anders dan [eisers] , dat de bepalingen van het oud BW van toepassing zijn op het vruchtgebruik van erflaatster. Daaraan leggen zij artikel 87 ONBW ten grondslag. De rechtbank volgt de executeur en [gedaagde 2] daarin niet. Het uitgangspunt van de ONBW is de onmiddellijke werking van de nieuwe bepalingen, tenzij daarop een uitzondering is gemaakt. Artikel 87 ONBW bevat geen uitzondering op de hoofdregel. [eisers] stellen naar het oordeel van de rechtbank terecht dat op grond van artikel 68a ONBW de bepalingen van het nieuw BW op het vruchtgebruik van erflaatster van toepassing zijn. Aan de orde is thans de vraag wat dit betekent voor de vorderingen van [eisers]
vruchtgebruik beëindigd anders dan door overlijden erflaatster?
4.9.
De executeur en [gedaagde 2] stellen dat na het overlijden van erflaatster het gestelde vruchtgebruikvermogen, met uitzondering van de twee appartementsrechten, niet is aangetroffen in de (nog) aanwezige administratie van erflaatster, terwijl erflaatster wel het vruchtgebruik administreerde. [eisers] als eigenaren van de beleggingsrekening en aan wie afschriften van die rekening zouden moeten zijn toegezonden, moeten het antwoord hebben op de vraag wat er met het vruchtgebruikvermogen is gebeurd. Volgens de executeur en [gedaagde 2] is het antwoord, dat er sinds 1996 geen vruchtgebruik meer bestaat, anders dan op de twee appartementsrechten, welk vruchtgebruik is geëindigd met het overlijden van erflaatster. De woning aan [adres 2] heeft overigens nooit tot het vruchtgebruikvermogen behoort, aldus de executeur en [gedaagde 2] .
4.10.
De executeur en [gedaagde 2] voeren een bevrijdend verweer.
Dictum
De rechtbank
5.1.
draagt de executeur en [gedaagde 2] op te bewijzen dat het vruchtgebruik sinds 1996 niet meer bestaat doordat erflaatster in dat jaar afstand van het recht op vruchtgebruik heeft gedaan,
5.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 30 april 2025 voor uitlating door partijen of zij bewijs willen leveren door het overleggen van
bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
5.3.
bepaalt dat, als partijen geen bewijs door het horen van getuigen willen leveren
maar wel bewijsstukken willen overleggen, zij die stukken dan direct in het geding
moeten brengen,
5.4.
bepaalt dat, als partijen getuigen willen laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden juni, augustus en september 2025 dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
5.5.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. Van 't Nedereind, in het gerechtsgebouw te Breda, Stationslaan 10,
5.6.
bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,
5.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van 't Nedereind en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2025
HR 9 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2536, NJ 1999/285
Artikel 3:207 lid 3 BW
Beoordeling
Op hen rust daarom de stelplicht en bij voldoende betwisting de bewijslast van hun stelling dat er sinds 1996 geen vruchtgebruik meer bestaat, anders dan op de twee appartementsrechten.
4.11.
In dat kader stellen de executeur en [gedaagde 2] het volgende.
Op 15 februari 1996 is tussen [bedrijf 1] BV en [bedrijf 2] BV enerzijds en erflaatster anderzijds een vaststellingsovereenkomst (VSO) gesloten met betrekking tot de afkoop van pensioenrechten. Op 19 februari 2016 is op grond van de VSO een bedrag aan erflaatster uitgekeerd van netto f 831.850,-. Daarvan werd een bedrag van f 750.000,- gedurende drie maanden op de derdenrekening van het advocatenkantoor van erflaatster, [persoon 5] , in depot gehouden. Deze periode was voldoende om het ter beschikking stellen van het vruchtgebruikvermogen aan [eisers] administratief af te wikkelen. Het in depot gehouden bedrag is daarna aan erflaatster uitgekeerd. Dit bedrag was ongeveer gelijk aan het vruchtgebruikvermogen van f 800.000,- minus de (oorspronkelijke) waarde van de appartementsrechten van afgerond f. 69.000,-. Na ontvangst van de betaling onder de VSO zou erflaatster, de stelling van [eisers] volgend, moeten hebben beschikt over het vruchtgebruikvermogen én over het bedrag ter zake de afkoop van pensioenrechten; een bedrag van in totaal f 1.582.000,- (f 750.000,- plus afgerond f 832.000,-). Dat bedrag is niet terug te vinden in de (voorlopige) aangiften vermogens- en inkomstenbelasting van erflaatster in de jaren na 1996 en ook niet in haar administratie. Ter onderbouwing hiervan wordt verwezen naar de overgelegde (voorlopige) aangiften/aanslagen van de jaren 1995 tot en met 1999. Dat erflaatster vanaf 1996 geen vruchten meer uit het vruchtgebruik ontving, kan worden afgeleid uit de overgelegde brieven van [naam] , die toen de belastingaangifte van erflaatster verzorgde, van 1 mei 1996 en 18 juli 1996, waarin wèl de huurinkomsten uit de appartementen in [plaats 1] worden genoemd, maar geen vruchten uit belegd vermogen. In het overgelegde faxbericht van [persoon 5] aan [bedrijf 3] van 5 februari 1996 wordt voorts te kennen gegeven dat de inkomsten uit vermogen van erflaatster ‘niet substantieel’ zijn, hetgeen niet zou worden gezegd als erflaatster op dat moment een rendement uit een vruchtgebruikvermogen van f 800.000,- zou genieten. Kortom, het vruchtgebruik moet zijn opgegeven als gevolg van het bereiken van een schikking over de pensioenrechten. Daarvoor zijn ook de navolgende aanwijzingen:
- de heer [persoon 6] , directeur van de betrokken vennootschappen en echtgenoot van één van de
erven [persoon 1] , hield het zakelijk belang van de vennootschappen en zijn privébelang
niet gescheiden. Ter onderbouwing hiervan wordt verwezen naar de overgelegde brief van
[notaris] aan erflaatster van 2 april 1996, waaruit afgeleid kan worden dat de heer
[persoon 6] aan het verzoek van erflaatster tot wijziging van de VSO wil meewerken in ruil voor
50% aandeel in het fiscaal voordeel dat erflaatster daardoor zou verkrijgen,
- de bereidheid van de vennootschappen tot het schikken met erflaatster is door de heer [persoon 6]
afhankelijk gemaakt van de bereidheid van erflaatster tot het doen van afstand van het
vruchtgebruik,
- dat erflaatster met de regeling akkoord ging, is begrijpelijk. Zij ontving in ruil voor het
vruchtgebruikvermogen een vermogen van gelijke hoogte, dat haar in volle eigendom zou
toebehoren,
- dat de privéafspraak niet in de VSO is terechtgekomen, is begrijpelijk om(dat):
* schijn van belangenverstrengeling van de heer [persoon 6] te voorkomen,
* het mogelijk niet wenselijk was om civiel- en wellicht ook fiscaalrechtelijke
redenen,
* het niet noodzakelijk was, omdat een bedrag een bepaalde periode in depot
werd gehouden totdat de afstand van het vruchtgebruik door erflaatster zou zijn
geregeld c.q. administratief zou zijn verwerkt.
4.12.
[eisers] stellen dat zij niet weten wat er met het vruchtgebruik is gebeurd. Zij betwisten dat zij bankafschriften hebben ontvangen van de beleggingsrekening en stellen dat erflaatster hen niet op de hoogte heeft gehouden van het verloop van het vruchtgebruikvermogen. Betwist wordt dat het vruchtgebruik sinds 1996 niet meer bestaat doordat erflaatster in dat jaar afstand van het recht op vruchtgebruik heeft gedaan. Dat afstand van het recht op vruchtgebruik is gedaan bij het sluiten van de VSO met betrekking tot de afkoop van pensioenrechten, kan niet worden afgeleid uit de stukken waarnaar wordt verwezen. Zij hebben in ieder geval geen medewerking verleend aan afstand van het recht op vruchtgebruik door erflaatster. In de vennootschappen die partij waren bij de VSO hadden zij in 1996 geen enkel belang, op mevrouw [eiser 2] na. De vennootschappen waren ook niet gerechtigd om namens hen afspraken te maken over het vruchtgebruik en de heer [persoon 6] is geen erfgenaam in de nalatenschap van de heer [persoon 1] . Bovendien blijkt nergens uit dat het recht op vruchtgebruik door afstand rechtsgeldig is geëindigd en dat erflaatster het vruchtgebruikvermogen ter vrije beschikking aan hen als hoofdgerechtigden heeft gesteld. Afstand van het recht op vruchtgebruik vindt op grond van artikel 3:98 BW plaats op dezelfde wijze als waarop overdracht van het goed waarop het recht is gevestigd, plaatsvindt. Artikel 5 onder C van de akte huwelijkse voorwaarden van 27 juni 1980 bepaalt dat het vruchtgebruik aan erflaatster moet worden afgegeven bij notariële akte. Volgens [eisers] betekent dit dat afstand van het recht op het onderhavige vruchtgebruik op dezelfde wijze moet plaatsvinden, maar een notariële akte waarin dat is vastgelegd, is niet gepasseerd.
4.13.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben [eisers] de stelling van de executeur en [gedaagde 2] , dat het vruchtgebruik, met uitzondering van de twee appartementsrechten, sinds 1996 niet meer bestaat doordat erflaatster in dat jaar afstand van het recht op vruchtgebruik heeft gedaan, voldoende gemotiveerd betwist. Gelet op deze betwisting en omdat de executeur en [gedaagde 2] zich op de rechtsgevolgen van hun stelling beroepen, rust op hen de last hun stelling te bewijzen. Met het verzoek van de executeur en [gedaagde 2] aan de rechtbank om in het kader van bewijslevering rekening te houden met de aanwezigheid van bewijsnood aan hun zijde, kan niet worden ingestemd. [eisers] stellen terecht dat op erflaatster als beheerster van het vruchtgebruikvermogen de plicht rustte om van het (verloop van het) vruchtgebruikvermogen een deugdelijke administratie bij te houden. Indien en voor zover sprake mocht zijn van bewijsnood, komt dat om die reden voor rekening en risico van erflaatster dan wel [gedaagde 2] als haar rechtsopvolger. De executeur en [gedaagde 2] zullen in de gelegenheid worden gesteld hun stelling te bewijzen. Daarbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
4.14.
De rechtbank volgt [eisers] in hun betoog dat op grond van de wet afstand van het recht op vruchtgebruik dezelfde weg volgt als die voor de overdracht van het goed waarop het recht is gevestigd. Anders dan [eisers] menen, betekent dit niet dat op grond van het bepaalde in de akte van huwelijkse voorwaarde afstand van het recht op het onderhavige vruchtgebruik per definitie bij notariële akte moet plaatsvinden. Tussen partijen is niet in geschil dat de op de beleggingsrekening gestorte gelden door zaaksvervanging tot het vruchtgebruik zijn gaan behoren. Overdracht van een rechtsvordering, zoals die op de ABN AMRO bank, vindt plaats op de wijze zoals in de artikelen 3:84 BW en 3:94 BW is bepaald. Daaruit volgt dat ook een onderhandse akte tot overdracht van een dergelijke vordering kan leiden als de akte zodanige gegevens bevat dat kan worden vastgesteld dat de akte is bestemd tot levering van die vordering.
Beoordeling
Op hen rust daarom de stelplicht en bij voldoende betwisting de bewijslast van hun stelling dat er sinds 1996 geen vruchtgebruik meer bestaat, anders dan op de twee appartementsrechten.
4.11.
In dat kader stellen de executeur en [gedaagde 2] het volgende.
Op 15 februari 1996 is tussen [bedrijf 1] BV en [bedrijf 2] BV enerzijds en erflaatster anderzijds een vaststellingsovereenkomst (VSO) gesloten met betrekking tot de afkoop van pensioenrechten. Op 19 februari 2016 is op grond van de VSO een bedrag aan erflaatster uitgekeerd van netto f 831.850,-. Daarvan werd een bedrag van f 750.000,- gedurende drie maanden op de derdenrekening van het advocatenkantoor van erflaatster, [persoon 5] , in depot gehouden. Deze periode was voldoende om het ter beschikking stellen van het vruchtgebruikvermogen aan [eisers] administratief af te wikkelen. Het in depot gehouden bedrag is daarna aan erflaatster uitgekeerd. Dit bedrag was ongeveer gelijk aan het vruchtgebruikvermogen van f 800.000,- minus de (oorspronkelijke) waarde van de appartementsrechten van afgerond f. 69.000,-. Na ontvangst van de betaling onder de VSO zou erflaatster, de stelling van [eisers] volgend, moeten hebben beschikt over het vruchtgebruikvermogen én over het bedrag ter zake de afkoop van pensioenrechten; een bedrag van in totaal f 1.582.000,- (f 750.000,- plus afgerond f 832.000,-). Dat bedrag is niet terug te vinden in de (voorlopige) aangiften vermogens- en inkomstenbelasting van erflaatster in de jaren na 1996 en ook niet in haar administratie. Ter onderbouwing hiervan wordt verwezen naar de overgelegde (voorlopige) aangiften/aanslagen van de jaren 1995 tot en met 1999. Dat erflaatster vanaf 1996 geen vruchten meer uit het vruchtgebruik ontving, kan worden afgeleid uit de overgelegde brieven van [naam] , die toen de belastingaangifte van erflaatster verzorgde, van 1 mei 1996 en 18 juli 1996, waarin wèl de huurinkomsten uit de appartementen in [plaats 1] worden genoemd, maar geen vruchten uit belegd vermogen. In het overgelegde faxbericht van [persoon 5] aan [bedrijf 3] van 5 februari 1996 wordt voorts te kennen gegeven dat de inkomsten uit vermogen van erflaatster ‘niet substantieel’ zijn, hetgeen niet zou worden gezegd als erflaatster op dat moment een rendement uit een vruchtgebruikvermogen van f 800.000,- zou genieten. Kortom, het vruchtgebruik moet zijn opgegeven als gevolg van het bereiken van een schikking over de pensioenrechten. Daarvoor zijn ook de navolgende aanwijzingen:
- de heer [persoon 6] , directeur van de betrokken vennootschappen en echtgenoot van één van de
erven [persoon 1] , hield het zakelijk belang van de vennootschappen en zijn privébelang
niet gescheiden. Ter onderbouwing hiervan wordt verwezen naar de overgelegde brief van
[notaris] aan erflaatster van 2 april 1996, waaruit afgeleid kan worden dat de heer
[persoon 6] aan het verzoek van erflaatster tot wijziging van de VSO wil meewerken in ruil voor
50% aandeel in het fiscaal voordeel dat erflaatster daardoor zou verkrijgen,
- de bereidheid van de vennootschappen tot het schikken met erflaatster is door de heer [persoon 6]
afhankelijk gemaakt van de bereidheid van erflaatster tot het doen van afstand van het
vruchtgebruik,
- dat erflaatster met de regeling akkoord ging, is begrijpelijk. Zij ontving in ruil voor het
vruchtgebruikvermogen een vermogen van gelijke hoogte, dat haar in volle eigendom zou
toebehoren,
- dat de privéafspraak niet in de VSO is terechtgekomen, is begrijpelijk om(dat):
* schijn van belangenverstrengeling van de heer [persoon 6] te voorkomen,
* het mogelijk niet wenselijk was om civiel- en wellicht ook fiscaalrechtelijke
redenen,
* het niet noodzakelijk was, omdat een bedrag een bepaalde periode in depot
werd gehouden totdat de afstand van het vruchtgebruik door erflaatster zou zijn
geregeld c.q. administratief zou zijn verwerkt.
4.12.
[eisers] stellen dat zij niet weten wat er met het vruchtgebruik is gebeurd. Zij betwisten dat zij bankafschriften hebben ontvangen van de beleggingsrekening en stellen dat erflaatster hen niet op de hoogte heeft gehouden van het verloop van het vruchtgebruikvermogen. Betwist wordt dat het vruchtgebruik sinds 1996 niet meer bestaat doordat erflaatster in dat jaar afstand van het recht op vruchtgebruik heeft gedaan. Dat afstand van het recht op vruchtgebruik is gedaan bij het sluiten van de VSO met betrekking tot de afkoop van pensioenrechten, kan niet worden afgeleid uit de stukken waarnaar wordt verwezen. Zij hebben in ieder geval geen medewerking verleend aan afstand van het recht op vruchtgebruik door erflaatster. In de vennootschappen die partij waren bij de VSO hadden zij in 1996 geen enkel belang, op mevrouw [eiser 2] na. De vennootschappen waren ook niet gerechtigd om namens hen afspraken te maken over het vruchtgebruik en de heer [persoon 6] is geen erfgenaam in de nalatenschap van de heer [persoon 1] . Bovendien blijkt nergens uit dat het recht op vruchtgebruik door afstand rechtsgeldig is geëindigd en dat erflaatster het vruchtgebruikvermogen ter vrije beschikking aan hen als hoofdgerechtigden heeft gesteld. Afstand van het recht op vruchtgebruik vindt op grond van artikel 3:98 BW plaats op dezelfde wijze als waarop overdracht van het goed waarop het recht is gevestigd, plaatsvindt. Artikel 5 onder C van de akte huwelijkse voorwaarden van 27 juni 1980 bepaalt dat het vruchtgebruik aan erflaatster moet worden afgegeven bij notariële akte. Volgens [eisers] betekent dit dat afstand van het recht op het onderhavige vruchtgebruik op dezelfde wijze moet plaatsvinden, maar een notariële akte waarin dat is vastgelegd, is niet gepasseerd.
4.13.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben [eisers] de stelling van de executeur en [gedaagde 2] , dat het vruchtgebruik, met uitzondering van de twee appartementsrechten, sinds 1996 niet meer bestaat doordat erflaatster in dat jaar afstand van het recht op vruchtgebruik heeft gedaan, voldoende gemotiveerd betwist. Gelet op deze betwisting en omdat de executeur en [gedaagde 2] zich op de rechtsgevolgen van hun stelling beroepen, rust op hen de last hun stelling te bewijzen. Met het verzoek van de executeur en [gedaagde 2] aan de rechtbank om in het kader van bewijslevering rekening te houden met de aanwezigheid van bewijsnood aan hun zijde, kan niet worden ingestemd. [eisers] stellen terecht dat op erflaatster als beheerster van het vruchtgebruikvermogen de plicht rustte om van het (verloop van het) vruchtgebruikvermogen een deugdelijke administratie bij te houden. Indien en voor zover sprake mocht zijn van bewijsnood, komt dat om die reden voor rekening en risico van erflaatster dan wel [gedaagde 2] als haar rechtsopvolger. De executeur en [gedaagde 2] zullen in de gelegenheid worden gesteld hun stelling te bewijzen. Daarbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
4.14.
De rechtbank volgt [eisers] in hun betoog dat op grond van de wet afstand van het recht op vruchtgebruik dezelfde weg volgt als die voor de overdracht van het goed waarop het recht is gevestigd. Anders dan [eisers] menen, betekent dit niet dat op grond van het bepaalde in de akte van huwelijkse voorwaarde afstand van het recht op het onderhavige vruchtgebruik per definitie bij notariële akte moet plaatsvinden. Tussen partijen is niet in geschil dat de op de beleggingsrekening gestorte gelden door zaaksvervanging tot het vruchtgebruik zijn gaan behoren. Overdracht van een rechtsvordering, zoals die op de ABN AMRO bank, vindt plaats op de wijze zoals in de artikelen 3:84 BW en 3:94 BW is bepaald. Daaruit volgt dat ook een onderhandse akte tot overdracht van een dergelijke vordering kan leiden als de akte zodanige gegevens bevat dat kan worden vastgesteld dat de akte is bestemd tot levering van die vordering.
Beoordeling
Dit brengt met zich, dat afstand van het recht op vruchtgebruik van de gelden op de beleggingsrekening (ook) bij onderhandse akte kan plaatsvinden. Anders is dit ten aanzien van onroerende goederen, waarop vruchtgebruik is gevestigd. Afstand van het recht op vruchtgebruik van onroerende goederen moet wèl steeds bij notariële akte plaatsvinden op grond van artikel 3:89 BW. Partijen zijn in geschil over het antwoord op de vraag of de woning aan [adres 2] door zaaksvervanging tot het vruchtgebruikvermogen is gaan behoren. De rechtbank zal daarom eerst dit geschilpunt tussen partijen bespreken.
de woning aan [adres 2]
4.15.
De executeur en [gedaagde 2] betwisten dat de woning aan [adres 2] door zaaksvervanging tot het vruchtgebruikvermogen is gaan behoren. Zij weerspreken niet de stelling van [eisers] dat de aankoop van de woning is gefinancierd vanuit het vruchtgebruikvermogen. [notaris] heeft destijds (in 1981) de aankoop van de woning voorgeschoten door van de beleggingsrekening een bedrag van f 190.000,- over te maken ten behoeve van de aankoop van de woning, maar – zo stellen zij – erflaatster heeft dit bedrag terugbetaald uit de verkoopopbrengst van haar aandeel in het appartement in [plaats 10] , dat in 1983 is verkocht. [eisers] betwisten dat het bedrag is terugbetaald.
4.16.
De executeur en [gedaagde 2] voeren een bevrijdend verweer. Op hen rust daarom de stelplicht en bij voldoende betwisting de bewijslast van hun stelling dat het bedrag van f 190.000,- voor de aankoop van de woning is terugbetaald.
4.17.
De executeur en [gedaagde 2] stellen in dat kader het volgende.
[notaris] heeft op 28 december 1981 de akte van aankoop van de woning gepasseerd. Hij was als executeur-testamentair van de nalatenschap van de heer [persoon 1] en als gevolmachtigde van erflaatster nauw betrokken bij het vruchtgebruik en had eerder dat jaar de appartementen in [plaats 1] op naam van [eisers] laten inschrijven. De woning in [plaats 9] heeft [notaris] op naam van erflaatster laten inschrijven. Als het de bedoeling was om de aankoop van de woning onder het vruchtgebruik te brengen, dan had [notaris] de woning wel op naam van [eisers] ingeschreven. In dat geval was hij ook op grond van artikel 807 oud BW verplicht om de titel van vruchtgebruik in de openbare registers in te schrijven. Dat dat niet is gebeurd, kan worden afgeleid uit het kadastraal uittreksel dat [eisers] als bijlage bij het overgelegde beslagrekest hebben gevoegd.
4.18.
Er zijn door de executeur en [gedaagde 2] geen stukken overgelegd, waaruit kan worden afgeleid dat het bedrag van f 190.000,- is terugbetaald. Vaststaat dat de woning in 1981 is aangekocht met gelden van de beleggingsrekening. Niet gesteld en niet gebleken is dat erflaatster op dat moment voor de terugbetaling van het bedrag zekerheid heeft gesteld. Het blijft daarom gissen naar de reden waarom [notaris] in 1981 de woning op naam van erflaatster heeft ingeschreven en geen titel van vruchtgebruik heeft ingeschreven. Dat [notaris] de woning op deze wijze heeft ingeschreven in openbare registers, kan echter niet de conclusie rechtvaardigen dat het bedrag van f 190.000,- is terugbetaald. Temeer niet, omdat erflaatster de verkoopopbrengst van haar aandeel in het appartement in [plaats 10] pas in 1983 ontving. De executeur en [gedaagde 2] hebben de stelling dat het bedrag voor de aankoop van de woning is terugbetaald op geen enkel manier onderbouwd, terwijl [eisers] die stelling gemotiveerd hebben betwist. De executeur en [gedaagde 2] hebben daarmee niet voldaan aan hun stelplicht. Reden waarom aan bewijslevering op dit punt niet wordt toegekomen. Daarmee komt vast te staan dat de woning door zaaksvervanging tot het vruchtgebruikvermogen is gaan behoren.
4.19.
De executeur en [gedaagde 2] hebben in algemene zin gesteld dat afstand is gedaan van het vruchtgebruik, maar zij hebben niet gesteld dat die afstand ook omvat de afstand van het vruchtgebruik op de woning in [plaats 9] . Dat zou ook strijdig zijn met hun (reeds verworpen) stelling dat de woning in [plaats 9] niet tot het vruchtgebruikvermogen behoort. Er is ook niet gesteld of gebleken dat bij notariële akte afstand is gedaan van dit deel van het vruchtgebruikvermogen (hetgeen, zo is overwogen onder nummer 4.14, wel zou zijn vereist). Daarmee komt vast te staan dat erflaatster geen afstand heeft gedaan van het vruchtgebruik op de woning in [plaats 9] . Het voorgaande brengt met zich dat de executeur en [gedaagde 2] het leveren van bewijs van hun stelling dat het vruchtgebruik sinds 1996 niet meer bestaat doordat erflaatster in dat jaar afstand van het recht op vruchtgebruik heeft gedaan, moeten toespitsen op de gelden op de beleggingsrekening.
4.20.
In afwachting van de bewijslevering wordt iedere verdere beslissing ten aanzien van de subsidiaire en meer subsidiaire vordering onder A aangehouden. De rechtbank komt thans toe aan bespreking van de vordering onder B.
verplichting zorg goed vruchtgebruikster verzaakt?
4.21.
[eisers] stellen dat ingevolge artikel 3:207 lid 3 BW op erflaatster de plicht rustte om ten aanzien van de aan haar in vruchtgebruik gegeven goederen de zorg van een goed vruchtgebruiker in acht te nemen en dat erflaatster hierin is tekortgeschoten. Zo heeft erflaatster minimaal onderhoud aan de appartementen laten verrichten, waardoor deze in een slechte onderhoudsstaat verkeerden. Daarnaast heeft erflaatster nimmer huurverhogingen doorgevoerd, waardoor de appartementen thans als sociale huurwoningen worden aangemerkt. De appartementen zijn daardoor niet courant, terwijl de huurverhoging aan banden is gelegd. Erflaatster had de panden moeten laten renderen.
4.22.
De executeur en [gedaagde 2] stellen dat erflaatster verplicht was tot het verrichten van regulier onderhoud en dat zij aan die verplichting heeft voldaan. Zij stellen dat de verplichting tot het verrichten van groot onderhoud op de bloot eigenaren/ [eisers] rustten. Erflaatster heeft [eisers] gewaarschuwd dat groot onderhoud nodig was en gevraagd of zij bereid waren om bij te dragen aan groot onderhoud, maar dat waren zij niet. Er is daarom geen grondslag voor de gevorderde schadevergoeding. Erflaatster heeft zelf onverplicht voor een bedrag van € 13.834,46 aan groot onderhoud laten verrichten (productie 8 bij conclusie van antwoord). Er wordt daarom een beroep gedaan op verrekening, indien haar nalatenschap ter zake nog iets aan [eisers] verschuldigd zou zijn. De executeur en [gedaagde 2] betwisten dat erflaatster gehouden was om periodieke huurverhogingen door te voeren. Zij had immers het bestuur over de aan het vruchtgebruik onderworpen zaken en zij was geheel vrij in de wijze van beleggen. Het had [eisers] vrij gestaan om het beheer over te nemen of jaarlijks rekening en verantwoording te vragen, wat zij nooit hebben gedaan. De appartementen zijn bovendien gedurende het vruchtgebruik aanzienlijk in waarde gestegen.
het onderhoud aan de appartementen
4.23.
Op grond van de wet is een vruchtgebruiker tegenover de hoofdgerechtigde verplicht om de zorg van een goed vruchtgebruiker in acht te nemen. Als een vruchtgebruiker niet aan deze verplichting voldoet, is hij aansprakelijk voor de schade die daardoor wordt geleden. In de akte huwelijkse voorwaarden is bepaald dat erflaatster het bestuur zal hebben over de aan het vruchtgebruik onderworpen zaken en dat zij geheel vrij is in de wijze van beleggen.
Ten aanzien van het onderhoud van vruchtgebruikgoederen bevat artikel 3:220 BW een regeling, waaruit volgt dat gewone lasten en herstellingen door de vruchtgebruiker worden gedragen en verricht. Buitengewone herstellingen komen in beginsel voor rekening van de hoofdgerechtigde.
Beoordeling
Dit brengt met zich, dat afstand van het recht op vruchtgebruik van de gelden op de beleggingsrekening (ook) bij onderhandse akte kan plaatsvinden. Anders is dit ten aanzien van onroerende goederen, waarop vruchtgebruik is gevestigd. Afstand van het recht op vruchtgebruik van onroerende goederen moet wèl steeds bij notariële akte plaatsvinden op grond van artikel 3:89 BW. Partijen zijn in geschil over het antwoord op de vraag of de woning aan [adres 2] door zaaksvervanging tot het vruchtgebruikvermogen is gaan behoren. De rechtbank zal daarom eerst dit geschilpunt tussen partijen bespreken.
de woning aan [adres 2]
4.15.
De executeur en [gedaagde 2] betwisten dat de woning aan [adres 2] door zaaksvervanging tot het vruchtgebruikvermogen is gaan behoren. Zij weerspreken niet de stelling van [eisers] dat de aankoop van de woning is gefinancierd vanuit het vruchtgebruikvermogen. [notaris] heeft destijds (in 1981) de aankoop van de woning voorgeschoten door van de beleggingsrekening een bedrag van f 190.000,- over te maken ten behoeve van de aankoop van de woning, maar – zo stellen zij – erflaatster heeft dit bedrag terugbetaald uit de verkoopopbrengst van haar aandeel in het appartement in [plaats 10] , dat in 1983 is verkocht. [eisers] betwisten dat het bedrag is terugbetaald.
4.16.
De executeur en [gedaagde 2] voeren een bevrijdend verweer. Op hen rust daarom de stelplicht en bij voldoende betwisting de bewijslast van hun stelling dat het bedrag van f 190.000,- voor de aankoop van de woning is terugbetaald.
4.17.
De executeur en [gedaagde 2] stellen in dat kader het volgende.
[notaris] heeft op 28 december 1981 de akte van aankoop van de woning gepasseerd. Hij was als executeur-testamentair van de nalatenschap van de heer [persoon 1] en als gevolmachtigde van erflaatster nauw betrokken bij het vruchtgebruik en had eerder dat jaar de appartementen in [plaats 1] op naam van [eisers] laten inschrijven. De woning in [plaats 9] heeft [notaris] op naam van erflaatster laten inschrijven. Als het de bedoeling was om de aankoop van de woning onder het vruchtgebruik te brengen, dan had [notaris] de woning wel op naam van [eisers] ingeschreven. In dat geval was hij ook op grond van artikel 807 oud BW verplicht om de titel van vruchtgebruik in de openbare registers in te schrijven. Dat dat niet is gebeurd, kan worden afgeleid uit het kadastraal uittreksel dat [eisers] als bijlage bij het overgelegde beslagrekest hebben gevoegd.
4.18.
Er zijn door de executeur en [gedaagde 2] geen stukken overgelegd, waaruit kan worden afgeleid dat het bedrag van f 190.000,- is terugbetaald. Vaststaat dat de woning in 1981 is aangekocht met gelden van de beleggingsrekening. Niet gesteld en niet gebleken is dat erflaatster op dat moment voor de terugbetaling van het bedrag zekerheid heeft gesteld. Het blijft daarom gissen naar de reden waarom [notaris] in 1981 de woning op naam van erflaatster heeft ingeschreven en geen titel van vruchtgebruik heeft ingeschreven. Dat [notaris] de woning op deze wijze heeft ingeschreven in openbare registers, kan echter niet de conclusie rechtvaardigen dat het bedrag van f 190.000,- is terugbetaald. Temeer niet, omdat erflaatster de verkoopopbrengst van haar aandeel in het appartement in [plaats 10] pas in 1983 ontving. De executeur en [gedaagde 2] hebben de stelling dat het bedrag voor de aankoop van de woning is terugbetaald op geen enkel manier onderbouwd, terwijl [eisers] die stelling gemotiveerd hebben betwist. De executeur en [gedaagde 2] hebben daarmee niet voldaan aan hun stelplicht. Reden waarom aan bewijslevering op dit punt niet wordt toegekomen. Daarmee komt vast te staan dat de woning door zaaksvervanging tot het vruchtgebruikvermogen is gaan behoren.
4.19.
De executeur en [gedaagde 2] hebben in algemene zin gesteld dat afstand is gedaan van het vruchtgebruik, maar zij hebben niet gesteld dat die afstand ook omvat de afstand van het vruchtgebruik op de woning in [plaats 9] . Dat zou ook strijdig zijn met hun (reeds verworpen) stelling dat de woning in [plaats 9] niet tot het vruchtgebruikvermogen behoort. Er is ook niet gesteld of gebleken dat bij notariële akte afstand is gedaan van dit deel van het vruchtgebruikvermogen (hetgeen, zo is overwogen onder nummer 4.14, wel zou zijn vereist). Daarmee komt vast te staan dat erflaatster geen afstand heeft gedaan van het vruchtgebruik op de woning in [plaats 9] . Het voorgaande brengt met zich dat de executeur en [gedaagde 2] het leveren van bewijs van hun stelling dat het vruchtgebruik sinds 1996 niet meer bestaat doordat erflaatster in dat jaar afstand van het recht op vruchtgebruik heeft gedaan, moeten toespitsen op de gelden op de beleggingsrekening.
4.20.
In afwachting van de bewijslevering wordt iedere verdere beslissing ten aanzien van de subsidiaire en meer subsidiaire vordering onder A aangehouden. De rechtbank komt thans toe aan bespreking van de vordering onder B.
verplichting zorg goed vruchtgebruikster verzaakt?
4.21.
[eisers] stellen dat ingevolge artikel 3:207 lid 3 BW op erflaatster de plicht rustte om ten aanzien van de aan haar in vruchtgebruik gegeven goederen de zorg van een goed vruchtgebruiker in acht te nemen en dat erflaatster hierin is tekortgeschoten. Zo heeft erflaatster minimaal onderhoud aan de appartementen laten verrichten, waardoor deze in een slechte onderhoudsstaat verkeerden. Daarnaast heeft erflaatster nimmer huurverhogingen doorgevoerd, waardoor de appartementen thans als sociale huurwoningen worden aangemerkt. De appartementen zijn daardoor niet courant, terwijl de huurverhoging aan banden is gelegd. Erflaatster had de panden moeten laten renderen.
4.22.
De executeur en [gedaagde 2] stellen dat erflaatster verplicht was tot het verrichten van regulier onderhoud en dat zij aan die verplichting heeft voldaan. Zij stellen dat de verplichting tot het verrichten van groot onderhoud op de bloot eigenaren/ [eisers] rustten. Erflaatster heeft [eisers] gewaarschuwd dat groot onderhoud nodig was en gevraagd of zij bereid waren om bij te dragen aan groot onderhoud, maar dat waren zij niet. Er is daarom geen grondslag voor de gevorderde schadevergoeding. Erflaatster heeft zelf onverplicht voor een bedrag van € 13.834,46 aan groot onderhoud laten verrichten (productie 8 bij conclusie van antwoord). Er wordt daarom een beroep gedaan op verrekening, indien haar nalatenschap ter zake nog iets aan [eisers] verschuldigd zou zijn. De executeur en [gedaagde 2] betwisten dat erflaatster gehouden was om periodieke huurverhogingen door te voeren. Zij had immers het bestuur over de aan het vruchtgebruik onderworpen zaken en zij was geheel vrij in de wijze van beleggen. Het had [eisers] vrij gestaan om het beheer over te nemen of jaarlijks rekening en verantwoording te vragen, wat zij nooit hebben gedaan. De appartementen zijn bovendien gedurende het vruchtgebruik aanzienlijk in waarde gestegen.
het onderhoud aan de appartementen
4.23.
Op grond van de wet is een vruchtgebruiker tegenover de hoofdgerechtigde verplicht om de zorg van een goed vruchtgebruiker in acht te nemen. Als een vruchtgebruiker niet aan deze verplichting voldoet, is hij aansprakelijk voor de schade die daardoor wordt geleden. In de akte huwelijkse voorwaarden is bepaald dat erflaatster het bestuur zal hebben over de aan het vruchtgebruik onderworpen zaken en dat zij geheel vrij is in de wijze van beleggen.
Ten aanzien van het onderhoud van vruchtgebruikgoederen bevat artikel 3:220 BW een regeling, waaruit volgt dat gewone lasten en herstellingen door de vruchtgebruiker worden gedragen en verricht. Buitengewone herstellingen komen in beginsel voor rekening van de hoofdgerechtigde.
Beoordeling
De wet geeft geen maatstaf voor het onderscheid tussen gewone en buitengewone reparaties, dit hangt af van de omstandigheden. In het algemeen kan worden aangenomen dat regulier onderhoud is aan te merken als ‘gewone lasten en herstellingen’.
4.24.
Tussen partijen is niet in geschil dat de appartementen in een slechte staat van onderhoud verkeren. Volgens [eisers] gaat het om buitenschilderwerk, werkzaamheden aan het dak en balkons (zo blijkt uit productie 6 bij de dagvaarding). De executeur en [gedaagde 2] stellen weliswaar dat erflaatster heeft voldaan aan haar verplichting om regulier onderhoud te plegen, maar uit het overzicht in productie 8 dat zij mede ter onderbouwing hiervan hebben overgelegd, blijkt dat in 1995 voor het laatst schilderwerk aan de buitenzijde van de appartementen is verricht. Naar het oordeel van de rechtbank moet het laten van verrichten van periodiek schilderwerk in beginsel worden aangemerkt als regulier onderhoud dat door een vruchtgebruiker moet worden verricht. De executeur en [gedaagde 2] hebben niet gesteld dat in de bijzondere omstandigheden van dit geval daar anders tegenaan moet worden gekeken. Omdat de executeur en [gedaagde 2] hun betwisting over het schilderwerk onvoldoende hebben onderbouwd, komt vast te staan dat erflaatster op dat punt niet heeft voldaan aan de verplichting die op grond van artikel 3:220 lid 1 BW op de vruchtgebruiker rust. Dit brengt met zich, dat komt vast te staan dat zij tekort is geschoten in de zorg van een goed vruchtgebruiker. Ten aanzien van het dak en de balkons geldt dit niet, omdat [eisers] niet stellen in welke zin erflaatster hierin te kort zou zijn geschoten en dit ook niet uit de offerte blijkt. Dat erflaatster op die punten tekort is geschoten in haar verplichtingen van een goed vruchtgebruiker, komt dan ook niet vast te staan.
4.25.
Het gevolg van de tekortkoming ten aanzien van het schilderwerk is dat erflaatster aansprakelijk is voor de schade die [eisers] door deze tekortkoming lijden. Het is aan [eisers] om te stellen en onderbouwen dat van schade sprake is. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [eisers] niet aan hun stelplicht voldaan. Ter onderbouwing van hun schade wijzen zij op een offerte van een onderhoudsbedrijf. Daarin staat weliswaar dat er veel achterstallig werk is aan het buitenhoutwerk, maar de offerte ten aanzien van het buitenschilderwerk bedraagt geen abnormaal hoog bedrag (€ 15.000,-) en uit de omschrijving van de uit te voeren werkzaamheden blijkt dat sprake is van werkzaamheden die horen bij regulier periodiek schilderwerk. De kosten daarvoor komen sinds het einde van het vruchtgebruik voor rekening van [eisers] zelf. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende onderbouwd dat de kosten hoger zijn dan gebruikelijke onderhoudskosten of dat sprake is van waardeverlies van de appartementen. Daarmee is onvoldoende onderbouwd dat [eisers] schade lijden. De gevorderde schadevergoeding in verband met het onderhoud wordt daarom afgewezen.
huurverhogingen
4.26.
De rechtbank wijst ook deze vordering tot vergoeding van schade af. [eisers] hebben, mede gelet op het feit dat erflaatster het beheer had en vrij was in de wijze van beleggen, onvoldoende onderbouwd op welke grond erflaatster gehouden was om de huren van de appartementen periodiek te verhogen, laat staan tot de maximaal toegestane huur waar zij van uitgaan. Bovendien is onvoldoende onderbouwd dat zij schade lijden door de lagere huurprijs. Onweersproken stellen de executeur en [gedaagde 2] namelijk dat de waarde van de appartementen aanzienlijk is gestegen. Tijdens het vruchtgebruik kwam de huuropbrengst aan erflaatster toe. Inmiddels hebben [eisers] het beheer overgenomen en zijn zij vrij om de huurinkomsten te verhogen.
bewijslevering
4.27.
Zoals overwogen onder nummers 4.13 en 4.19 zullen de executeur en [gedaagde 2] in de gelegenheid worden gesteld om hun stellingen over de afstand van het vruchtgebruik te bewijzen. In afwachting van de bewijslevering wordt iedere verdere beslissing aangehouden.
Beoordeling
De wet geeft geen maatstaf voor het onderscheid tussen gewone en buitengewone reparaties, dit hangt af van de omstandigheden. In het algemeen kan worden aangenomen dat regulier onderhoud is aan te merken als ‘gewone lasten en herstellingen’.
4.24.
Tussen partijen is niet in geschil dat de appartementen in een slechte staat van onderhoud verkeren. Volgens [eisers] gaat het om buitenschilderwerk, werkzaamheden aan het dak en balkons (zo blijkt uit productie 6 bij de dagvaarding). De executeur en [gedaagde 2] stellen weliswaar dat erflaatster heeft voldaan aan haar verplichting om regulier onderhoud te plegen, maar uit het overzicht in productie 8 dat zij mede ter onderbouwing hiervan hebben overgelegd, blijkt dat in 1995 voor het laatst schilderwerk aan de buitenzijde van de appartementen is verricht. Naar het oordeel van de rechtbank moet het laten van verrichten van periodiek schilderwerk in beginsel worden aangemerkt als regulier onderhoud dat door een vruchtgebruiker moet worden verricht. De executeur en [gedaagde 2] hebben niet gesteld dat in de bijzondere omstandigheden van dit geval daar anders tegenaan moet worden gekeken. Omdat de executeur en [gedaagde 2] hun betwisting over het schilderwerk onvoldoende hebben onderbouwd, komt vast te staan dat erflaatster op dat punt niet heeft voldaan aan de verplichting die op grond van artikel 3:220 lid 1 BW op de vruchtgebruiker rust. Dit brengt met zich, dat komt vast te staan dat zij tekort is geschoten in de zorg van een goed vruchtgebruiker. Ten aanzien van het dak en de balkons geldt dit niet, omdat [eisers] niet stellen in welke zin erflaatster hierin te kort zou zijn geschoten en dit ook niet uit de offerte blijkt. Dat erflaatster op die punten tekort is geschoten in haar verplichtingen van een goed vruchtgebruiker, komt dan ook niet vast te staan.
4.25.
Het gevolg van de tekortkoming ten aanzien van het schilderwerk is dat erflaatster aansprakelijk is voor de schade die [eisers] door deze tekortkoming lijden. Het is aan [eisers] om te stellen en onderbouwen dat van schade sprake is. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [eisers] niet aan hun stelplicht voldaan. Ter onderbouwing van hun schade wijzen zij op een offerte van een onderhoudsbedrijf. Daarin staat weliswaar dat er veel achterstallig werk is aan het buitenhoutwerk, maar de offerte ten aanzien van het buitenschilderwerk bedraagt geen abnormaal hoog bedrag (€ 15.000,-) en uit de omschrijving van de uit te voeren werkzaamheden blijkt dat sprake is van werkzaamheden die horen bij regulier periodiek schilderwerk. De kosten daarvoor komen sinds het einde van het vruchtgebruik voor rekening van [eisers] zelf. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende onderbouwd dat de kosten hoger zijn dan gebruikelijke onderhoudskosten of dat sprake is van waardeverlies van de appartementen. Daarmee is onvoldoende onderbouwd dat [eisers] schade lijden. De gevorderde schadevergoeding in verband met het onderhoud wordt daarom afgewezen.
huurverhogingen
4.26.
De rechtbank wijst ook deze vordering tot vergoeding van schade af. [eisers] hebben, mede gelet op het feit dat erflaatster het beheer had en vrij was in de wijze van beleggen, onvoldoende onderbouwd op welke grond erflaatster gehouden was om de huren van de appartementen periodiek te verhogen, laat staan tot de maximaal toegestane huur waar zij van uitgaan. Bovendien is onvoldoende onderbouwd dat zij schade lijden door de lagere huurprijs. Onweersproken stellen de executeur en [gedaagde 2] namelijk dat de waarde van de appartementen aanzienlijk is gestegen. Tijdens het vruchtgebruik kwam de huuropbrengst aan erflaatster toe. Inmiddels hebben [eisers] het beheer overgenomen en zijn zij vrij om de huurinkomsten te verhogen.
bewijslevering
4.27.
Zoals overwogen onder nummers 4.13 en 4.19 zullen de executeur en [gedaagde 2] in de gelegenheid worden gesteld om hun stellingen over de afstand van het vruchtgebruik te bewijzen. In afwachting van de bewijslevering wordt iedere verdere beslissing aangehouden.