Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-05-20
ECLI:NL:RBZWB:2025:5483
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
21,110 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummers: C/02/426783 / FA RK 24-4356 (echtscheiding) en
C/02/431523 FA RK 25-577 (boedel)
beschikking d.d. 20 mei 2025
in de zaak van
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. P.C. van der Kuijl te Middelburg,
en
[de man]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. M.P. Kapteijn te Middelburg.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 17 september 2024 ontvangen verzoekschrift tot echtscheiding en nevenvoorzieningen, met een productie;
- het verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek, ontvangen op 6 december 2024, met producties;
- de op 3 februari 2025 ontvangen wijziging en aanvulling verzoek tevens verweer op zelfstandig verzoek, met producties;
- het F-formulier van de kant van de man van 9 april 2025, met producties;
- het F-formulier van de kant van de vrouw van 11 april 2025, met producties;
- het F-formulier van de kant van de man van 14 april 2025, met producties.
1.2. De verzoeken zijn behandeld tijdens een mondelinge behandeling op 24 april 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Mr. Kapteijn heeft door haar opgestelde pleitaantekeningen op voorhand aan de rechtbank en de wederpartij toegezonden. Mr. Van der Kuijl heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling het woord gevoerd aan de hand van een door haar opgestelde en overgelegde pleitnota (alleen de pagina’s 5, 6 en van 7 de eerste alinea, en pagina 8 de tekst onder het kopje “Hond”).
Feiten
2.1.
Partijen zijn op [datum] 2020 in de gemeente Vlissingen met elkaar gehuwd.
2.2.
Ten tijde van het aangaan van het huwelijk bewoonden partijen de woning [adres 1] te [woonplaats] (hierna: woning I), die volledig eigendom was van de vrouw. Partijen hebben tijdens het huwelijk voor een bedrag van € 626.000,-- de woning [adres 2] te [woonplaats] (hierna: woning II) aangekocht en op 4 augustus 2021 geleverd gekregen.
2.3.
De aankoop van woning II is door partijen deels gefinancierd met een hypothecaire lening. Daarnaast is de verkoopopbrengst van woning I van € 215.802,48 in de aankoop van woning II geïnvesteerd. Partijen hebben verder uit ieders eigen vermogen aan de aankoop bijgedragen met een (als waarborgsom betaald) bedrag van in totaal € 63.000,--.
2.4.
Voor het huwelijk, op 25 mei 2020, hebben partijen een door de vrouw opgesteld “Overzicht financiën” ondertekend. De tekst van dat overzicht luidt als volgt:
“Overzicht financiën
[de man]
Spaarrekening € 22.740,--
Lopende rekening € 1.424,11 +
Totaal € 24.164,11
[de vrouw]
Spaarrekening € 32.500
Lopende rekening € 3.563,21
Geld dat in het huis zit € 75.552,53 +(dit bedrag is zonder de bijdrage van [de man] en door ons samen berekend)
Totaal € 111.615,74
€ 111.615,74 - € 24.164,11 = € 77.451,63
Mochten we gaan scheiden dan gaat het eerste deel van € 87.451,63 naar [de vrouw] daarna wordt alles pas verdeeld onder elkaar.”
3De verzoeken
3.1.
De vrouw verzoekt de rechtbank (na wijziging en aanvulling van haar verzoeken) om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. in het op [datum] 2020 tussen partijen in de gemeenste Vlissingen gesloten huwelijk, de echtscheiding uit te spreken;
II. de tussen partijen bestaan hebbende beperkte huwelijksgoederengemeenschap (hierna: de gemeenschap) te verdelen conform het door de haar overgelegde formulier verdelen en verrekenen, en daarbij:
- te bepalen dat als peildatum voor de samenstelling en de waardering van de gemeenschap 10 mei 2024 geldt;
- te bepalen dat bij toedeling van woning II voor een waarde van € 725.000,--, de vrouw een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap van € 265.702,63 (dan wel op de man van € 132.851,32), dan wel van een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag;
- te bepalen dat woning II voor een waarde van € 725.000,--, alsmede de hypothecaire lening bij [organisatie] aan de vrouw wordt toegedeeld onder de opschortende voorwaarde van ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de man,
en te bepalen dat de vrouw, na verrekening van haar vergoedingsrecht van de overwaarde (zijnde € 381.523,09) per saldo een bedrag van € 57.910,23 aan de man dient te betalen, dan wel een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag;
- te bepalen dat wanneer de vrouw de voor de overname van woning II en van de hypothecaire lening benodigde financiering niet kan realiseren:
- woning II dient te worden verkocht en de hypothecaire lening dient te worden afgelost,
- waarna uit de overwaarde eerst een vergoedingsrecht aan de vrouw dient te worden voldaan van € 229.420,48 + € 915,-- per maand vanaf de peildatum tot aan de datum van levering van woning II, te vermeerderen met een percentage dat volgt uit: de verkoopwaarde van woning II gedeeld door € 626.000,--,
- en dat van de resterende overwaarde partijen ieder de helft ontvangen,
dan wel een zodanige regeling te treffen als de rechtbank in goede justitie voorkomt;
- te bepalen dat als woning II aan een derde wordt verkocht, de man ter zake van kosten van onderhoud en herstel een bedrag van € 2.253,76 aan de vrouw dient te betalen, dan wel een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag;
- te bepalen dat van de inboedelgoederen de campingstoelen Isabella 2024, Cadac Grill inclusief gasfles, 2 tuinstoeltjes Jysk, vitrinekast en 1 grillplaat aan de man wordt toegedeeld, en de overige inboedelgoederen aan de vrouw en daarbij bepaalt dat de vrouw € 1.00,-- aan de man dient te betalen;
- te bepalen dat de Fiat Abarth aan de man wordt toegedeeld en daarbij bepaalt dat de man € 7.500,-- aan de vrouw dient te betalen;
- te bepalen dat de hypotheekrenteaftrek van de jaren 2024 en 2025 volledig aan de vrouw toekomt, dan wel een zodanige regeling te treffen als de rechtbank in goede justitie voorkomt;
- te bepalen dat de huidige hypotheekrente van 1,33% volledig aan de vrouw wordt toegedeeld, dan wel een zodanige regeling te treffen als de rechtbank in goede justitie voorkomt;
- te bepalen dat de [hond] aan de vrouw wordt toegedeeld en dat de man ter zake de met de verzorging van deze hond verband houdende kosten aan de vrouw dient te betalen een bedrag van € 16.500,--, dan wel een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag of betalingsregeling.
De vrouw vraagt verder toewijzing van het verzoek van de man onder 1, refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de door de man ingediende verzoeken onder 2, onder a, eerste zinsnede, c, f (voor zover het de toedeling van goederen aan de man betreft) en h, en verzoekt afwijzing van de overige verzoeken van de man.
3.2.
De man verweert zich tegen het verzoek van de vrouw onder II. Bij zelfstandige verzoek vraagt hij de rechtbank om:
1. de echtscheiding uit te spreken in het huwelijk van partijen, gesloten op [datum] 2020 te [woonplaats] ;
2. te bepalen dat de afwikkeling en de verdeling van de gemeenschap plaats vindt als volgt:
primair:
a. woning II, evenals de hypothecaire lening bij [organisatie] wordt toegedeeld aan de vrouw, onder de opschortende voorwaarde dat de man wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake de hypothecaire lening en de vrouw aan de man een bedrag van € 147.035,73 voldoet;
b. voor het geval de vrouw woning II niet kan overnemen onder genoemde voorwaarde: woning II wordt verkocht, waarbij
- de overwaarde tussen partijen bij helfte wordt verdeeld aldus, dat het aandeel van de vrouw wordt vermeerderd met € 43.725,81 (dan wel € 49.700, 02) en het aandeel van de man wordt verminderd met € 43.725,81 (dan wel € 49.700,02);
- de vrouw aan de man dient te betalen de helft van de hypotheekaflossingen, afhankelijk van de peildatum;
c. de vrouw dient aan de man te betalen een bedrag van € 15.588,64 in verband met toename van haar banksaldi;
d. de vrouw dient € 492,71 aan de man te betalen in verband met de verdeling van het saldo op de gezamenlijke bankrekening [rekeningnummer 1];
e. het saldo van de gezamenlijke bankrekening [rekeningnummer 2] dient bij helfte te worden verdeeld en de rekening dient te worden toegedeeld aan de vrouw;
f. de inboedelgoederen worden toegedeeld aan de vrouw, met uitzondering van de campingstoelen Isabella 2024, Cadac Grill inclusief gasfles, 2 tuinstoeltjes Jysk, vitrinekast en 1 grillplaat; genoemde inboedelgoederen worden toegedeeld aan de man samen met de Fiat Abarth, zonder nadere verrekening;
g. de caravan wordt verkocht en de opbrengst daarvan wordt bij helfte gedeeld;
h.
Beoordeling
Echtscheiding
4.1.
Beide partijen verzoeken de echtscheiding in hun huwelijk uit te spreken. Zij hebben beiden gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De verzoeken tot echtscheiding zullen, als op de wet gegrond, worden toegewezen.
Verdeling huwelijksgoederengemeenschap
4.2
Partijen zijn met elkaar gehuwd zonder het opmaken van huwelijkse voorwaarden, zodat op hun beperkte huwelijksgemeenschap (hierna: de gemeenschap) van toepassing zijn de artikelen 1:94 en volgende van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Dit betekent dat alleen hetgeen partijen tijdens hun huwelijk hebben opgebouwd en de goederen die daarvoor aan hen gezamenlijk toebehoorden, tot de gemeenschap behoren.
4.3.
Voor de beoordeling van de samenstelling van de gemeenschap is de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend – en dat is 17 september 2024 – bepalend. De peildatum voor de waardering van de bestanddelen van de gemeenschap is in beginsel de datum waarop de feitelijke verdeling plaatsvindt, tenzij partijen anders overeenkomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aangehouden. Partijen gaan in een aantal van hun verzoeken beide uit van de datum 10 mei 2024 – de dag waarom zij feitelijk uiteen zijn gegaan. Waar zij dat eenstemmig doen, zal ook de rechtbank van die datum uitgaan.
4.4.
Partijen hebben een aantal vermogensbestanddelen, vallend in de gemeenschap, genoemd, waarvan zij de (wijze van) verdeling vastgesteld willen zien. De rechtbank zal die vermogensbestanddelen hierna achtereenvolgens bespreken.
woning II
4.5.
Partijen zijn het er over eens dat woning II voor een waarde van € 725.000,-- aan de vrouw kan worden toegedeeld – onder voorwaarde dat zij de daarvoor noodzakelijke financiering kan realiseren en de man kan laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening – en dat de vrouw in dat geval de hypothecaire lening als eigen schuld op zich zal nemen. Mocht het de vrouw niet lukken om financiering voor de overname van woning II te verkrijgen, dan zal woning II – ook daarover zijn partijen het eens – worden verkocht en zal de hypothecaire lening worden afgelost.
4.6.
Als de vrouw woning II op bovenomschreven wijze kan overnemen, zal ter vaststelling van de bij de verdeling te betrekken overwaarde van woning II worden uitgegaan van een hypothecaire lening ter hoogte van € 343.476,91 (het saldo per mei 2024). In geval woning II wordt verkocht, zal voor de vaststelling van de overwaarde worden uitgegaan van het nog resterende saldo van deze lening bij de levering van woning II aan een derde.
4.7.
Het vorenstaande betekent dat bij overname van woning II door de vrouw de bij de verdeling te betrekken overwaarde van woning II € 381.523,09 bedraagt. Wanneer woning II zal worden verkocht beloopt die overwaarde het verschil tussen de dan gerealiseerde verkoopopbrengst enerzijds en het restant van de hypothecaire lening vermeerderd met de kosten van verkoop anderzijds.
4.8.
Beide partijen (de man subsidiair, voor het geval zijn verweer tegen de door de vrouw gestelde vergoedingsrechten niet wordt gevolgd) hebben vergoedingsrechten gesteld, die met zich moeten brengen dat voordat genoemde overwaarde bij helfte wordt verdeeld, daaruit eerst een bedrag aan respectievelijk de vrouw en/of de man moet worden betaald.
4.9.
De vrouw stelt een tweetal vergoedingsrechten: zij heeft in woning II uit haar privévermogen geïnvesteerd (a) de verkoopopbrengst van woning I van € 215.802,48 en (b) een (extra) bedrag van € 13.600,-- in het als waarborgsom voorafgaand aan de levering betaalde deel van de aankoopprijs. Zij heeft met deze bedragen meer in de gemeenschap ingebracht dan de man en heeft, zo stelt zij, recht op vergoeding van deze bedragen. Met toepassing van de zgn. beleggingsleer belopen deze aan de vrouw te vergoeden investeringen nu respectievelijk € 249.951,83 en € 15.750,80.
4.10.
De man betwist de door de vrouw gestelde vergoedingsrechten. Hij beroept zich daarbij op de inhoud van de hiervoor onder 2.4 weergegeven overeenkomst tussen partijen. In die overeenkomst heeft de vrouw, zo stelt de man, haar vordering op de gemeenschap beperkt tot het daarin genoemde bedrag van € 87.451,63. Deze overeenkomst houdt volgens de man in feite in dat behoudens genoemd bedrag (de waarde van) woning I tussen partijen in gezamenlijke economische eigendom is gekomen. Partijen hebben vervolgens ook vanuit die gedachte geleefd; alle kosten van woning I zijn steeds gezamenlijk gedragen. Daarin is door het aangaan van het huwelijk – in de wettelijke beperkte gemeenschap – geen wijziging gekomen. De investering in woning II van de verkoopopbrengst van woning I – voor zover die hoger was dan het in de overeenkomst genoemde bedrag – was aldus gemeenschappelijk vermogen en kan dus niet tot een vergoedingsrecht aan de zijde van de vrouw leiden.
Mocht de rechtbank dit beroep op de overeenkomst passeren, dan beroept de man zich op de redelijkheid en billijkheid, daarbij wijzend op de omstandigheid dat partijen steeds in de lijn van de overeenkomst hebben geleefd en alle kosten steeds hebben gedeeld.
De door de vrouw te ontvangen vergoeding dient volgens de man te worden vastgesteld op primair het nominale bedrag van € 87.451,63, dan wel subsidiair – met toepassing van de zgn. beleggingsleer voor zover het bedrag woning II betreft – op een bedrag van € 99.400,05.
4.11.
De vrouw betwist de uitleg die de man geeft aan het ”Overzicht financiën” van 25 mei 2020. Zij stelt dat zij dat overzicht heeft opgesteld om in de periode dat partijen een – in elk geval in de ogen van de vrouw – niet stabiele relatie hadden, haar vermogen zeker te stellen. Zij wist dat zij meer vermogen had dan de man en wilde dat vermogen niet op het spel zetten. Alleen om die reden – en niet om afstand te doen van rechten die zij had of om de man meer rechten te geven dan hem toekwamen – heeft zij het overzicht opgesteld en mede door de man laten ondertekenen. Het overzicht is tijdens het huwelijk niet meer aangepast – door het aangaan van het huwelijk was naar de vrouw aannam de financiële verhouding tussen partijen goed geregeld. Partijen hebben tijdens het huwelijk – en dus ook bij de aankoop van woning II – niet meer expliciet naar het overzicht gekeken. De vrouw stelt dat zij geen afstand heeft gedaan van haar rechtens toekomende vergoedingsrechten.
4.12.
De rechtbank stelt vast dat het genoemde “Overzicht financiën”, gelet op zijn bewoordingen, niet anders kan worden gezien dan als de vaststelling van de financiële verhouding tussen partijen op het moment van ondertekening (25 mei 2020). Het overzicht geeft weer welke bedragen partijen toen op hun bankrekeningen hadden staan en welke bedrag (naar schatting, zo is tijdens de mondelinge behandeling gebleken) de vrouw op dat moment in woning I had gestoken.
De man heeft naar het oordeel van de rechtbank aan dit overzicht in redelijkheid niet de verwachting kunnen ontlenen, dat ook werd afgesproken dat al het niet in de overeenkomst genoemde vermogen van partijen – en dan met name de aan de vrouw alleen in eigendom toebehorende woning I – door ondertekening van dit overzicht gemeenschappelijk werd. Immers, over de verkrijging door de man van vóór die ondertekening niet aan hem toekomende aanspraken, of over afstand door de vrouw van tot dat moment bij haar bestaande rechten is in het overzicht niets opgenomen. Als partijen de bedoeling hadden gehad om zo ver strekkende afspraken te maken, dan hadden zij dat met zoveel woorden in het overzicht moeten opnemen. Dat is niet gebeurd, en uit de tekst van de overeenkomst kan een dergelijke bedoeling ook niet onomstotelijk blijken.
Dictum
De rechtbank
spreekt in het op [datum] 2020 tussen partijen in de gemeenste Vlissingen gesloten huwelijk, de echtscheiding tussen partijen uit;
stelt – uitvoerbaar bij voorraad – de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaan hebbende wettelijke gemeenschap van goederen vast zoals hierboven, in rechtsoverweging 2.38, is weergegeven;
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.M.J. van Dijk, en, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2025.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummers: C/02/426783 / FA RK 24-4356 (echtscheiding) en
C/02/431523 FA RK 25-577 (boedel)
beschikking d.d. 20 mei 2025
in de zaak van
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. P.C. van der Kuijl te Middelburg,
en
[de man]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. M.P. Kapteijn te Middelburg.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 17 september 2024 ontvangen verzoekschrift tot echtscheiding en nevenvoorzieningen, met een productie;
- het verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek, ontvangen op 6 december 2024, met producties;
- de op 3 februari 2025 ontvangen wijziging en aanvulling verzoek tevens verweer op zelfstandig verzoek, met producties;
- het F-formulier van de kant van de man van 9 april 2025, met producties;
- het F-formulier van de kant van de vrouw van 11 april 2025, met producties;
- het F-formulier van de kant van de man van 14 april 2025, met producties.
1.2. De verzoeken zijn behandeld tijdens een mondelinge behandeling op 24 april 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Mr. Kapteijn heeft door haar opgestelde pleitaantekeningen op voorhand aan de rechtbank en de wederpartij toegezonden. Mr. Van der Kuijl heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling het woord gevoerd aan de hand van een door haar opgestelde en overgelegde pleitnota (alleen de pagina’s 5, 6 en van 7 de eerste alinea, en pagina 8 de tekst onder het kopje “Hond”).
Feiten
2.1.
Partijen zijn op [datum] 2020 in de gemeente Vlissingen met elkaar gehuwd.
2.2.
Ten tijde van het aangaan van het huwelijk bewoonden partijen de woning [adres 1] te [woonplaats] (hierna: woning I), die volledig eigendom was van de vrouw. Partijen hebben tijdens het huwelijk voor een bedrag van € 626.000,-- de woning [adres 2] te [woonplaats] (hierna: woning II) aangekocht en op 4 augustus 2021 geleverd gekregen.
2.3.
De aankoop van woning II is door partijen deels gefinancierd met een hypothecaire lening. Daarnaast is de verkoopopbrengst van woning I van € 215.802,48 in de aankoop van woning II geïnvesteerd. Partijen hebben verder uit ieders eigen vermogen aan de aankoop bijgedragen met een (als waarborgsom betaald) bedrag van in totaal € 63.000,--.
2.4.
Voor het huwelijk, op 25 mei 2020, hebben partijen een door de vrouw opgesteld “Overzicht financiën” ondertekend. De tekst van dat overzicht luidt als volgt:
“Overzicht financiën
[de man]
Spaarrekening € 22.740,--
Lopende rekening € 1.424,11 +
Totaal € 24.164,11
[de vrouw]
Spaarrekening € 32.500
Lopende rekening € 3.563,21
Geld dat in het huis zit € 75.552,53 +(dit bedrag is zonder de bijdrage van [de man] en door ons samen berekend)
Totaal € 111.615,74
€ 111.615,74 - € 24.164,11 = € 77.451,63
Mochten we gaan scheiden dan gaat het eerste deel van € 87.451,63 naar [de vrouw] daarna wordt alles pas verdeeld onder elkaar.”
3De verzoeken
3.1.
De vrouw verzoekt de rechtbank (na wijziging en aanvulling van haar verzoeken) om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. in het op [datum] 2020 tussen partijen in de gemeenste Vlissingen gesloten huwelijk, de echtscheiding uit te spreken;
II. de tussen partijen bestaan hebbende beperkte huwelijksgoederengemeenschap (hierna: de gemeenschap) te verdelen conform het door de haar overgelegde formulier verdelen en verrekenen, en daarbij:
- te bepalen dat als peildatum voor de samenstelling en de waardering van de gemeenschap 10 mei 2024 geldt;
- te bepalen dat bij toedeling van woning II voor een waarde van € 725.000,--, de vrouw een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap van € 265.702,63 (dan wel op de man van € 132.851,32), dan wel van een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag;
- te bepalen dat woning II voor een waarde van € 725.000,--, alsmede de hypothecaire lening bij [organisatie] aan de vrouw wordt toegedeeld onder de opschortende voorwaarde van ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de man,
en te bepalen dat de vrouw, na verrekening van haar vergoedingsrecht van de overwaarde (zijnde € 381.523,09) per saldo een bedrag van € 57.910,23 aan de man dient te betalen, dan wel een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag;
- te bepalen dat wanneer de vrouw de voor de overname van woning II en van de hypothecaire lening benodigde financiering niet kan realiseren:
- woning II dient te worden verkocht en de hypothecaire lening dient te worden afgelost,
- waarna uit de overwaarde eerst een vergoedingsrecht aan de vrouw dient te worden voldaan van € 229.420,48 + € 915,-- per maand vanaf de peildatum tot aan de datum van levering van woning II, te vermeerderen met een percentage dat volgt uit: de verkoopwaarde van woning II gedeeld door € 626.000,--,
- en dat van de resterende overwaarde partijen ieder de helft ontvangen,
dan wel een zodanige regeling te treffen als de rechtbank in goede justitie voorkomt;
- te bepalen dat als woning II aan een derde wordt verkocht, de man ter zake van kosten van onderhoud en herstel een bedrag van € 2.253,76 aan de vrouw dient te betalen, dan wel een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag;
- te bepalen dat van de inboedelgoederen de campingstoelen Isabella 2024, Cadac Grill inclusief gasfles, 2 tuinstoeltjes Jysk, vitrinekast en 1 grillplaat aan de man wordt toegedeeld, en de overige inboedelgoederen aan de vrouw en daarbij bepaalt dat de vrouw € 1.00,-- aan de man dient te betalen;
- te bepalen dat de Fiat Abarth aan de man wordt toegedeeld en daarbij bepaalt dat de man € 7.500,-- aan de vrouw dient te betalen;
- te bepalen dat de hypotheekrenteaftrek van de jaren 2024 en 2025 volledig aan de vrouw toekomt, dan wel een zodanige regeling te treffen als de rechtbank in goede justitie voorkomt;
- te bepalen dat de huidige hypotheekrente van 1,33% volledig aan de vrouw wordt toegedeeld, dan wel een zodanige regeling te treffen als de rechtbank in goede justitie voorkomt;
- te bepalen dat de [hond] aan de vrouw wordt toegedeeld en dat de man ter zake de met de verzorging van deze hond verband houdende kosten aan de vrouw dient te betalen een bedrag van € 16.500,--, dan wel een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag of betalingsregeling.
De vrouw vraagt verder toewijzing van het verzoek van de man onder 1, refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de door de man ingediende verzoeken onder 2, onder a, eerste zinsnede, c, f (voor zover het de toedeling van goederen aan de man betreft) en h, en verzoekt afwijzing van de overige verzoeken van de man.
3.2.
De man verweert zich tegen het verzoek van de vrouw onder II. Bij zelfstandige verzoek vraagt hij de rechtbank om:
1. de echtscheiding uit te spreken in het huwelijk van partijen, gesloten op [datum] 2020 te [woonplaats] ;
2. te bepalen dat de afwikkeling en de verdeling van de gemeenschap plaats vindt als volgt:
primair:
a. woning II, evenals de hypothecaire lening bij [organisatie] wordt toegedeeld aan de vrouw, onder de opschortende voorwaarde dat de man wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake de hypothecaire lening en de vrouw aan de man een bedrag van € 147.035,73 voldoet;
b. voor het geval de vrouw woning II niet kan overnemen onder genoemde voorwaarde: woning II wordt verkocht, waarbij
- de overwaarde tussen partijen bij helfte wordt verdeeld aldus, dat het aandeel van de vrouw wordt vermeerderd met € 43.725,81 (dan wel € 49.700, 02) en het aandeel van de man wordt verminderd met € 43.725,81 (dan wel € 49.700,02);
- de vrouw aan de man dient te betalen de helft van de hypotheekaflossingen, afhankelijk van de peildatum;
c. de vrouw dient aan de man te betalen een bedrag van € 15.588,64 in verband met toename van haar banksaldi;
d. de vrouw dient € 492,71 aan de man te betalen in verband met de verdeling van het saldo op de gezamenlijke bankrekening [rekeningnummer 1];
e. het saldo van de gezamenlijke bankrekening [rekeningnummer 2] dient bij helfte te worden verdeeld en de rekening dient te worden toegedeeld aan de vrouw;
f. de inboedelgoederen worden toegedeeld aan de vrouw, met uitzondering van de campingstoelen Isabella 2024, Cadac Grill inclusief gasfles, 2 tuinstoeltjes Jysk, vitrinekast en 1 grillplaat; genoemde inboedelgoederen worden toegedeeld aan de man samen met de Fiat Abarth, zonder nadere verrekening;
g. de caravan wordt verkocht en de opbrengst daarvan wordt bij helfte gedeeld;
h.
Beoordeling
Echtscheiding
4.1.
Beide partijen verzoeken de echtscheiding in hun huwelijk uit te spreken. Zij hebben beiden gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De verzoeken tot echtscheiding zullen, als op de wet gegrond, worden toegewezen.
Verdeling huwelijksgoederengemeenschap
4.2
Partijen zijn met elkaar gehuwd zonder het opmaken van huwelijkse voorwaarden, zodat op hun beperkte huwelijksgemeenschap (hierna: de gemeenschap) van toepassing zijn de artikelen 1:94 en volgende van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Dit betekent dat alleen hetgeen partijen tijdens hun huwelijk hebben opgebouwd en de goederen die daarvoor aan hen gezamenlijk toebehoorden, tot de gemeenschap behoren.
4.3.
Voor de beoordeling van de samenstelling van de gemeenschap is de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend – en dat is 17 september 2024 – bepalend. De peildatum voor de waardering van de bestanddelen van de gemeenschap is in beginsel de datum waarop de feitelijke verdeling plaatsvindt, tenzij partijen anders overeenkomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aangehouden. Partijen gaan in een aantal van hun verzoeken beide uit van de datum 10 mei 2024 – de dag waarom zij feitelijk uiteen zijn gegaan. Waar zij dat eenstemmig doen, zal ook de rechtbank van die datum uitgaan.
4.4.
Partijen hebben een aantal vermogensbestanddelen, vallend in de gemeenschap, genoemd, waarvan zij de (wijze van) verdeling vastgesteld willen zien. De rechtbank zal die vermogensbestanddelen hierna achtereenvolgens bespreken.
woning II
4.5.
Partijen zijn het er over eens dat woning II voor een waarde van € 725.000,-- aan de vrouw kan worden toegedeeld – onder voorwaarde dat zij de daarvoor noodzakelijke financiering kan realiseren en de man kan laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening – en dat de vrouw in dat geval de hypothecaire lening als eigen schuld op zich zal nemen. Mocht het de vrouw niet lukken om financiering voor de overname van woning II te verkrijgen, dan zal woning II – ook daarover zijn partijen het eens – worden verkocht en zal de hypothecaire lening worden afgelost.
4.6.
Als de vrouw woning II op bovenomschreven wijze kan overnemen, zal ter vaststelling van de bij de verdeling te betrekken overwaarde van woning II worden uitgegaan van een hypothecaire lening ter hoogte van € 343.476,91 (het saldo per mei 2024). In geval woning II wordt verkocht, zal voor de vaststelling van de overwaarde worden uitgegaan van het nog resterende saldo van deze lening bij de levering van woning II aan een derde.
4.7.
Het vorenstaande betekent dat bij overname van woning II door de vrouw de bij de verdeling te betrekken overwaarde van woning II € 381.523,09 bedraagt. Wanneer woning II zal worden verkocht beloopt die overwaarde het verschil tussen de dan gerealiseerde verkoopopbrengst enerzijds en het restant van de hypothecaire lening vermeerderd met de kosten van verkoop anderzijds.
4.8.
Beide partijen (de man subsidiair, voor het geval zijn verweer tegen de door de vrouw gestelde vergoedingsrechten niet wordt gevolgd) hebben vergoedingsrechten gesteld, die met zich moeten brengen dat voordat genoemde overwaarde bij helfte wordt verdeeld, daaruit eerst een bedrag aan respectievelijk de vrouw en/of de man moet worden betaald.
4.9.
De vrouw stelt een tweetal vergoedingsrechten: zij heeft in woning II uit haar privévermogen geïnvesteerd (a) de verkoopopbrengst van woning I van € 215.802,48 en (b) een (extra) bedrag van € 13.600,-- in het als waarborgsom voorafgaand aan de levering betaalde deel van de aankoopprijs. Zij heeft met deze bedragen meer in de gemeenschap ingebracht dan de man en heeft, zo stelt zij, recht op vergoeding van deze bedragen. Met toepassing van de zgn. beleggingsleer belopen deze aan de vrouw te vergoeden investeringen nu respectievelijk € 249.951,83 en € 15.750,80.
4.10.
De man betwist de door de vrouw gestelde vergoedingsrechten. Hij beroept zich daarbij op de inhoud van de hiervoor onder 2.4 weergegeven overeenkomst tussen partijen. In die overeenkomst heeft de vrouw, zo stelt de man, haar vordering op de gemeenschap beperkt tot het daarin genoemde bedrag van € 87.451,63. Deze overeenkomst houdt volgens de man in feite in dat behoudens genoemd bedrag (de waarde van) woning I tussen partijen in gezamenlijke economische eigendom is gekomen. Partijen hebben vervolgens ook vanuit die gedachte geleefd; alle kosten van woning I zijn steeds gezamenlijk gedragen. Daarin is door het aangaan van het huwelijk – in de wettelijke beperkte gemeenschap – geen wijziging gekomen. De investering in woning II van de verkoopopbrengst van woning I – voor zover die hoger was dan het in de overeenkomst genoemde bedrag – was aldus gemeenschappelijk vermogen en kan dus niet tot een vergoedingsrecht aan de zijde van de vrouw leiden.
Mocht de rechtbank dit beroep op de overeenkomst passeren, dan beroept de man zich op de redelijkheid en billijkheid, daarbij wijzend op de omstandigheid dat partijen steeds in de lijn van de overeenkomst hebben geleefd en alle kosten steeds hebben gedeeld.
De door de vrouw te ontvangen vergoeding dient volgens de man te worden vastgesteld op primair het nominale bedrag van € 87.451,63, dan wel subsidiair – met toepassing van de zgn. beleggingsleer voor zover het bedrag woning II betreft – op een bedrag van € 99.400,05.
4.11.
De vrouw betwist de uitleg die de man geeft aan het ”Overzicht financiën” van 25 mei 2020. Zij stelt dat zij dat overzicht heeft opgesteld om in de periode dat partijen een – in elk geval in de ogen van de vrouw – niet stabiele relatie hadden, haar vermogen zeker te stellen. Zij wist dat zij meer vermogen had dan de man en wilde dat vermogen niet op het spel zetten. Alleen om die reden – en niet om afstand te doen van rechten die zij had of om de man meer rechten te geven dan hem toekwamen – heeft zij het overzicht opgesteld en mede door de man laten ondertekenen. Het overzicht is tijdens het huwelijk niet meer aangepast – door het aangaan van het huwelijk was naar de vrouw aannam de financiële verhouding tussen partijen goed geregeld. Partijen hebben tijdens het huwelijk – en dus ook bij de aankoop van woning II – niet meer expliciet naar het overzicht gekeken. De vrouw stelt dat zij geen afstand heeft gedaan van haar rechtens toekomende vergoedingsrechten.
4.12.
De rechtbank stelt vast dat het genoemde “Overzicht financiën”, gelet op zijn bewoordingen, niet anders kan worden gezien dan als de vaststelling van de financiële verhouding tussen partijen op het moment van ondertekening (25 mei 2020). Het overzicht geeft weer welke bedragen partijen toen op hun bankrekeningen hadden staan en welke bedrag (naar schatting, zo is tijdens de mondelinge behandeling gebleken) de vrouw op dat moment in woning I had gestoken.
De man heeft naar het oordeel van de rechtbank aan dit overzicht in redelijkheid niet de verwachting kunnen ontlenen, dat ook werd afgesproken dat al het niet in de overeenkomst genoemde vermogen van partijen – en dan met name de aan de vrouw alleen in eigendom toebehorende woning I – door ondertekening van dit overzicht gemeenschappelijk werd. Immers, over de verkrijging door de man van vóór die ondertekening niet aan hem toekomende aanspraken, of over afstand door de vrouw van tot dat moment bij haar bestaande rechten is in het overzicht niets opgenomen. Als partijen de bedoeling hadden gehad om zo ver strekkende afspraken te maken, dan hadden zij dat met zoveel woorden in het overzicht moeten opnemen. Dat is niet gebeurd, en uit de tekst van de overeenkomst kan een dergelijke bedoeling ook niet onomstotelijk blijken.
Dictum
De rechtbank
spreekt in het op [datum] 2020 tussen partijen in de gemeenste Vlissingen gesloten huwelijk, de echtscheiding tussen partijen uit;
stelt – uitvoerbaar bij voorraad – de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaan hebbende wettelijke gemeenschap van goederen vast zoals hierboven, in rechtsoverweging 2.38, is weergegeven;
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.M.J. van Dijk, en, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2025.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Beoordeling
De enkele zinsnede “daarna wordt alles pas verdeeld onder elkaar” kan in redelijkheid niet worden gelezen zoals de man nu doet: dat daarmee de vrouw haar rechten op de waarde van woning I voor de helft ten gunste van hem zou hebben opgegeven en dat hij recht op de helft van de waarde van woning I verkreeg. Daarvoor is deze tekst te vaag en onbepaald. Hetgeen de man verder heeft aangevoerd over de wijze waarop partijen daarna hebben samengeleefd, leidt niet tot een ander oordeel. Uit die stellingen blijkt alleen van een gezamenlijk bewonen van en gezamenlijk betalen voor de woning, maar niet van een gezamenlijk eigendom. De rechtbank gaat aan de stellingen van de man dan ook voorbij.
4.13.
Het vorenstaande betekent dat de vrouw er terecht van uitgaat dat zij van haar vergoedingsrecht met betrekking tot in woning II geïnvesteerde verkoopopbrengst van woning I geen afstand heeft gedaan. In hoeverre die opbrengst op het moment dat die in woning II werd geïnvesteerd daadwerkelijk volledig aan haar toekwam (zodat haar een vergoeding van dat hele bedrag toekomt) komt hierna aan de orde.
4.14. |
Omdat de rechtbank het primaire verweer van de man niet volgt, zal zij nu eerst de subsidiaire stellingen van de man dienen te beoordelen. Daarin stelt de man dat hij, omdat hij uit privévermogen aan aflossingen in de op de woning I rustende hypothecaire lening heeft
meebetaald en aldus heeft bijgedragen aan de verkrijging van woning I, vergoedingsrechten op de gemeenschap geldend kan maken. Immers, bij aankoop van woning II is dat in woning I gestoken privévermogen van de man – nu de verkoopopbrengst van die woning volledig in woning II is geïnvesteerd – in de gemeenschap gestoken. De man stelt de navolgende door hem meebetaalde aflossingen:
a. voorafgaand aan het huwelijk heeft hij een bedrag van € 7.500,-- aan aflossing ingebracht, en daarnaast heeft hij gedurende dertien maanden de helft (zijnde € 150,--) betaald van de maandelijkse hypothecaire aflossing. Van deze betalingen – in totaal € 9,450,-- – vraagt de man een nominale vergoeding;
b. tijdens het huwelijk heeft de man tweemaal aan een extra aflossing van de hypothecaire lening op woning I meebetaald (tot een totaalbedrag van € 16.950,--), en daarnaast heeft hij gedurende nog eens dertien maanden de helft (zijnde € 150,--) betaald van de maandelijkse hypothecaire aflossing. Van deze bedragen vraagt hij vergoeding met toepassing van de zgn. beleggingsleer.
4.15.
De vrouw heeft het recht op vergoeding van de door de man voorhuwelijks gedane aflossingen niet betwist; de rechtbank zal, nu partijen het daarover eens zijn, van dat vergoedingsrecht – te baseren op informele overeenstemming tussen partijen – uitgaan. De vrouw heeft verder tijdens de mondelinge behandeling de door de man gestelde bijdrage in de aflossing van de hypotheekschuld van € 7.500,-- erkend; zij heeft wel de door hem gestelde maandelijkse aflossingen betwist. De man heeft deze betalingen onderbouwd door overlegging van bankafschriften waaruit blijkt dat hij vanaf juni 2019 maandelijks een bedrag aan de vrouw te betaalde onder de vermelding: “huisje, plantje, hondje”. In die betaling is de door hem gestelde bijdrage aan de hypothecaire aflossing vervat, zo stelt hij.
De rechtbank stelt vast dat de vrouw de (eveneens uit overgelegde bankafschriften blijkende) na voltrekking van het huwelijk onder dezelfde omschrijving maandelijks door de man gedane betalingen van dezelfde hoogte wel erkent dat hij daarmee een bijdrage aan de hypothecaire aflossing leverde. In dat licht had van haar een nadere toelichting mogen worden verwacht op de stelling dat de betalingen vóór de huwelijksvoltrekking niet (ook) op dergelijke aflossingen betrekking hadden. Die nadere toelichting is niet gegeven. De rechtbank gaat er dan van uit dat de man ook voorafgaand aan het huwelijk met zijn betalingen een (voor wat betreft de hoogte door de vrouw niet betwist) bedrag van € 150,-- per maand meebetaalde aan de aflossing van de hypothecaire lening, rustend op woning I (waarin partijen samen woonden). Aldus heeft de man uit privévermogen met een bedrag van € 9.450,-- bijgedragen aan de aan de vrouw in eigendom toekomende (waarde van) woning I; waar dat bedrag vervolgen in woning II is geïnvesteerd, heeft de man een vergoedingsrecht (nominaal, omdat voor deze voorhuwelijkse betalingen geen grondslag bestaat voor toepassing van de – hierna nader toe te lichten – beleggingsleer) op de gemeenschap van € 9.450,--.
4.16.
De door de man gestelde, door hem tijdens het huwelijke betaalde aflossingen op de hypothecaire lening, rustend op woning I, zijn door de vrouw erkend. Zij heeft enkel de hoogte van de totale bijdrage aan de maandelijkse aflossingen, door de man gesteld op
€ 1.950,-- betwist. Zij stelt dat bedrag op € 1.729,41, stellende dat dat de helft is van het bedrag dat in die periode daadwerkelijk als aflossing aan de bank is betaald. Omdat de bijdrage van de man dient te worden vastgesteld op basis van het daadwerkelijk bij de bank afgeloste bedrag en vrouw dat bedrag onbetwist heeft gesteld op € 1.729,41 (terwijl de man zich enkel baseert op bedragen die hij voor de aflossingen aan de vrouw heeft betaald), zal de rechtbank de bijdrage van de man vaststellen op het door de vrouw genoemde bedrag. Dat betekent dat zal worden uitgegaan van een investering uit privévermogen door de man in (de verkoopwaarde van) woning I tijdens het huwelijk van in totaal (nominaal) € 18.679,41.
4.17.
Op grond van artikel 1:87 BW – dat op grond van artikel 1:95 BW ook van toepassing is op vergoedingsrechten van echtgenoten op hun gemeenschap van goederen – dient de aan de man toekomend vergoeding voor de hiervoor in rechtsoverweging 4.16 berekende (tijdens het huwelijk gedane) investering in woning I te worden vastgesteld op dat deel van de verkoopopbrengst van woning I dat overeenkomt met de verhouding tussen het door de man uit zijn vermogen afgeloste bedrag ten opzichte van de waarde van woning I op het tijdstip van die aflossing (de zgn. beleggingsleer). Hoewel in genoemd wetsartikel staat dat bij de aflossing van een lening een vergoedingsrecht afhankelijk is van de waarde van het goed ten tijde van de aflossing, blijkt uit de wetsgeschiedenis en jurisprudentie dat bij de aflossing van een lening die is aangegaan ter verwerving van een goed, moet worden uitgegaan van de toepasselijkheid van artikel 1:87 lid 2 sub a BW. Dat betekent in dit geval, dat niet de waarde van woning I op het moment van aflossing van belang is, maar die op het moment van aangaan van het huwelijk,. Immers, pas vanaf dat moment was artikel 1:87 BW op de verhouding tussen partijen van toepassing.
4.18.
De waarde van woning I op het moment van aangaan van het huwelijk ( [datum] 2020) heeft de man gesteld op € 210.000,--. Hij gaat daarbij uit van de – tussen partijen vaststaande – gerealiseerde verkoopprijs van woning I van € 310.509,-- en betrekt daarbij verder dat kort daarvoor een vraagprijs was geadviseerd van € 275.000,--. Voorts was in maart 2021 nog een waardebepaling gemaakt, waarin naar de man de waarde van woning I werd gesteld op
€ 225.000,--/€ 240.000,--. In dat licht is een waarde van € 210.000,-- ten tijde van het huwelijk reëel, aldus de man. De vrouw betwist de inschatting van de man; zij stelt voorts het bestaan van de door hem genoemde waardebepaling niet te kennen.
4.19.
Nu beide partijen hun stellingen ten aanzien van de waarde van woning I op het moment van het huwelijk op geen enkele wijze nader hebben onderbouwd, zal de rechtbank niet van de stellingen uitgaan. Zij zal het beleggingseffect op de aflossingen van de man inschatten aan de hand van de door het CBS berekende en voor iedereen te raadplegen gemiddelde prijsstijgingen van woningen in Zeeland.
Beoordeling
De enkele zinsnede “daarna wordt alles pas verdeeld onder elkaar” kan in redelijkheid niet worden gelezen zoals de man nu doet: dat daarmee de vrouw haar rechten op de waarde van woning I voor de helft ten gunste van hem zou hebben opgegeven en dat hij recht op de helft van de waarde van woning I verkreeg. Daarvoor is deze tekst te vaag en onbepaald. Hetgeen de man verder heeft aangevoerd over de wijze waarop partijen daarna hebben samengeleefd, leidt niet tot een ander oordeel. Uit die stellingen blijkt alleen van een gezamenlijk bewonen van en gezamenlijk betalen voor de woning, maar niet van een gezamenlijk eigendom. De rechtbank gaat aan de stellingen van de man dan ook voorbij.
4.13.
Het vorenstaande betekent dat de vrouw er terecht van uitgaat dat zij van haar vergoedingsrecht met betrekking tot in woning II geïnvesteerde verkoopopbrengst van woning I geen afstand heeft gedaan. In hoeverre die opbrengst op het moment dat die in woning II werd geïnvesteerd daadwerkelijk volledig aan haar toekwam (zodat haar een vergoeding van dat hele bedrag toekomt) komt hierna aan de orde.
4.14. |
Omdat de rechtbank het primaire verweer van de man niet volgt, zal zij nu eerst de subsidiaire stellingen van de man dienen te beoordelen. Daarin stelt de man dat hij, omdat hij uit privévermogen aan aflossingen in de op de woning I rustende hypothecaire lening heeft
meebetaald en aldus heeft bijgedragen aan de verkrijging van woning I, vergoedingsrechten op de gemeenschap geldend kan maken. Immers, bij aankoop van woning II is dat in woning I gestoken privévermogen van de man – nu de verkoopopbrengst van die woning volledig in woning II is geïnvesteerd – in de gemeenschap gestoken. De man stelt de navolgende door hem meebetaalde aflossingen:
a. voorafgaand aan het huwelijk heeft hij een bedrag van € 7.500,-- aan aflossing ingebracht, en daarnaast heeft hij gedurende dertien maanden de helft (zijnde € 150,--) betaald van de maandelijkse hypothecaire aflossing. Van deze betalingen – in totaal € 9,450,-- – vraagt de man een nominale vergoeding;
b. tijdens het huwelijk heeft de man tweemaal aan een extra aflossing van de hypothecaire lening op woning I meebetaald (tot een totaalbedrag van € 16.950,--), en daarnaast heeft hij gedurende nog eens dertien maanden de helft (zijnde € 150,--) betaald van de maandelijkse hypothecaire aflossing. Van deze bedragen vraagt hij vergoeding met toepassing van de zgn. beleggingsleer.
4.15.
De vrouw heeft het recht op vergoeding van de door de man voorhuwelijks gedane aflossingen niet betwist; de rechtbank zal, nu partijen het daarover eens zijn, van dat vergoedingsrecht – te baseren op informele overeenstemming tussen partijen – uitgaan. De vrouw heeft verder tijdens de mondelinge behandeling de door de man gestelde bijdrage in de aflossing van de hypotheekschuld van € 7.500,-- erkend; zij heeft wel de door hem gestelde maandelijkse aflossingen betwist. De man heeft deze betalingen onderbouwd door overlegging van bankafschriften waaruit blijkt dat hij vanaf juni 2019 maandelijks een bedrag aan de vrouw te betaalde onder de vermelding: “huisje, plantje, hondje”. In die betaling is de door hem gestelde bijdrage aan de hypothecaire aflossing vervat, zo stelt hij.
De rechtbank stelt vast dat de vrouw de (eveneens uit overgelegde bankafschriften blijkende) na voltrekking van het huwelijk onder dezelfde omschrijving maandelijks door de man gedane betalingen van dezelfde hoogte wel erkent dat hij daarmee een bijdrage aan de hypothecaire aflossing leverde. In dat licht had van haar een nadere toelichting mogen worden verwacht op de stelling dat de betalingen vóór de huwelijksvoltrekking niet (ook) op dergelijke aflossingen betrekking hadden. Die nadere toelichting is niet gegeven. De rechtbank gaat er dan van uit dat de man ook voorafgaand aan het huwelijk met zijn betalingen een (voor wat betreft de hoogte door de vrouw niet betwist) bedrag van € 150,-- per maand meebetaalde aan de aflossing van de hypothecaire lening, rustend op woning I (waarin partijen samen woonden). Aldus heeft de man uit privévermogen met een bedrag van € 9.450,-- bijgedragen aan de aan de vrouw in eigendom toekomende (waarde van) woning I; waar dat bedrag vervolgen in woning II is geïnvesteerd, heeft de man een vergoedingsrecht (nominaal, omdat voor deze voorhuwelijkse betalingen geen grondslag bestaat voor toepassing van de – hierna nader toe te lichten – beleggingsleer) op de gemeenschap van € 9.450,--.
4.16.
De door de man gestelde, door hem tijdens het huwelijke betaalde aflossingen op de hypothecaire lening, rustend op woning I, zijn door de vrouw erkend. Zij heeft enkel de hoogte van de totale bijdrage aan de maandelijkse aflossingen, door de man gesteld op
€ 1.950,-- betwist. Zij stelt dat bedrag op € 1.729,41, stellende dat dat de helft is van het bedrag dat in die periode daadwerkelijk als aflossing aan de bank is betaald. Omdat de bijdrage van de man dient te worden vastgesteld op basis van het daadwerkelijk bij de bank afgeloste bedrag en vrouw dat bedrag onbetwist heeft gesteld op € 1.729,41 (terwijl de man zich enkel baseert op bedragen die hij voor de aflossingen aan de vrouw heeft betaald), zal de rechtbank de bijdrage van de man vaststellen op het door de vrouw genoemde bedrag. Dat betekent dat zal worden uitgegaan van een investering uit privévermogen door de man in (de verkoopwaarde van) woning I tijdens het huwelijk van in totaal (nominaal) € 18.679,41.
4.17.
Op grond van artikel 1:87 BW – dat op grond van artikel 1:95 BW ook van toepassing is op vergoedingsrechten van echtgenoten op hun gemeenschap van goederen – dient de aan de man toekomend vergoeding voor de hiervoor in rechtsoverweging 4.16 berekende (tijdens het huwelijk gedane) investering in woning I te worden vastgesteld op dat deel van de verkoopopbrengst van woning I dat overeenkomt met de verhouding tussen het door de man uit zijn vermogen afgeloste bedrag ten opzichte van de waarde van woning I op het tijdstip van die aflossing (de zgn. beleggingsleer). Hoewel in genoemd wetsartikel staat dat bij de aflossing van een lening een vergoedingsrecht afhankelijk is van de waarde van het goed ten tijde van de aflossing, blijkt uit de wetsgeschiedenis en jurisprudentie dat bij de aflossing van een lening die is aangegaan ter verwerving van een goed, moet worden uitgegaan van de toepasselijkheid van artikel 1:87 lid 2 sub a BW. Dat betekent in dit geval, dat niet de waarde van woning I op het moment van aflossing van belang is, maar die op het moment van aangaan van het huwelijk,. Immers, pas vanaf dat moment was artikel 1:87 BW op de verhouding tussen partijen van toepassing.
4.18.
De waarde van woning I op het moment van aangaan van het huwelijk ( [datum] 2020) heeft de man gesteld op € 210.000,--. Hij gaat daarbij uit van de – tussen partijen vaststaande – gerealiseerde verkoopprijs van woning I van € 310.509,-- en betrekt daarbij verder dat kort daarvoor een vraagprijs was geadviseerd van € 275.000,--. Voorts was in maart 2021 nog een waardebepaling gemaakt, waarin naar de man de waarde van woning I werd gesteld op
€ 225.000,--/€ 240.000,--. In dat licht is een waarde van € 210.000,-- ten tijde van het huwelijk reëel, aldus de man. De vrouw betwist de inschatting van de man; zij stelt voorts het bestaan van de door hem genoemde waardebepaling niet te kennen.
4.19.
Nu beide partijen hun stellingen ten aanzien van de waarde van woning I op het moment van het huwelijk op geen enkele wijze nader hebben onderbouwd, zal de rechtbank niet van de stellingen uitgaan. Zij zal het beleggingseffect op de aflossingen van de man inschatten aan de hand van de door het CBS berekende en voor iedereen te raadplegen gemiddelde prijsstijgingen van woningen in Zeeland.
Beoordeling
Voor de periode 4e kwartaal 2019 tot vierde kwartaal 2021 stelt het CBS die stijging op 31,8%; voor alleen het jaar 2021 stelt zij die op 15,7%. Op grond van deze gegevens stelt de rechtbank de waardestijging van woning I in de periode vanaf de voltrekking van het huwelijk van partijen (op [datum] 2020 tot de verkoop van de woning (in augustus 2021) – dus een periode van 13 maanden – in redelijkheid vast op 17%. De investering van de man in woning I gedurende het huwelijk beliep op het moment van verkoop van die woning dus € 21.854,91.
4.20.
Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat op het moment dat de verkoopopbrengst van woning I werd geïnvesteerd in woning II, een gedeelte daarvan, groot (€ 9.450 + € 21.854,91 =) € 31.304,91, aan de man toekwam, en het restant, groot € 184.515,57, aan de vrouw.
4.21.
Vervolgens dient nog te worden berekend hoe groot deze bedragen nu, als aandeel in woning II, zijn. Op die berekening is (opnieuw) voormelde beleggingsleer van toepassing. Op de bij de berekening te betrekken cijfers zijn partijen het eens: er kan worden uitgegaan van de hiervoor in rechtsoverweging 2.2 genoemde aankoopprijs van woning II en van een huidige waarde van € 725.000,--. Het aandeel van de man in woning II bedraagt dan
€ 36.255,69 en het aandeel van de vrouw € 213.696,15. Partijen hebben recht op vergoeding uit de gemeenschap van deze bedragen.
4.22.
De vrouw heeft nog een tweede vergoedingsrecht aan haar zijde gesteld. Door partijen is een deel van de aankoopsom van de woning, groot € 63.000,--, als waarborgsom betaald. Als onbetwist tussen partijen staat vast dat zij daarvan elk € 25.000,-- hebben betaald. Partijen zijn het er blijkens hun berekeningen – kennelijk – over eens dat zij ter zake van die betalingen ieder een vergoedingsrecht hebben van € 28.750,--. De rechtbank zal daar ook van uitgaan.
De vrouw heeft nog gesteld dat zij het resterende bedrag van € 13.600,-- uit haar privévermogen heeft betaald. Zij vraagt ook hiervan vergoeding. De man betwist dat deze betaling uit privévermogen van de vrouw afkomstig is geweest. De vrouw heeft ter onderbouwing van haar stelling overgelegd een bankafschrift van 17 juni 2021 van haar privérekening, waaruit blijkt dat zij onder de vermelding “waarborgsom” een bedrag van
€ 36.000,-- overmaakt naar de gezamenlijke betaalrekening van partijen; uit twee andere door haar overgelegde bankafschriften van die gezamenlijke rekening blijkt dat op diezelfde dag de waarborgsom in twee delen (€ 50.000,-- en € 13.600,--) is gestort op de derdengeldrekening van de notaris. Nu uit die stukken in elk geval blijkt dat van een betaling groter dan € 25.000,-- vanaf de (privé-)bankrekening van de vrouw, en de man daarnaast heeft gesteld dat hij aan de waarborg som niet meer dan € 25.000,-- heeft betaald, is de stelling van de vrouw dat het bedrag van € 13.600,-- uit haar privévermogen afkomstig is, aannemelijk. In dat licht had van de man mogen worden verwacht dat hij nader had onderbouwd waarom de betaling door de vrouw toch niet uit het privévermogen van de vrouw afkomstig was. Die onderbouwing heeft hij niet gegeven. De rechtbank gaat daarom aan zijn stellingen voorbij. Dat betekent dat de vrouw terecht vergoeding vraagt van haar (extra) investering in woning II van (nominaal) € 13.600,--, op welke bedrag de zgn. beleggingsleer dient te worden toegepast. Aan de vrouw komt dan een vergoeding toe ter hoogte van € 15.750,80
4.23.
Waar de vrouw aanvankelijk ook een vergoedingsrecht heeft gesteld in verband met door haar na de peildatum (van 10 mei 2024) gedane volledige aflossingen op de hypothecaire lening, stelt de rechtbank vast dat bij gelegenheid van de mondelinge behandeling de vrouw hierop geen nadere toelichting heeft gegeven en voorts niet heeft betwist, dat de man ook na genoemde peildatum is doorgegaan met het betalen van de helft van de aflossingen. Dit verzoek van de vrouw zal dus bij gebrek aan feitelijke grondslag worden afgewezen.
4.24.
Gelet op al het voorgaande, zal op grond van vergoedingsrechten uit de overwaarde van woning II eerst aan de vrouw toekomen een bedrag van € 258.196,95, en aan de man een bedrag van € 65.005,69. In geval de vrouw woning II zal (kunnen) overnemen, betekent dit, dat van de dan bestaande overwaarde van € 381.523,09 een bedrag van € 287.357,17 aan de vrouw toekomt en een bedrag van € 94.165,91 aan de man. De vrouw zal in dat geval dus wegens overbedeling nog genoemd bedrag van € 94.165,91 aan de man dienen te betalen.
In geval woning II wordt verkocht, zullen uit de dan gerealiseerde overwaarde eerst de in de eerste zin van deze rechtsoverweging genoemde bedragen aan de vrouw en aan de man dienen te worden uitgekeerd, waarna het restant van de overwaarde tussen partijen bij helfte dient te worden gedeeld.
2.25.
De man heeft ermee ingestemd dat in het geval woning II zal (moeten) worden verkocht, hij de door de vrouw gemaakte onderhoudskosten – zo zij daarvan de onderliggende stukken overlegt – voor de helft zal betalen, zoals door haar verzocht. Het verzoek om te bepalen dat hij in dat geval een bedrag van € 2.253,76 aan de vrouw dient te betalen, zal – nu de rechtbank ervan uitgaat dat de vrouw genoemde stukken zoals toegezegd aan de man zal overleggen – worden toegewezen.
2.26.
De man heeft er tijdens de mondelinge behandeling mee ingestemd dat, zoals door de vrouw is verzocht, de hypotheekrenteaftrek met betrekking tot de jaren 2024 en 2025 volledig aan haar toekomt, en dat de huidige hypotheekrente van 1,33% volledig aan haar kan worden toegedeeld. De rechtbank zal van de hier bedoelde rechten, die partijen tijdens het huwelijk samen hadden, vaststellen dat zij in de onderlinge verhouding tussen partijen aan de vrouw toekomen.
vermogenstoename op de eigen bankrekeningen:
2.27.
Partijen hadden voorafgaand aan het huwelijk ieder een eigen betaalrekening en een eigen spaarrekening. Voor zover de saldi van die rekeningen tijdens het huwelijk zijn toegenomen, zal dat meerdere als gemeenschappelijk tussen partijen bij helfte dienen te worden gedeeld. Partijen zijn het er met elkaar over eens dat alleen aan de zijde van de vrouw een toename van de saldi heeft plaatsgevonden, dat die toename een bedrag van
€ 31.177,28 heeft bedragen, dat dat bedrag bij helfte dient te worden verdeeld en dat de vrouw dus aan de man nog een bedrag van € 15.558,64 dient uit te keren. De rechtbank kan deze berekeningen volgen, en zal overeenkomstig beslissen.
gezamenlijke bankrekeningen:
2.28.
Partijen hadden een gezamenlijk spaarrekening en een gezamenlijke betaalrekening. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat beide rekeningen inmiddels zijn opgeheven. De man heeft na bespreking ervan tijdens de mondelinge behandeling, zijn verzoek om nog een bedrag van de vrouw te ontvangen ingetrokken. De rechtbank zal dus het verzoek niet meer kunnen beoordelen en het daarom moeten afwijzen.
inboedel
2.29.
Tijdens een schorsing van de mondelinge behandeling zijn partijen het over de verdeling van hun inboedel eens geworden.
Beoordeling
Voor de periode 4e kwartaal 2019 tot vierde kwartaal 2021 stelt het CBS die stijging op 31,8%; voor alleen het jaar 2021 stelt zij die op 15,7%. Op grond van deze gegevens stelt de rechtbank de waardestijging van woning I in de periode vanaf de voltrekking van het huwelijk van partijen (op [datum] 2020 tot de verkoop van de woning (in augustus 2021) – dus een periode van 13 maanden – in redelijkheid vast op 17%. De investering van de man in woning I gedurende het huwelijk beliep op het moment van verkoop van die woning dus € 21.854,91.
4.20.
Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat op het moment dat de verkoopopbrengst van woning I werd geïnvesteerd in woning II, een gedeelte daarvan, groot (€ 9.450 + € 21.854,91 =) € 31.304,91, aan de man toekwam, en het restant, groot € 184.515,57, aan de vrouw.
4.21.
Vervolgens dient nog te worden berekend hoe groot deze bedragen nu, als aandeel in woning II, zijn. Op die berekening is (opnieuw) voormelde beleggingsleer van toepassing. Op de bij de berekening te betrekken cijfers zijn partijen het eens: er kan worden uitgegaan van de hiervoor in rechtsoverweging 2.2 genoemde aankoopprijs van woning II en van een huidige waarde van € 725.000,--. Het aandeel van de man in woning II bedraagt dan
€ 36.255,69 en het aandeel van de vrouw € 213.696,15. Partijen hebben recht op vergoeding uit de gemeenschap van deze bedragen.
4.22.
De vrouw heeft nog een tweede vergoedingsrecht aan haar zijde gesteld. Door partijen is een deel van de aankoopsom van de woning, groot € 63.000,--, als waarborgsom betaald. Als onbetwist tussen partijen staat vast dat zij daarvan elk € 25.000,-- hebben betaald. Partijen zijn het er blijkens hun berekeningen – kennelijk – over eens dat zij ter zake van die betalingen ieder een vergoedingsrecht hebben van € 28.750,--. De rechtbank zal daar ook van uitgaan.
De vrouw heeft nog gesteld dat zij het resterende bedrag van € 13.600,-- uit haar privévermogen heeft betaald. Zij vraagt ook hiervan vergoeding. De man betwist dat deze betaling uit privévermogen van de vrouw afkomstig is geweest. De vrouw heeft ter onderbouwing van haar stelling overgelegd een bankafschrift van 17 juni 2021 van haar privérekening, waaruit blijkt dat zij onder de vermelding “waarborgsom” een bedrag van
€ 36.000,-- overmaakt naar de gezamenlijke betaalrekening van partijen; uit twee andere door haar overgelegde bankafschriften van die gezamenlijke rekening blijkt dat op diezelfde dag de waarborgsom in twee delen (€ 50.000,-- en € 13.600,--) is gestort op de derdengeldrekening van de notaris. Nu uit die stukken in elk geval blijkt dat van een betaling groter dan € 25.000,-- vanaf de (privé-)bankrekening van de vrouw, en de man daarnaast heeft gesteld dat hij aan de waarborg som niet meer dan € 25.000,-- heeft betaald, is de stelling van de vrouw dat het bedrag van € 13.600,-- uit haar privévermogen afkomstig is, aannemelijk. In dat licht had van de man mogen worden verwacht dat hij nader had onderbouwd waarom de betaling door de vrouw toch niet uit het privévermogen van de vrouw afkomstig was. Die onderbouwing heeft hij niet gegeven. De rechtbank gaat daarom aan zijn stellingen voorbij. Dat betekent dat de vrouw terecht vergoeding vraagt van haar (extra) investering in woning II van (nominaal) € 13.600,--, op welke bedrag de zgn. beleggingsleer dient te worden toegepast. Aan de vrouw komt dan een vergoeding toe ter hoogte van € 15.750,80
4.23.
Waar de vrouw aanvankelijk ook een vergoedingsrecht heeft gesteld in verband met door haar na de peildatum (van 10 mei 2024) gedane volledige aflossingen op de hypothecaire lening, stelt de rechtbank vast dat bij gelegenheid van de mondelinge behandeling de vrouw hierop geen nadere toelichting heeft gegeven en voorts niet heeft betwist, dat de man ook na genoemde peildatum is doorgegaan met het betalen van de helft van de aflossingen. Dit verzoek van de vrouw zal dus bij gebrek aan feitelijke grondslag worden afgewezen.
4.24.
Gelet op al het voorgaande, zal op grond van vergoedingsrechten uit de overwaarde van woning II eerst aan de vrouw toekomen een bedrag van € 258.196,95, en aan de man een bedrag van € 65.005,69. In geval de vrouw woning II zal (kunnen) overnemen, betekent dit, dat van de dan bestaande overwaarde van € 381.523,09 een bedrag van € 287.357,17 aan de vrouw toekomt en een bedrag van € 94.165,91 aan de man. De vrouw zal in dat geval dus wegens overbedeling nog genoemd bedrag van € 94.165,91 aan de man dienen te betalen.
In geval woning II wordt verkocht, zullen uit de dan gerealiseerde overwaarde eerst de in de eerste zin van deze rechtsoverweging genoemde bedragen aan de vrouw en aan de man dienen te worden uitgekeerd, waarna het restant van de overwaarde tussen partijen bij helfte dient te worden gedeeld.
2.25.
De man heeft ermee ingestemd dat in het geval woning II zal (moeten) worden verkocht, hij de door de vrouw gemaakte onderhoudskosten – zo zij daarvan de onderliggende stukken overlegt – voor de helft zal betalen, zoals door haar verzocht. Het verzoek om te bepalen dat hij in dat geval een bedrag van € 2.253,76 aan de vrouw dient te betalen, zal – nu de rechtbank ervan uitgaat dat de vrouw genoemde stukken zoals toegezegd aan de man zal overleggen – worden toegewezen.
2.26.
De man heeft er tijdens de mondelinge behandeling mee ingestemd dat, zoals door de vrouw is verzocht, de hypotheekrenteaftrek met betrekking tot de jaren 2024 en 2025 volledig aan haar toekomt, en dat de huidige hypotheekrente van 1,33% volledig aan haar kan worden toegedeeld. De rechtbank zal van de hier bedoelde rechten, die partijen tijdens het huwelijk samen hadden, vaststellen dat zij in de onderlinge verhouding tussen partijen aan de vrouw toekomen.
vermogenstoename op de eigen bankrekeningen:
2.27.
Partijen hadden voorafgaand aan het huwelijk ieder een eigen betaalrekening en een eigen spaarrekening. Voor zover de saldi van die rekeningen tijdens het huwelijk zijn toegenomen, zal dat meerdere als gemeenschappelijk tussen partijen bij helfte dienen te worden gedeeld. Partijen zijn het er met elkaar over eens dat alleen aan de zijde van de vrouw een toename van de saldi heeft plaatsgevonden, dat die toename een bedrag van
€ 31.177,28 heeft bedragen, dat dat bedrag bij helfte dient te worden verdeeld en dat de vrouw dus aan de man nog een bedrag van € 15.558,64 dient uit te keren. De rechtbank kan deze berekeningen volgen, en zal overeenkomstig beslissen.
gezamenlijke bankrekeningen:
2.28.
Partijen hadden een gezamenlijk spaarrekening en een gezamenlijke betaalrekening. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat beide rekeningen inmiddels zijn opgeheven. De man heeft na bespreking ervan tijdens de mondelinge behandeling, zijn verzoek om nog een bedrag van de vrouw te ontvangen ingetrokken. De rechtbank zal dus het verzoek niet meer kunnen beoordelen en het daarom moeten afwijzen.
inboedel
2.29.
Tijdens een schorsing van de mondelinge behandeling zijn partijen het over de verdeling van hun inboedel eens geworden.
Beoordeling
Die overeenstemming luidt als volgt:
Aan de man worden toegedeeld:
- gereedschap + klusspullen - bed nieuw + nachtkastjes + matras + 1 kussen
- boeken - eetkamerstoelen
- kledingstomer - kleed buiten ;
- Apple watch Pro - warmtelamp
- IPhone 12 mini - Siemens koffiezetapparaat
- dure skibril - pallethout + kussens [de vrouw]
- uitlaat Fiat Arbath - schommelstoel van [de vrouw]
- BBQ Cadac = gasfles behoren + grillplaat - houders fotolijst die er al af is, groene
- vitrinekast logeerkamer kaarsenhouders, houten fotolijstjes, goud bestek
- foto keuken camperbus - badmat, prullenbakje badkamer
- tuinstoeltjes beige - 1 van de 2 Isabellastoelen
- kruimeldief - 12 bloempotten incl. planten buiten
- JBL Speaker Extreme - 1 rieten mand met kerstboomplant binnen
- klok - 1 van de houten krukjes
- vuurkorf - 1 van de 2 sups Bluefin
- kleed - dweil.
- cadeaubonnen
Aan de vrouw wordt toegedeeld:
- foto wand gezicht - Apple tv
- slaapbank - tuinsets
- eetkamer tafel + parasol - spullen hond
- verlichting, kasten, Gardena tuinslang, - wasrek prullenbakje badkamer
- Philips Hue spiegel - 1 van de 2 Isabellastoelen
- tv beneden - houtvoorraad
- geluidset - 3 gouden potten met planten binnen
- tuingereedschap - waterkoker
- levensboom cadeau ouders - 1 van de houten krukjes
- messenset - 1 van de 2 sups Bluefin JP Australian
- bank - Miele stofzuiger
- nachtlampjes donker die je op de muur kunt plakken.
De man zal de goederen die aan hem zijn toegedeeld, voor zover nog niet in zijn bezit, binnen twee maanden na de datum van de mondelinge behandeling bij de vrouw ophalen. Daartoe zal tussen partijen een afspraak worden gemaakt. De verdeling vindt plaats met gesloten beurzen, dus zonder dat tussen partijen nader wordt verrekend. Aldus zal worden beslist.
auto Fiat Abath
2.30
Deze auto kan – zo zijn partijen overeengekomen – worden toegedeeld aan de man. De waarde van de auto bedraagt, ook daarover zijn partijen het eens, € 15.000,--. De man heeft, nadat partijen over de inboedel overeenstemming hadden bereikt, ermee ingestemd dat hij wegens overbedeling met betrekking tot de auto nog € 7.500,-- aan de vrouw dient te betalen. De rechtbank zal aldus beslissen.
caravan
2.31.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de caravan inmiddels is verkocht, en dat de opbrengst tussen partijen bij helfte is verdeeld, Partijen hebben geen belang meer bij hun verzoeken ten aanzien van dit goed; die verzoeken worden afgewezen.
[hond]
2.32.
De vrouw heeft toedeling van de hond aan haar verzocht; de man kan daarmee instemmen, tenzij de rechtbank voornemens is het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen om de helft van de kosten van verzorging van de hond gedurende de komende elf jaar te betalen toe te wijzen. Voor dat geval verzoekt de man toedeling van de hond aan hem.
2.33.
De rechtbank zal daarom eerst het verzoek van de vrouw ten aanzien van de kosten van verzorging van de hond beoordelen. De vrouw stelt dat het, gelet op de omstandigheid dat het de man is geweest die de hond wilde maar bij het uiteengaan de hond niet heeft willen meenemen en wilde verkopen, op grond van de redelijkheid en billijkheid de hond bij de vrouw moet blijven maar dat de man aan de kosten van de verzorging van het dier dient te blijven meebetalen. De man betwist dit. Hij stelt dat juist is dat hij de hond wilde, maar dat toen deze er eenmaal was, ook de vrouw zich veel met het dier heeft beziggehouden. Bij uiteengaan van partijen heeft de vrouw aangegeven dat zij voor de hond wilde blijven zorgen, waarmee de man heeft ingestemd. Twee baasjes is in de visie van de man niet goed voor de hond.; hij stemt er dan ook mee in dat de hond bij de vrouw blijft. Hij meent dat er geen grondslag is om hem te veroordelen tot meebetalen voor de verzorging van het dier in de komende jaren..
2.34.
De rechtbank ziet voor het verzoek van de vrouw om de man in een deel van de verzorgingskosten van de hond te veroordelen geen juridische grondslag. Vast staat dat in het kader van het uiteengaan van partijen de hond – waarop hoewel geen zaak de bepalingen betreffende zaken (onder voorwaarden, artikel 3:2a lid 2 BW) kunnen worden toegepast – zal moeten worden toegedeeld aan één van partijen. Het is de vrouw zelf die – onverplicht – de hond toegedeeld wil hebben. Zij kan de gevolgen van die keuze niet (deels) afwentelen op de man. Als de vrouw de kosten van de hond niet (alleen) kan of wil dragen, dan weerhoudt niets haar ervan de hond aan de man te laten, dan wel deze te verkopen. De omstandigheid dat de man degene was die destijds de hond wilde hebben, brengt niet met zich mee dat hij nu partijen uit elkaar zijn en de hond bij alleen de vrouw verblijft voor het dier zal moeten blijven zorgen.
2.35.
Voormeld verzoek van de vrouw zal dan ook worden afgewezen. Dat betekent ook dat het voorwaardelijk gedane verzoek van de man tot toedeling aan hem van de hond niet aan de orde zal komen en de toedeling aan de vrouw van het dier als onbetwist kan worden toegewezen.
pensioenverevening
2.36.
Partijen zijn het er over eens dat de door hen opgebouwde pensioenrechten worden verevend conform de in artikel 1:155 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in verband met artikel 2, lid 1 van de Wet Pensioenrechten na Scheiding (Wet VPS) opgenomen standaardregeling. Aangezien deze verevening van pensioenen bij echtscheiding rechtstreeks uit de wet voortvloeit – en daarvoor dus geen rechterlijke beslissing nodig is – zal de rechtbank het verzoek van de man afwijzen wegens gebrek aan belang.
overige verrekeningen
2.37.
De man heeft na uiteengaan van partijen in mei 2024 nog gedurende enkele maanden hypothecaire rente (mee-)betaald, en tot op heden ook aan de aflossing van de hypothecaire lening. Verder heeft hij de gemeentelijke belastingen en Sabewa-lasten 2024 en 2025 voor die woning betaald. Omtrent verrekening van deze door de man nog betaalde lasten van woning II zijn partijen het tijdens de mondelinge behandeling eens geworden, als volgt:
- de vrouw zal – in het geval dat zij woning II zal overnemen, niet wanneer deze wordt verkocht – de door de man betaalde aflossingen (zijnde steeds de helft van de maandelijks bij haar in rekening gebrachte aflossing) aan de man vergoeden;
- de gemeentelijke belastingen en Sabewa-lasten 2024 en 2025 ,belopend een bedrag van in totaal € 1.391,83, zal de vrouw – in het geval dat zij woning II zal overnemen – aan de man vergoeden; in het geval woning II wordt verkocht, blijven deze kosten gezamenlijk en zal de vrouw de helft ervan, dus € 695,92, aan de man vergoeden.
Beoordeling
Die overeenstemming luidt als volgt:
Aan de man worden toegedeeld:
- gereedschap + klusspullen - bed nieuw + nachtkastjes + matras + 1 kussen
- boeken - eetkamerstoelen
- kledingstomer - kleed buiten ;
- Apple watch Pro - warmtelamp
- IPhone 12 mini - Siemens koffiezetapparaat
- dure skibril - pallethout + kussens [de vrouw]
- uitlaat Fiat Arbath - schommelstoel van [de vrouw]
- BBQ Cadac = gasfles behoren + grillplaat - houders fotolijst die er al af is, groene
- vitrinekast logeerkamer kaarsenhouders, houten fotolijstjes, goud bestek
- foto keuken camperbus - badmat, prullenbakje badkamer
- tuinstoeltjes beige - 1 van de 2 Isabellastoelen
- kruimeldief - 12 bloempotten incl. planten buiten
- JBL Speaker Extreme - 1 rieten mand met kerstboomplant binnen
- klok - 1 van de houten krukjes
- vuurkorf - 1 van de 2 sups Bluefin
- kleed - dweil.
- cadeaubonnen
Aan de vrouw wordt toegedeeld:
- foto wand gezicht - Apple tv
- slaapbank - tuinsets
- eetkamer tafel + parasol - spullen hond
- verlichting, kasten, Gardena tuinslang, - wasrek prullenbakje badkamer
- Philips Hue spiegel - 1 van de 2 Isabellastoelen
- tv beneden - houtvoorraad
- geluidset - 3 gouden potten met planten binnen
- tuingereedschap - waterkoker
- levensboom cadeau ouders - 1 van de houten krukjes
- messenset - 1 van de 2 sups Bluefin JP Australian
- bank - Miele stofzuiger
- nachtlampjes donker die je op de muur kunt plakken.
De man zal de goederen die aan hem zijn toegedeeld, voor zover nog niet in zijn bezit, binnen twee maanden na de datum van de mondelinge behandeling bij de vrouw ophalen. Daartoe zal tussen partijen een afspraak worden gemaakt. De verdeling vindt plaats met gesloten beurzen, dus zonder dat tussen partijen nader wordt verrekend. Aldus zal worden beslist.
auto Fiat Abath
2.30
Deze auto kan – zo zijn partijen overeengekomen – worden toegedeeld aan de man. De waarde van de auto bedraagt, ook daarover zijn partijen het eens, € 15.000,--. De man heeft, nadat partijen over de inboedel overeenstemming hadden bereikt, ermee ingestemd dat hij wegens overbedeling met betrekking tot de auto nog € 7.500,-- aan de vrouw dient te betalen. De rechtbank zal aldus beslissen.
caravan
2.31.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de caravan inmiddels is verkocht, en dat de opbrengst tussen partijen bij helfte is verdeeld, Partijen hebben geen belang meer bij hun verzoeken ten aanzien van dit goed; die verzoeken worden afgewezen.
[hond]
2.32.
De vrouw heeft toedeling van de hond aan haar verzocht; de man kan daarmee instemmen, tenzij de rechtbank voornemens is het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen om de helft van de kosten van verzorging van de hond gedurende de komende elf jaar te betalen toe te wijzen. Voor dat geval verzoekt de man toedeling van de hond aan hem.
2.33.
De rechtbank zal daarom eerst het verzoek van de vrouw ten aanzien van de kosten van verzorging van de hond beoordelen. De vrouw stelt dat het, gelet op de omstandigheid dat het de man is geweest die de hond wilde maar bij het uiteengaan de hond niet heeft willen meenemen en wilde verkopen, op grond van de redelijkheid en billijkheid de hond bij de vrouw moet blijven maar dat de man aan de kosten van de verzorging van het dier dient te blijven meebetalen. De man betwist dit. Hij stelt dat juist is dat hij de hond wilde, maar dat toen deze er eenmaal was, ook de vrouw zich veel met het dier heeft beziggehouden. Bij uiteengaan van partijen heeft de vrouw aangegeven dat zij voor de hond wilde blijven zorgen, waarmee de man heeft ingestemd. Twee baasjes is in de visie van de man niet goed voor de hond.; hij stemt er dan ook mee in dat de hond bij de vrouw blijft. Hij meent dat er geen grondslag is om hem te veroordelen tot meebetalen voor de verzorging van het dier in de komende jaren..
2.34.
De rechtbank ziet voor het verzoek van de vrouw om de man in een deel van de verzorgingskosten van de hond te veroordelen geen juridische grondslag. Vast staat dat in het kader van het uiteengaan van partijen de hond – waarop hoewel geen zaak de bepalingen betreffende zaken (onder voorwaarden, artikel 3:2a lid 2 BW) kunnen worden toegepast – zal moeten worden toegedeeld aan één van partijen. Het is de vrouw zelf die – onverplicht – de hond toegedeeld wil hebben. Zij kan de gevolgen van die keuze niet (deels) afwentelen op de man. Als de vrouw de kosten van de hond niet (alleen) kan of wil dragen, dan weerhoudt niets haar ervan de hond aan de man te laten, dan wel deze te verkopen. De omstandigheid dat de man degene was die destijds de hond wilde hebben, brengt niet met zich mee dat hij nu partijen uit elkaar zijn en de hond bij alleen de vrouw verblijft voor het dier zal moeten blijven zorgen.
2.35.
Voormeld verzoek van de vrouw zal dan ook worden afgewezen. Dat betekent ook dat het voorwaardelijk gedane verzoek van de man tot toedeling aan hem van de hond niet aan de orde zal komen en de toedeling aan de vrouw van het dier als onbetwist kan worden toegewezen.
pensioenverevening
2.36.
Partijen zijn het er over eens dat de door hen opgebouwde pensioenrechten worden verevend conform de in artikel 1:155 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in verband met artikel 2, lid 1 van de Wet Pensioenrechten na Scheiding (Wet VPS) opgenomen standaardregeling. Aangezien deze verevening van pensioenen bij echtscheiding rechtstreeks uit de wet voortvloeit – en daarvoor dus geen rechterlijke beslissing nodig is – zal de rechtbank het verzoek van de man afwijzen wegens gebrek aan belang.
overige verrekeningen
2.37.
De man heeft na uiteengaan van partijen in mei 2024 nog gedurende enkele maanden hypothecaire rente (mee-)betaald, en tot op heden ook aan de aflossing van de hypothecaire lening. Verder heeft hij de gemeentelijke belastingen en Sabewa-lasten 2024 en 2025 voor die woning betaald. Omtrent verrekening van deze door de man nog betaalde lasten van woning II zijn partijen het tijdens de mondelinge behandeling eens geworden, als volgt:
- de vrouw zal – in het geval dat zij woning II zal overnemen, niet wanneer deze wordt verkocht – de door de man betaalde aflossingen (zijnde steeds de helft van de maandelijks bij haar in rekening gebrachte aflossing) aan de man vergoeden;
- de gemeentelijke belastingen en Sabewa-lasten 2024 en 2025 ,belopend een bedrag van in totaal € 1.391,83, zal de vrouw – in het geval dat zij woning II zal overnemen – aan de man vergoeden; in het geval woning II wordt verkocht, blijven deze kosten gezamenlijk en zal de vrouw de helft ervan, dus € 695,92, aan de man vergoeden.