Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-04-17
ECLI:NL:RBZWB:2025:5479
Civiel recht; Personen- en familierecht
Kort geding
10,056 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer / rolnummer: C/02/432971 / KG ZA 25-110
Vonnis in kort geding van 17 april 2025
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat: mr. R. Wouters te Middelburg,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat: mr. M. Krijger te Middelburg.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland. locatie Middelburg
(hierna: de Raad).
Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie;
- de mondelinge behandeling op 11 april 2025.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarigen en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast is verschenen een vertegenwoordigster van de Raad om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Partijen hebben een geregistreerd partnerschap met elkaar gehad. Daaruit zijn de navolgende, thans nog minderjarige kinderen geboren:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2018, hierna te noemen: [minderjarige 1] ;
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2021, hierna te noemen: [minderjarige 2] ;
- [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2021, hierna te noemen: [minderjarige 3] .
2.2.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
2.3.
Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, d.d. 18 februari 2025 is, voor zover thans van belang, het hoofdverblijf van de minderjarigen bij de vrouw bepaald en is bepaald dat de man en de minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar gedurende één weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag na school (14:00 uur) tot maandagochtend voor school (08:00 uur). Ten aanzien van de vakanties is bepaald dat deze bij helfte tussen partijen worden verdeeld, inhoudende dat de minderjarigen in de oneven jaren gedurende de eerste helft van de vakanties bij de man verblijven en de tweede helft bij de vrouw en in de even jaren gedurende de eerste helft van de vakanties bij de vrouw verblijven en de tweede helft bij de man.
2.4.
De minderjarigen verblijven bij de vrouw.
Geschil
3.1.
De vrouw vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
De man te veroordelen tot nakoming van de beschikking van 18 februari 2025 onder zaaknummer C/02/411511 / FA RK 23-3179 en zodoende te bepalen dat de man gehouden is om de kinderen van partijen, [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , uiterlijk op vrijdag 25 april om 18:00 uur aan de vrouw af te geven;
Alles op verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- indien de man in gebreke blijft aan het te dezen te wijzen vonnis te voldoen;
Subsidiair een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie juist acht.
3.2.
Door en namens de vrouw is hiertoe in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het navolgende aangevoerd. De vrouw stelt dat de minderjarigen ingevolge de beschikking van deze rechtbank van 18 februari 2025 in de oneven jaren de eerste helft van de vakanties bij de man verblijven. Dit betekent volgens de vrouw concreet voor de meivakantie van 2025, welke duurt van 18 april 2025 tot en met vrijdag 2 mei 2025, dat de minderjarigen de eerste week en aldus van 18 april 2025 tot en met 25 april 2025 bij de man verblijven en de week erna, van 25 april 2025 tot en met 2 mei 2025 bij de vrouw. Hierna vangt de weekendregeling weer aan en verblijven de minderjarigen conform die regeling het weekend bij de man. Deze uitleg sluit aldus aan bij de reguliere zorg-/weekendregeling. De vrouw heeft in januari 2025 een vakantie bij de [locatie] geboekt voor de periode [datum 1] 2025 tot en met [datum 2] 2025 en aldus in het weekend dan wel de vakantie van de vrouw. De vakantie kan niet (kosteloos) worden geannuleerd. De vrouw was op dat moment nog niet op de hoogte dat de man alle vakanties bij helfte wenste te verdelen, nu zij dit voorheen niet deden en de man dit verzoek in de bodemprocedure pas na het boeken van de vakantie heeft gedaan. Zij heeft de vakantie dan ook niet met verkeerde bedoelingen geboekt. De vergelijking die de man maakt met een eerdere door hem, zonder overleg met de vrouw, geboekte vakantie, is niet te maken, nu dit een heel andere situatie betreft. De man geeft een andere uitleg aan de eerder bepaalde zorgregeling, namelijk dat de minderjarigen de eerste week van de meivakantie, van zaterdag 19 april 2025 tot en met [datum 1] 2025 bij de man verblijven en de tweede week, vanaf zondag 27 april 2025, bij de vrouw. De man is [datum 1] 2025 jarig en wil dat de minderjarigen dan bij hem verblijven. De vrouw volgt deze uitleg van de man niet. De vrouw wil duidelijkheid over de vakantieverdeling en vordert derhalve nakoming van de eerder bepaalde zorgregeling. Dat de man de minderjarigen op zijn verjaardag wil zien maakt niet dat afgeweken moet worden van de zorgregeling; de minderjarigen zijn nooit op verjaardagen altijd bij de betreffende ouder, zo ook niet bij de vrouw, die op [geboortedag 3] jarig is. Dit is ook nooit eerder ter sprake gekomen. Het is passend om de man een dwangsom op te leggen, omdat hij eerder heeft aangegeven lak te hebben aan beschikkingen van de rechtbank. Ter onderbouwing van haar vordering verwijst de vrouw naar de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 28 juni 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1933, waarin een soortgelijke situatie aan de orde was. De vrouw voert verweer tegen de vordering van de man om haar te veroordelen in de proceskosten, nu dat allereerst ongebruikelijk is in een familiezaak en de vrouw bovendien niet onnodig aan het procederen is. Partijen denken anders over de uitleg van de zorgregeling.
3.3.
De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw in conventie en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar vorderingen dan wel tot afwijzing van die vorderingen.
In reconventie vordert de man bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
I. Voor de meivakantie de volgende zorgregeling vast te stellen:
de kinderen verblijven van vrijdag 18 april 2025 14.00 uur bij de man en verblijven daar tot zondagochtend 27 april 2025, zodat de kinderen bij de verjaardag van de man aanwezig kunnen zijn, en;
de vrouw haalt de kinderen op zondagochtend 27 april 2025 om 9.00 uur bij de man op, dan wel brengt de man de kinderen die dag om 10.00 uur halverwege en draagt hij de kinderen alsdan aan de vrouw over bij de McDonalds vestiging in Roosendaal, en
II. De vrouw te veroordelen in de aan deze zaak voor de man verbonden proceskosten.
3.4.
Ter onderbouwing van zijn verweer en vorderingen voert de man, samengevat, het navolgende aan. De vrouw heeft niet met de man overlegd over de vakantie naar de [locatie]. Ook heeft de vrouw tijdens de vorige mondelinge behandeling, waar de zorgregeling inclusief de vakantieverdeling is besproken, niets gezegd over haar plannen voor de meivakantie. Zij heeft de beschikking van 18 februari 2025 niet afgewacht, maar de vakantie wel geboekt. De man heeft eerder vakantiedagen moeten inleveren nadat hij zijn vakantieplannen niet tijdig met de vrouw had overlegd. Naast dat de vrouw het boeken van de vakantie niet met de man heeft overlegd, heeft zij ook de minderjarigen al op de hoogte gesteld van de vakantie naar de [locatie]. De man verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar de website van de Rijksoverheid, waaruit blijkt dat de schoolvakanties op zaterdag beginnen, en naar de website van de school van de minderjarige [minderjarige 1] , waaruit volgt dat de meivakantie van dinsdag 22 april 2025 tot en met vrijdag 1 mei 2025 loopt. Volgens de man mocht hij er in alle gevallen dan ook op vertrouwen dat hij de minderjarigen de eerste helft van de meivakantie, en dus ook op zijn verjaardag op [datum 1] 2025, bij zich zou hebben. De vakantieverdeling loopt namelijk van zaterdag tot zaterdag. Dit is ook in lijn met de beschikking van 18 februari 2025, waarin is bepaald dat de vakanties bij helfte worden verdeeld. Dat de weekendregeling in de schoolvakantie zou doorlopen vindt dan ook geen steun. Zelfs als over de verdeling van de vakantie anders zou kunnen worden gedacht, dan zou een redelijke afweging van de betrokken belangen er overigens nog toe moeten leiden dat de man zijn verjaardag met de kinderen kan vieren. In het geval de uitleg van de vrouw wordt gevolgd in de verdeling van de vakantie, vindt de man het op zijn minste billijk als de minderjarigen in dit geval op [datum 1] 2025 in de gelegenheid worden gesteld om de man te feliciteren en (een deel van) zijn verjaardag samen te vieren. Met haar handelswijze brengt de vrouw de minderjarigen in een loyaliteitsconflict. De man maakt zich ook zorgen over de toekomstige vakantieverdeling. Volgens de uitleg van de vrouw zou de herfstvakantie namelijk ook voor problemen zorgen, omdat er dan sprake zal zijn van veel wisselingen. De vrouw heeft het voorgelegde probleem zelf gecreëerd, waardoor zij in de proceskosten dient te worden veroordeeld. Het opleggen van een dwangsom aan de man heeft geen meerwaarde, omdat de man zich zal neerleggen bij de beslissing van de voorzieningenrechter, ongeacht wat deze in zal houden.
3.5.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de mondelinge behandeling staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de vrouw bij haar vordering vast.
4.2.
Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
4.3.
De Raad kan zich vinden in de uitleg van de zorgregeling zoals deze door de vrouw wordt gehanteerd en zoals de voorzieningenrechter deze heeft voorgehouden, te weten dat de minderjarigen van vrijdag 18 april 2025 tot en met vrijdag 25 april 2025 bij de man verblijven, vervolgens van vrijdag 25 april 2025 tot en met vrijdag 2 mei 2025 bij de vrouw, waarna de reguliere zorgregeling weer aanvangt. De Raad maakt zich grote zorgen over de situatie van partijen en de gevolgen hiervan voor de minderjarigen. Partijen hebben de kans gekregen in een vrijwillig kader hulpverlening tot stand te brengen, waarbij de hoop was dat de beschikking van 18 februari 2025 rust zou brengen. Dit is echter niet gelukt. De Raad heeft geen vertrouwen (meer) dat een hulpverleningstraject in een vrijwillig kader van de grond zal komen en zal ambtshalve het reeds gesloten kinderbeschermingsonderzoek heropenen.
4.4.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. De voorzieningenrechter constateert dat partijen een geschil hebben over de bij beschikking van 18 februari 2025 bepaalde zorgregeling. Nu partijen verschillen van mening over de wijze waarop de zorgregeling ten aanzien van de vakantieverdeling dient te worden uitgelegd, is uitleg van het dictum noodzakelijk. De voorzieningenrechter moet het dictum van een uitspraak uitleggen met inachtneming van de overwegingen die tot die beslissing hebben geleid (ECLI:NL:PHR:2021:1064).
4.5.
Bij voormelde beschikking is, zoals eerder ook genoemd, bepaald dat de vakanties bij helfte tussen partijen worden verdeeld, inhoudende dat de minderjarigen in de oneven jaren gedurende de eerste helft van de vakanties bij de man verblijven en de tweede helft bij de vrouw en in de even jaren gedurende de eerste helft van de vakanties bij de vrouw verblijven en de tweede helft bij de man. Waar de vrouw thans aldus stelt dat de vakantie, meer specifiek de aanstaande meivakantie, van vrijdag tot vrijdag loopt, stelt de man dat dit van zaterdag tot zondag is.
4.6.
Met de Raad komt de voorzieningenrechter de uitleg van de vakantieverdeling zoals deze door de vrouw naar voren is gebracht het meest logisch voor. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe als volgt. Vaststaat dat de minderjarigen in de even weekenden bij de man verblijven, hetgeen betekent dat zij ingevolge de reguliere zorgregeling het weekend van vrijdag 18 april 2025 na school tot maandag 21 april 2025 voor school bij de man zouden verblijven. Het ligt naar het oordeel van de voorzieningenrechter het meest voor de hand om voor de vakantieverdeling aan te sluiten bij deze weekendregeling. Op deze wijze is er namelijk sprake van zo min mogelijk wisselingen, hetgeen in het belang van de minderjarigen wordt geacht. Zij zijn immers gebaat bij structuur en rust. Hier komt bij dat is gebleken dat de wisselmomenten op dit moment allerminst soepel verlopen. Ook om deze reden is het van belang de wisselmomenten, en daarmee het risico op een mogelijke escalatie, te beperken. Bovendien, indien het standpunt van de man wordt gevolgd of in geval de maandag als wisselmoment wordt gehanteerd en dus niet wordt aangesloten bij de reguliere zorgregeling, betekent dit concreet voor de meivakantie dat de minderjarigen geruime tijd geen contact zullen hebben met de man. Dit acht de voorzieningenrechter niet in het belang van de minderjarigen. Door de bij beschikking van 18 februari 2025 bepaalde vakantieregeling als volgt uit te leggen, waarbij aldus de vrijdag als wisseldag geldt, zijn beide ouders in de gelegenheid een volledige vakantieweek met de minderjarigen door te brengen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft deze overweging ook (mede) tot de betreffende, bij beschikking van 18 februari 2025 bepaalde, vakantieverdeling geleid, namelijk een gelijke verdeling van de vakanties.
4.7.
Vorengaande betekent voor de aanstaande meivakantie concreet dat de minderjarigen van vrijdag 18 april 2025 tot en met vrijdag 25 april 2025 bij de man verblijven en vervolgens van vrijdag 25 april 2025 tot en met vrijdag 2 mei 2025 bij de vrouw. Omdat het weekend volgend op 2 mei 2025 weer in een even week valt, verblijven de minderjarigen dan vanaf vrijdag 2 mei 2025 tot en met maandag 5 mei 2025 bij de man. Aansluitend bij de reguliere zorgregeling zullen de wisselmomenten in de meivakantie telkens op de vrijdag om 14:00 uur zijn. Op maandag 5 mei 2025 brengt de man de minderjarigen in de ochtend bij de vrouw, omdat dit een feestdag betreft. De voorzieningenrechter kan zich voorstellen dat dit niet op dezelfde tijd dient te zijn als wanneer de man de minderjarigen normaal gesproken naar school zou brengen en acht een tijdstip van uiterlijk 11:00 uur redelijk. De voorzieningenrechter zal de man veroordelen tot nakoming van de zorgregeling op de wijze zoals hiervoor is uitgelegd.
4.8.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen staat het de vrouw vrij om van [datum 1] 2025 tot en met [datum 2] 2025 met de minderjarigen op vakantie te gaan naar de [locatie], nu dit in haar vakantieweek met de minderjarigen valt. Dit neemt niet weg dat de voorzieningenrechter de handelswijze van de vrouw hieromtrent bekritiseerd. De vrouw heeft niet gehandeld in het belang van de minderjarigen door de vakantie te boeken zonder overleg van de man, redelijkerwijs wetende dat de geplande vakantie samenvalt met de verjaardag van de man. De voorzieningenrechter is daarentegen wel van oordeel dat hier geen gevolgen aan dienen te worden verbonden. In de bepaalde zorgregeling is immers niks opgenomen over verjaardagen. Niet bepaald is dat de minderjarigen op de verjaardagen van partijen altijd bij die betreffende ouder dienen te verblijven. Dat geldt in dit geval voor de verjaardag van de man, maar is ook van toepassing bij de verjaardag van de vrouw op [geboortedag 3]. De vraag is ook of dit een voor partijen een wenselijke regeling zou zijn, omdat dit zou betekenen dat minderjarigen dan nooit op pakjesavond bij de man zouden verblijven. Het staat partijen overigens vrij om hun verjaardag te vieren op een datum dat de minderjarigen ingevolge de hiervoor genoemde vakantieverdeling wel bij hen zijn. Voor dit jaar betekent dit dat de man zijn verjaardag aldus kan vieren in de week ervoor, wanneer de minderjarigen de gehele week bij hem zijn. Dat dit dan in dit geval niet de daadwerkelijke verjaardag van de man is, hoeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter niks af te doen aan de kwaliteit van het vieren en het feestelijke moment.
4.9.
Leidend is aldus de bepaalde zorgregeling en de uitleg daarvan op de wijze zoals hiervoor is overwogen. Wel laat het betreffende geschil voor partijen (wederom) de noodzaak zien om aan hun onderlinge communicatie te gaan werken. Partijen dienen als ouders van de minderjarigen te kunnen overleggen over zaken die hen aan gaan. In dat kader is het ook aan partijen om onderling af te stemmen hoe om te gaan met de planning en precieze verdeling van vakanties, verjaardagen of andere bijzonderheden. De voorzieningenrechter kan zich dan ook vinden in het ambtshalve heropenen van het Kinderbeschermingsonderzoek door de Raad, nu ook zij zich grote zorgen maakt over de aanhoudende strijd tussen partijen, het gebrek aan communicatie en tot wat voor geschilpunten dit in de toekomst nog zal leiden als er niks verandert.
4.10.
De vrouw heeft voorts gevorderd een dwangsom te verbinden aan de nakoming van de zorgregeling door de man.
Dictum
De voorzieningenrechter:
in conventie
5.1.
bepaalt dat de bij beschikking van 18 februari 2025 bepaalde zorgregeling ten aanzien van de vakantieverdeling dient te worden uitgelegd op de wijze zoals onder rechtsoverwegingen 4.6 en 4.7 is overwogen;
5.2.
veroordeelt de man tot nakoming van de bij beschikking van 18 februari 2025 bepaalde en hiervoor nader uitgelegde zorgregeling;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.5.
wijst het meer of anders verzochte af;
in reconventie
5.6.
wijst de vorderingen van de man af;
5.7.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2025 in tegenwoordigheid van mr. Oude Weernink, griffier.
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer / rolnummer: C/02/432971 / KG ZA 25-110
Vonnis in kort geding van 17 april 2025
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat: mr. R. Wouters te Middelburg,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat: mr. M. Krijger te Middelburg.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland. locatie Middelburg
(hierna: de Raad).
Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie;
- de mondelinge behandeling op 11 april 2025.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarigen en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast is verschenen een vertegenwoordigster van de Raad om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Partijen hebben een geregistreerd partnerschap met elkaar gehad. Daaruit zijn de navolgende, thans nog minderjarige kinderen geboren:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2018, hierna te noemen: [minderjarige 1] ;
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2021, hierna te noemen: [minderjarige 2] ;
- [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2021, hierna te noemen: [minderjarige 3] .
2.2.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
2.3.
Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, d.d. 18 februari 2025 is, voor zover thans van belang, het hoofdverblijf van de minderjarigen bij de vrouw bepaald en is bepaald dat de man en de minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar gedurende één weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag na school (14:00 uur) tot maandagochtend voor school (08:00 uur). Ten aanzien van de vakanties is bepaald dat deze bij helfte tussen partijen worden verdeeld, inhoudende dat de minderjarigen in de oneven jaren gedurende de eerste helft van de vakanties bij de man verblijven en de tweede helft bij de vrouw en in de even jaren gedurende de eerste helft van de vakanties bij de vrouw verblijven en de tweede helft bij de man.
2.4.
De minderjarigen verblijven bij de vrouw.
Geschil
3.1.
De vrouw vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
De man te veroordelen tot nakoming van de beschikking van 18 februari 2025 onder zaaknummer C/02/411511 / FA RK 23-3179 en zodoende te bepalen dat de man gehouden is om de kinderen van partijen, [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , uiterlijk op vrijdag 25 april om 18:00 uur aan de vrouw af te geven;
Alles op verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- indien de man in gebreke blijft aan het te dezen te wijzen vonnis te voldoen;
Subsidiair een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie juist acht.
3.2.
Door en namens de vrouw is hiertoe in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het navolgende aangevoerd. De vrouw stelt dat de minderjarigen ingevolge de beschikking van deze rechtbank van 18 februari 2025 in de oneven jaren de eerste helft van de vakanties bij de man verblijven. Dit betekent volgens de vrouw concreet voor de meivakantie van 2025, welke duurt van 18 april 2025 tot en met vrijdag 2 mei 2025, dat de minderjarigen de eerste week en aldus van 18 april 2025 tot en met 25 april 2025 bij de man verblijven en de week erna, van 25 april 2025 tot en met 2 mei 2025 bij de vrouw. Hierna vangt de weekendregeling weer aan en verblijven de minderjarigen conform die regeling het weekend bij de man. Deze uitleg sluit aldus aan bij de reguliere zorg-/weekendregeling. De vrouw heeft in januari 2025 een vakantie bij de [locatie] geboekt voor de periode [datum 1] 2025 tot en met [datum 2] 2025 en aldus in het weekend dan wel de vakantie van de vrouw. De vakantie kan niet (kosteloos) worden geannuleerd. De vrouw was op dat moment nog niet op de hoogte dat de man alle vakanties bij helfte wenste te verdelen, nu zij dit voorheen niet deden en de man dit verzoek in de bodemprocedure pas na het boeken van de vakantie heeft gedaan. Zij heeft de vakantie dan ook niet met verkeerde bedoelingen geboekt. De vergelijking die de man maakt met een eerdere door hem, zonder overleg met de vrouw, geboekte vakantie, is niet te maken, nu dit een heel andere situatie betreft. De man geeft een andere uitleg aan de eerder bepaalde zorgregeling, namelijk dat de minderjarigen de eerste week van de meivakantie, van zaterdag 19 april 2025 tot en met [datum 1] 2025 bij de man verblijven en de tweede week, vanaf zondag 27 april 2025, bij de vrouw. De man is [datum 1] 2025 jarig en wil dat de minderjarigen dan bij hem verblijven. De vrouw volgt deze uitleg van de man niet. De vrouw wil duidelijkheid over de vakantieverdeling en vordert derhalve nakoming van de eerder bepaalde zorgregeling. Dat de man de minderjarigen op zijn verjaardag wil zien maakt niet dat afgeweken moet worden van de zorgregeling; de minderjarigen zijn nooit op verjaardagen altijd bij de betreffende ouder, zo ook niet bij de vrouw, die op [geboortedag 3] jarig is. Dit is ook nooit eerder ter sprake gekomen. Het is passend om de man een dwangsom op te leggen, omdat hij eerder heeft aangegeven lak te hebben aan beschikkingen van de rechtbank. Ter onderbouwing van haar vordering verwijst de vrouw naar de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 28 juni 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1933, waarin een soortgelijke situatie aan de orde was. De vrouw voert verweer tegen de vordering van de man om haar te veroordelen in de proceskosten, nu dat allereerst ongebruikelijk is in een familiezaak en de vrouw bovendien niet onnodig aan het procederen is. Partijen denken anders over de uitleg van de zorgregeling.
3.3.
De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw in conventie en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar vorderingen dan wel tot afwijzing van die vorderingen.
In reconventie vordert de man bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
I. Voor de meivakantie de volgende zorgregeling vast te stellen:
de kinderen verblijven van vrijdag 18 april 2025 14.00 uur bij de man en verblijven daar tot zondagochtend 27 april 2025, zodat de kinderen bij de verjaardag van de man aanwezig kunnen zijn, en;
de vrouw haalt de kinderen op zondagochtend 27 april 2025 om 9.00 uur bij de man op, dan wel brengt de man de kinderen die dag om 10.00 uur halverwege en draagt hij de kinderen alsdan aan de vrouw over bij de McDonalds vestiging in Roosendaal, en
II. De vrouw te veroordelen in de aan deze zaak voor de man verbonden proceskosten.
3.4.
Ter onderbouwing van zijn verweer en vorderingen voert de man, samengevat, het navolgende aan. De vrouw heeft niet met de man overlegd over de vakantie naar de [locatie]. Ook heeft de vrouw tijdens de vorige mondelinge behandeling, waar de zorgregeling inclusief de vakantieverdeling is besproken, niets gezegd over haar plannen voor de meivakantie. Zij heeft de beschikking van 18 februari 2025 niet afgewacht, maar de vakantie wel geboekt. De man heeft eerder vakantiedagen moeten inleveren nadat hij zijn vakantieplannen niet tijdig met de vrouw had overlegd. Naast dat de vrouw het boeken van de vakantie niet met de man heeft overlegd, heeft zij ook de minderjarigen al op de hoogte gesteld van de vakantie naar de [locatie]. De man verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar de website van de Rijksoverheid, waaruit blijkt dat de schoolvakanties op zaterdag beginnen, en naar de website van de school van de minderjarige [minderjarige 1] , waaruit volgt dat de meivakantie van dinsdag 22 april 2025 tot en met vrijdag 1 mei 2025 loopt. Volgens de man mocht hij er in alle gevallen dan ook op vertrouwen dat hij de minderjarigen de eerste helft van de meivakantie, en dus ook op zijn verjaardag op [datum 1] 2025, bij zich zou hebben. De vakantieverdeling loopt namelijk van zaterdag tot zaterdag. Dit is ook in lijn met de beschikking van 18 februari 2025, waarin is bepaald dat de vakanties bij helfte worden verdeeld. Dat de weekendregeling in de schoolvakantie zou doorlopen vindt dan ook geen steun. Zelfs als over de verdeling van de vakantie anders zou kunnen worden gedacht, dan zou een redelijke afweging van de betrokken belangen er overigens nog toe moeten leiden dat de man zijn verjaardag met de kinderen kan vieren. In het geval de uitleg van de vrouw wordt gevolgd in de verdeling van de vakantie, vindt de man het op zijn minste billijk als de minderjarigen in dit geval op [datum 1] 2025 in de gelegenheid worden gesteld om de man te feliciteren en (een deel van) zijn verjaardag samen te vieren. Met haar handelswijze brengt de vrouw de minderjarigen in een loyaliteitsconflict. De man maakt zich ook zorgen over de toekomstige vakantieverdeling. Volgens de uitleg van de vrouw zou de herfstvakantie namelijk ook voor problemen zorgen, omdat er dan sprake zal zijn van veel wisselingen. De vrouw heeft het voorgelegde probleem zelf gecreëerd, waardoor zij in de proceskosten dient te worden veroordeeld. Het opleggen van een dwangsom aan de man heeft geen meerwaarde, omdat de man zich zal neerleggen bij de beslissing van de voorzieningenrechter, ongeacht wat deze in zal houden.
3.5.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de mondelinge behandeling staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de vrouw bij haar vordering vast.
4.2.
Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
4.3.
De Raad kan zich vinden in de uitleg van de zorgregeling zoals deze door de vrouw wordt gehanteerd en zoals de voorzieningenrechter deze heeft voorgehouden, te weten dat de minderjarigen van vrijdag 18 april 2025 tot en met vrijdag 25 april 2025 bij de man verblijven, vervolgens van vrijdag 25 april 2025 tot en met vrijdag 2 mei 2025 bij de vrouw, waarna de reguliere zorgregeling weer aanvangt. De Raad maakt zich grote zorgen over de situatie van partijen en de gevolgen hiervan voor de minderjarigen. Partijen hebben de kans gekregen in een vrijwillig kader hulpverlening tot stand te brengen, waarbij de hoop was dat de beschikking van 18 februari 2025 rust zou brengen. Dit is echter niet gelukt. De Raad heeft geen vertrouwen (meer) dat een hulpverleningstraject in een vrijwillig kader van de grond zal komen en zal ambtshalve het reeds gesloten kinderbeschermingsonderzoek heropenen.
4.4.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. De voorzieningenrechter constateert dat partijen een geschil hebben over de bij beschikking van 18 februari 2025 bepaalde zorgregeling. Nu partijen verschillen van mening over de wijze waarop de zorgregeling ten aanzien van de vakantieverdeling dient te worden uitgelegd, is uitleg van het dictum noodzakelijk. De voorzieningenrechter moet het dictum van een uitspraak uitleggen met inachtneming van de overwegingen die tot die beslissing hebben geleid (ECLI:NL:PHR:2021:1064).
4.5.
Bij voormelde beschikking is, zoals eerder ook genoemd, bepaald dat de vakanties bij helfte tussen partijen worden verdeeld, inhoudende dat de minderjarigen in de oneven jaren gedurende de eerste helft van de vakanties bij de man verblijven en de tweede helft bij de vrouw en in de even jaren gedurende de eerste helft van de vakanties bij de vrouw verblijven en de tweede helft bij de man. Waar de vrouw thans aldus stelt dat de vakantie, meer specifiek de aanstaande meivakantie, van vrijdag tot vrijdag loopt, stelt de man dat dit van zaterdag tot zondag is.
4.6.
Met de Raad komt de voorzieningenrechter de uitleg van de vakantieverdeling zoals deze door de vrouw naar voren is gebracht het meest logisch voor. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe als volgt. Vaststaat dat de minderjarigen in de even weekenden bij de man verblijven, hetgeen betekent dat zij ingevolge de reguliere zorgregeling het weekend van vrijdag 18 april 2025 na school tot maandag 21 april 2025 voor school bij de man zouden verblijven. Het ligt naar het oordeel van de voorzieningenrechter het meest voor de hand om voor de vakantieverdeling aan te sluiten bij deze weekendregeling. Op deze wijze is er namelijk sprake van zo min mogelijk wisselingen, hetgeen in het belang van de minderjarigen wordt geacht. Zij zijn immers gebaat bij structuur en rust. Hier komt bij dat is gebleken dat de wisselmomenten op dit moment allerminst soepel verlopen. Ook om deze reden is het van belang de wisselmomenten, en daarmee het risico op een mogelijke escalatie, te beperken. Bovendien, indien het standpunt van de man wordt gevolgd of in geval de maandag als wisselmoment wordt gehanteerd en dus niet wordt aangesloten bij de reguliere zorgregeling, betekent dit concreet voor de meivakantie dat de minderjarigen geruime tijd geen contact zullen hebben met de man. Dit acht de voorzieningenrechter niet in het belang van de minderjarigen. Door de bij beschikking van 18 februari 2025 bepaalde vakantieregeling als volgt uit te leggen, waarbij aldus de vrijdag als wisseldag geldt, zijn beide ouders in de gelegenheid een volledige vakantieweek met de minderjarigen door te brengen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft deze overweging ook (mede) tot de betreffende, bij beschikking van 18 februari 2025 bepaalde, vakantieverdeling geleid, namelijk een gelijke verdeling van de vakanties.
4.7.
Vorengaande betekent voor de aanstaande meivakantie concreet dat de minderjarigen van vrijdag 18 april 2025 tot en met vrijdag 25 april 2025 bij de man verblijven en vervolgens van vrijdag 25 april 2025 tot en met vrijdag 2 mei 2025 bij de vrouw. Omdat het weekend volgend op 2 mei 2025 weer in een even week valt, verblijven de minderjarigen dan vanaf vrijdag 2 mei 2025 tot en met maandag 5 mei 2025 bij de man. Aansluitend bij de reguliere zorgregeling zullen de wisselmomenten in de meivakantie telkens op de vrijdag om 14:00 uur zijn. Op maandag 5 mei 2025 brengt de man de minderjarigen in de ochtend bij de vrouw, omdat dit een feestdag betreft. De voorzieningenrechter kan zich voorstellen dat dit niet op dezelfde tijd dient te zijn als wanneer de man de minderjarigen normaal gesproken naar school zou brengen en acht een tijdstip van uiterlijk 11:00 uur redelijk. De voorzieningenrechter zal de man veroordelen tot nakoming van de zorgregeling op de wijze zoals hiervoor is uitgelegd.
4.8.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen staat het de vrouw vrij om van [datum 1] 2025 tot en met [datum 2] 2025 met de minderjarigen op vakantie te gaan naar de [locatie], nu dit in haar vakantieweek met de minderjarigen valt. Dit neemt niet weg dat de voorzieningenrechter de handelswijze van de vrouw hieromtrent bekritiseerd. De vrouw heeft niet gehandeld in het belang van de minderjarigen door de vakantie te boeken zonder overleg van de man, redelijkerwijs wetende dat de geplande vakantie samenvalt met de verjaardag van de man. De voorzieningenrechter is daarentegen wel van oordeel dat hier geen gevolgen aan dienen te worden verbonden. In de bepaalde zorgregeling is immers niks opgenomen over verjaardagen. Niet bepaald is dat de minderjarigen op de verjaardagen van partijen altijd bij die betreffende ouder dienen te verblijven. Dat geldt in dit geval voor de verjaardag van de man, maar is ook van toepassing bij de verjaardag van de vrouw op [geboortedag 3]. De vraag is ook of dit een voor partijen een wenselijke regeling zou zijn, omdat dit zou betekenen dat minderjarigen dan nooit op pakjesavond bij de man zouden verblijven. Het staat partijen overigens vrij om hun verjaardag te vieren op een datum dat de minderjarigen ingevolge de hiervoor genoemde vakantieverdeling wel bij hen zijn. Voor dit jaar betekent dit dat de man zijn verjaardag aldus kan vieren in de week ervoor, wanneer de minderjarigen de gehele week bij hem zijn. Dat dit dan in dit geval niet de daadwerkelijke verjaardag van de man is, hoeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter niks af te doen aan de kwaliteit van het vieren en het feestelijke moment.
4.9.
Leidend is aldus de bepaalde zorgregeling en de uitleg daarvan op de wijze zoals hiervoor is overwogen. Wel laat het betreffende geschil voor partijen (wederom) de noodzaak zien om aan hun onderlinge communicatie te gaan werken. Partijen dienen als ouders van de minderjarigen te kunnen overleggen over zaken die hen aan gaan. In dat kader is het ook aan partijen om onderling af te stemmen hoe om te gaan met de planning en precieze verdeling van vakanties, verjaardagen of andere bijzonderheden. De voorzieningenrechter kan zich dan ook vinden in het ambtshalve heropenen van het Kinderbeschermingsonderzoek door de Raad, nu ook zij zich grote zorgen maakt over de aanhoudende strijd tussen partijen, het gebrek aan communicatie en tot wat voor geschilpunten dit in de toekomst nog zal leiden als er niks verandert.
4.10.
De vrouw heeft voorts gevorderd een dwangsom te verbinden aan de nakoming van de zorgregeling door de man.
Dictum
De voorzieningenrechter:
in conventie
5.1.
bepaalt dat de bij beschikking van 18 februari 2025 bepaalde zorgregeling ten aanzien van de vakantieverdeling dient te worden uitgelegd op de wijze zoals onder rechtsoverwegingen 4.6 en 4.7 is overwogen;
5.2.
veroordeelt de man tot nakoming van de bij beschikking van 18 februari 2025 bepaalde en hiervoor nader uitgelegde zorgregeling;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.5.
wijst het meer of anders verzochte af;
in reconventie
5.6.
wijst de vorderingen van de man af;
5.7.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2025 in tegenwoordigheid van mr. Oude Weernink, griffier.