Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-08-14
ECLI:NL:RBZWB:2025:5461
Bestuursrecht; Belastingrecht
Geheimhoudingsbeslissing
1,606 tokens
Dictum
[belanghebbende] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. R. Zilver),
en
de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.
Het verzoek
1. De inspecteur heeft met dagtekening 6 november 2024 een verweerschrift met bijlagen genummerd van 1 tot en met 59 ingediend. Bij brief van dezelfde datum heeft hij vermeld dat hij voor de bijlagen 19 en 20 (de bijlagen) een beroep op – zoals de inspecteur het omschrijft – beperkte geheimhouding doet en daarom voor die stukken een procedure als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb aanhangig maakt. Het gaat daarbij om zwartgelakte passages van de betreffende bijlagen.
1.2.
In een aparte envelop, door de rechtbank ontvangen op 7 november 2024 heeft de inspecteur de ongeschoonde versies van de bijlagen overgelegd.
1.3.
De rechtbank heeft een afschrift van het verweerschrift met de geschoonde versies van de bijlagen en het geheimhoudingsverzoek aan belanghebbende verstrekt en hem in de gelegenheid gesteld om op het verzoek van geheimhouding van de inspecteur te reageren.
1.4.
Belanghebbende heeft op 29 november 2024 gereageerd op dat verzoek en aangegeven dat hij zich verzet tegen de geheimhouding. Hij heeft daarbij verzocht om integrale inzage van de stukken.
Overwegingen
Geen zitting
2. De geheimhoudingskamer heeft besloten een mondelinge behandeling ter zitting achterwege te laten. Reden daarvoor is dat de aard van de geheimhoudingsprocedure meebrengt dat een behandeling ter zitting in dit geval naar het oordeel van de geheimhoudingskamer niet nodig is om het verzoek om geheimhouding van de inspecteur te behandelen.
Kader voor beoordeling artikel 8:29 van de Awb
2.1.
De omstandigheid dat stukken behoren tot op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb brengt niet automatisch mee dat dit stuk (volledig) aan de andere partij ter kennis moet worden gebracht. Het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb biedt aan partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van stukken te weigeren (geheimhouding) of de rechtbank mede te delen dat uitsluitend de rechtbank kennis zal mogen nemen van deze stukken (beperkte kennisneming). Ook biedt artikel 8:29 van de Awb aan partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid stukken niet volledig, maar met onleesbaar gemaakte delen, aan de andere partij en de hoofdkamer ter kennis te brengen.
2.2.
Het verschil tussen het honoreren van een verzoek om geheimhouding en het honoreren van een verzoek om beperking van kennisneming is als volgt:
Geheimhouding: (delen van de) stukken mogen door een partij worden onthouden aan de rechter die de hoofdzaak beslist en aan de wederpartij; zowel de rechter die de hoofdzaak beslist als de wederpartij nemen geen kennis van deze (delen van) stukken en deze blijven bij de beslissing van de hoofdzaak geheel buiten beschouwing (geheimhouding).
Beperking kennisneming: de (delen van de) stukken komen wel ter beschikking van de rechter die de hoofdzaak beslist, maar de wederpartij kan geen kennis nemen van deze (delen van) stukken: de kennisneming is beperkt tot de rechter die de hoofdzaak beslist (beperkte kennisneming).
2.3.
De inspecteur heeft zich beroepen op beperkte kennisneming (variant b). In artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb is bepaald dat variant b alleen is toegestaan met toestemming van de belastingplichtige. Belanghebbende heeft die toestemming niet verleend. De geheimhoudingskamer zal daarom uitsluitend beoordelen of geheimhouding gerechtvaardigd is (variant a).
2.4.
Bij het geheimhouden van (delen van) op de zaak betrekking hebbende stukken moet de grootst mogelijke terughoudendheid worden betracht. Slechts indien de door de inspecteur voor geheimhouding aangevoerde redenen zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van (delen van) de op de zaak betrekking hebbende stukken, is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen.
Beoordeling
2.5.
De geheimhoudingskamer heeft, met toepassing van artikel 8:29 van de Awb, kennisgenomen van de geheimgehouden stukken en van de stukken van de hoofdzaak. De geheimgehouden stukken zijn vervolgens onderworpen aan een afweging van het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming tegenover de redenen van de inspecteur om (delen van) de stukken geheim te houden.
2.6.
De rechtbank overweegt met betrekking tot de zwartgelakte passages dat in deze passages sprake is van namen van individuele medewerkers van bedrijven die betrokken zijn geweest bij derdenonderzoeken en die namen op zichzelf geen relevantie hebben voor het inhoudelijke geschil. De rechtbank is daarom van oordeel dat de zwartgelakte passages wegens privacyoverwegingen en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer geheim gehouden dienen te worden. De bescherming van informatie over derden weegt naar het oordeel van de rechtbank zwaarder dan het belang dat belanghebbende heeft bij kennisgeving van deze passages.
Conclusie
2.7.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het verzoek om geheimhouding is gerechtvaardigd met betrekking tot de zwartgelakte passages in bijlagen 19 en 20.
Dictum
De geheimhoudingskamer wijst het verzoek om geheimhouding van de zwartgelakte passages toe.
Deze beslissing is genomen door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. R.J.M. de Fouw, griffier, op 14 augustus 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www. rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Deze beslissing is in Mijn Rechtspraak geplaatst.
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing kan ingevolge artikel 8:104, derde lid, van de Awb slechts tegelijk met het hoger beroep tegen de uitspraak in de hoofdzaak hoger beroep worden ingesteld.