Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-07-03
ECLI:NL:RBZWB:2025:5318
Strafrecht
Raadkamer
1,521 tokens
Dictum
[klager]
geboren op [geboortedag] 1999,wonende te [plaats],woonplaats kiezende ten kantore van mr. R.A.H. van Huijgevoort, Tivolistraat 30, 5017 HR Tilburg
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 11 februari 2025 ter griffie van deze rechtbank;
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 10 september 2024 te [plaats] een scooter en een contant geldbedrag ter hoogte van € 8.535,00 onder klager in beslag is genomen;
de reactie van de officier van justitie en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 17 juni 2025 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie, klager en mr. R.A.H. van Huijgevoort als gemachtigd advocaat van klager gehoord.
Namens klager wordt aangevoerd dat er onder hem een scooter (Vespa, kenteken; [kenteken]) en een contant geldbedrag ter hoogte van € 8.545,00 in beslag is genomen. Klager is de rechthebbende over deze scooter en dit geldbedrag en wenst hier over te kunnen beschikken. Er is geen strafvorderlijk belang gediend met de inbeslagname en voortduring van de inbeslagname is in strijd met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de scooter en het geldbedrag zal bevelen gelet op de Opiumwet verdenking.
Beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in zijn beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
De rechtbank maakt uit het verhandelde in raadkamer en de haar tot beschikking staande raadkamerstukken op dat klager op 10 september 2024 op heterdaad wordt aangehouden ter zake de Opiumwet en wordt verdachte van dealeractiviteiten. In de telefoon van verdachte worden diverse berichten aangetroffen die op vermoedelijke dealeractiviteiten zien . Daarnaast is de verdenking dat deze scooter zou zijn aangeschaft met crimineel verkregen gelden. De politie besluit vervolgens door te pakken en doorzoekt de woning van klager en treft voornoemde scooter aan in de garage met hierin (soft- en hard) drugs. In de slaapkamer van klager wordt een zeer groot contant geldbedrag ter hoogte van, in totaal, € 8.535,00 alsmede een zeer grote hoeveelheid (soft- en hard) drugs gevonden. Klager zegt in raadkamer dat de aangetroffen drugs voor eigen gebruik zijn en dat het gevonden geldbedrag bestaat uit spaargeld en geld verkregen als beloning voor schilderklusjes. Daartoe het volgende. Niet alleen zijn de aangetroffen drugs zodanig divers van aard en van een danige grote hoeveelheid dat de rechtbank de verklaring van klager niet aannemelijk acht. Ook is er onderzoek door politie en justitie verricht op de financiële huishouding van klager hetgeen er, kortweg, op neerziet dat klager de afgelopen jaren zo goed als geen (legaal) inkomen heeft genoten en amper tot geen geldelijke (girale) opnamen heeft verricht van zijn bankrekening(en). In het licht van het voorgaande bezien is de rechtbank dan ook van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de scooter en het contante geldbedrag zal bevelen.
De rechtbank acht de continuering van het strafvorderlijk beslag, mede gelet op het voorgaande, niet in strijd met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Gelet op het hiervoor overwogene zal de rechtbank het klaagschrift tegen het artikel 94 Sv beslag ongegrond verklaren.
Dictum
De rechtbank verklaart het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 3 juli 2025 genomen door mr. R.H.M. Pooyé rechter, in tegenwoordigheid van J. van ‘t Westende, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 3 juli 2025.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).