Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-06-20
ECLI:NL:RBZWB:2025:5302
Strafrecht
Raadkamer
2,138 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-320391-23
v.i. nummer : 89-000118-51
raadkamernummer : 25-005617
datum : 20 juni 2025
Dictum
[veroordeelde],
geboren op [geboortedag] 2002 te [geboorteplaats],
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. C.J.M. Jansen, advocaat te Tilburg
(Tivolistraat 18, 5017 HP Tilburg),
hierna te noemen: de veroordeelde.
Feiten
Bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 oktober 2024, onder parketnummer 02-320391-23, is veroordeelde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest.
Gelet op deze veroordeling komt veroordeelde in aanmerking voor voorwaardelijke
invrijheidstelling (hierna VI) per 29 maart 2025 met een (per die datum) proeftijd van 365 dagen en een strafrestant van 237 dagen.
Het bezwaarschrift is eerder, op 7 april 2025, in raadkamer behandeld. De rechtbank heeft de behandeling heropend en de officier van justitie opdracht gegeven om de reclassering een nader advies over de VI van veroordeelde te kunnen geven.
Procedure
Het bezwaar tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie is op 28 februari 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand een nader standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 3 juni 2025 het bezwaar in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de veroordeelde, zijn raadsman mr. C.J.M. Jansen, advocaat te Tilburg, en de officier van justitie in raadkamer gehoord.
Bezwaar
De veroordeelde kan zich niet verenigen met de beslissing van het Openbaar Ministerie om de veroordeelde niet voorwaardelijk in vrijheid te stellen.
Namens veroordeelde wordt aangevoerd dat aan de opdracht van de rechtbank niet is voldaan. Er is door het Openbaar Ministerie niet (eens) getracht een nader advies door de reclassering op te laten stellen. In de tussentijd is veroordeelde ongewenst verklaard en stelt het Openbaar Ministerie zich op het standpunt dat een VI, kort gezegd, niet meer van toepassing is. Veroordeelde meent dat een dergelijke verklaring een VI niet in de weg hoeft te staan, omdat er hangende die ongewenstverklaring beroep is ingesteld en die beslissing niet onherroepelijk is. Het Openbaar Ministerie heeft geen enkel nader onderzoek gedaan. Veroordeelde heeft eerder al te kennen gegeven over geschikte woonruimte en werk te kunnen beschikken, zodat niets een VI nog in de weg hoeft te staan. Veroordeelde verzoekt dan ook de VI per direct te effectueren en zijn bezwaarschrift gegrond te verklaren.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat veroordeelde per 19 mei 2025 ongewenst is verklaard. Er is geen sprake meer van een rechtmatig verblijf in Nederland en er kan - op grond van art. 6:2:10, lid 2, onder c Sv - geen VI meer worden verleend. Er zal geen aanvullend advies meer worden geschreven. Veroordeelde komt hier ook niet (meer) voor in aanmerking.
Beoordeling
Uit de door de officier van justitie overgelegde stukken valt af te leiden dat veroordeelde per 19 mei 2025 ongewenst is verklaard en geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Op grond van artikel 6:2:10, lid 2 aanhef en onder c Sv is de VI uitgesloten voor de veroordeelde vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000. Aan hem kan alleen op grond van artikel 40a Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting onder voorwaarden strafonderbreking voor onbepaalde tijd worden verleend, mits het daadwerkelijk vertrek uit Nederland mogelijk is en gerealiseerd wordt.
De rechtbank zal het bezwaar dan ook ongegrond verklaren.
Dictum
De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door
mr J.C.A.M. Los, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. M.H.F. van Klaveren en J.A.C.M. van 't Westende, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2025.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-320391-23
v.i. nummer : 89-000118-51
raadkamernummer : 25-005617
datum : 20 juni 2025
Dictum
[veroordeelde],
geboren op [geboortedag] 2002 te [geboorteplaats],
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. C.J.M. Jansen, advocaat te Tilburg
(Tivolistraat 18, 5017 HP Tilburg),
hierna te noemen: de veroordeelde.
Feiten
Bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 oktober 2024, onder parketnummer 02-320391-23, is veroordeelde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest.
Gelet op deze veroordeling komt veroordeelde in aanmerking voor voorwaardelijke
invrijheidstelling (hierna VI) per 29 maart 2025 met een (per die datum) proeftijd van 365 dagen en een strafrestant van 237 dagen.
Het bezwaarschrift is eerder, op 7 april 2025, in raadkamer behandeld. De rechtbank heeft de behandeling heropend en de officier van justitie opdracht gegeven om de reclassering een nader advies over de VI van veroordeelde te kunnen geven.
Procedure
Het bezwaar tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie is op 28 februari 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand een nader standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 3 juni 2025 het bezwaar in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de veroordeelde, zijn raadsman mr. C.J.M. Jansen, advocaat te Tilburg, en de officier van justitie in raadkamer gehoord.
Bezwaar
De veroordeelde kan zich niet verenigen met de beslissing van het Openbaar Ministerie om de veroordeelde niet voorwaardelijk in vrijheid te stellen.
Namens veroordeelde wordt aangevoerd dat aan de opdracht van de rechtbank niet is voldaan. Er is door het Openbaar Ministerie niet (eens) getracht een nader advies door de reclassering op te laten stellen. In de tussentijd is veroordeelde ongewenst verklaard en stelt het Openbaar Ministerie zich op het standpunt dat een VI, kort gezegd, niet meer van toepassing is. Veroordeelde meent dat een dergelijke verklaring een VI niet in de weg hoeft te staan, omdat er hangende die ongewenstverklaring beroep is ingesteld en die beslissing niet onherroepelijk is. Het Openbaar Ministerie heeft geen enkel nader onderzoek gedaan. Veroordeelde heeft eerder al te kennen gegeven over geschikte woonruimte en werk te kunnen beschikken, zodat niets een VI nog in de weg hoeft te staan. Veroordeelde verzoekt dan ook de VI per direct te effectueren en zijn bezwaarschrift gegrond te verklaren.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat veroordeelde per 19 mei 2025 ongewenst is verklaard. Er is geen sprake meer van een rechtmatig verblijf in Nederland en er kan - op grond van art. 6:2:10, lid 2, onder c Sv - geen VI meer worden verleend. Er zal geen aanvullend advies meer worden geschreven. Veroordeelde komt hier ook niet (meer) voor in aanmerking.
Beoordeling
Uit de door de officier van justitie overgelegde stukken valt af te leiden dat veroordeelde per 19 mei 2025 ongewenst is verklaard en geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Op grond van artikel 6:2:10, lid 2 aanhef en onder c Sv is de VI uitgesloten voor de veroordeelde vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000. Aan hem kan alleen op grond van artikel 40a Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting onder voorwaarden strafonderbreking voor onbepaalde tijd worden verleend, mits het daadwerkelijk vertrek uit Nederland mogelijk is en gerealiseerd wordt.
De rechtbank zal het bezwaar dan ook ongegrond verklaren.
Dictum
De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door
mr J.C.A.M. Los, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. M.H.F. van Klaveren en J.A.C.M. van 't Westende, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2025.