Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-06-10
ECLI:NL:RBZWB:2025:5295
Strafrecht
Raadkamer
1,293 tokens
Dictum
[veroordeelde],
geboren op [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats],
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. I.J.G. van Raab van Canstein advocaat te Amsterdam, (Postbus 11561, 1001 GN AMSTERDAM)
hierna te noemen: de veroordeelde.
Procedure
Het bezwaarschrift is op 4 december 2024 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 27 mei 2025 het bezwaar in besloten raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de gemachtigde advocaat van de veroordeelde, mr. I.J.G. van Raab van Canstein en de officier van justitie op zitting gehoord.
De veroordeelde is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.
Bezwaar
Het bezwaar richt zich tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde.
Namens veroordeelde wordt aangevoerd dat hij op 11 oktober 2024 door de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant is veroordeeld ter zake een vernieling. Naar aanleiding van een bevel van de officier van justitie van 4 december 2023 heeft veroordeelde op 30 november 2024 DNA-materiaal afgestaan. Veroordeelde is van mening dat gelet op de aard van het misdrijf en de bijzondere omstandigheden waaronder dit misdrijf is begaan er sprake is van een uitzonderingssituatie waardoor zijn DNA-profiel niet van betekenis kan en zal zijn voor de strafrechtspleging. Redenen waarom veroordeelde de rechtbank vraagt zijn bezwaarschrift gegrond te verklaren onder vernietiging van het onder hem afgenomen DNA-materiaal.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt dat zich geen uitzondering voordoet in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA.
Beoordeling
Bij vonnis van 11 oktober 2024 is de veroordeelde in deze rechtbank veroordeeld ter zake van het opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen
.
De rechtbank is bevoegd.
Het bezwaar is tijdig en op de juiste wijze ingediend. De veroordeelde kan daardoor in het bezwaar worden ontvangen.
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA kan een bevel tot afname van celmateriaal enkel worden bevolen ter zake van een veroordeling van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv.
De rechtbank stelt vast dat het misdrijf waarvoor het bevel is afgegeven, aan dit vereiste voldoet.
De Wet DNA strekt ertoe gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van de veroordeelde op efficiënte wijze op te sporen, alsmede de veroordeelde te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Daarbij is het uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij zich een van de in het eerste lid genoemde uitzonderingen voordoet. Een van de uitzonderingen is, dat redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden, waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
Blijkens de wetsgeschiedenis ziet de maatstaf 'aard van het misdrijf' op misdrijven waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing vervolging en berechting van strafbare feiten.
In het onderhavige geval is de veroordeelde veroordeeld voor een vernieling. Het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde zal wel van betekenis kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Ondanks de door de advocaat aangevoerde Europese jurisprudentie ziet de rechtbank voldoende aanleiding in het dossier om uit te gaan van een vernieling met bijkomende verzwarende omstandigheden die het maken dat opname van het DNA-materiaal van veroordeelde in de daartoe bestemde databanken van betekenis is. Zo heeft veroordeelde de voordeur van zijn ex-partner onder klaarblijkelijk dreigende uitspraken vernield nadat hij uit de woning was gezet. Dit is met zodanig geweld gepaard gegaan, in het licht van de onderlinge relatie bezien, dat de ernst van het feit verder strekt dan een eenvoudige vernieling. De rechtbank meent dan ook, gelet op het voorgaande, dat de aard en ernst van het misdrijf het op zichzelf al maken dat opname van het DNA-profiel van veroordeelde een bijdrage kan leveren aan de strafrechtketen en niet buitenproportioneel kan worden genoemd.
Dictum
De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door
mr. J.C. Gillesse, rechter,
in tegenwoordigheid van J.A.C.M. van 't Westende, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2025.
De griffier is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.