Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-06-10
ECLI:NL:RBZWB:2025:5290
Strafrecht
Raadkamer
1,609 tokens
Dictum
[verzoeker]
wonende te [adres], woonplaats kiezende ten kantore van mr. M.M. van der Marel, Freddy van Riemsdijkweg 4, 5657 EE Eindhoven
Procesverloop
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het op 18 oktober 2024 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 van het Wetboek van strafvordering (Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van:
€ 1.241,65 voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
€ 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
de kennisgeving sepot van 22 augustus 2024;
de schriftelijke reactie van de officier van justitie;
de overige stukken in het raadkamerdossier.
Op 27 mei 2025 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie en mr. M.M. van der Marel als gemachtigd advocaat van verzoeker gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoeker wordt aangevoerd dat de aan verzoeker opgelegde strafbeschikking op 22 augustus 2024 is ingetrokken waarmee de strafzaak (feitelijk) is geëindigd. Door de strafrechtelijke vervolging heeft verzoeker echter kosten van rechtsbijstand moeten maken ter hoogte van € 1.241,65 te vermeerderen met de forfaitaire vergoeding voor onderhavig verzoekschrift ter hoogte van € 680,00. Verzoeker vraagt de rechtbank dit verzoekschrift geheel toe te wijzen.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het verzoek afgewezen dient te worden. De advocaat heeft geen declaratie overgelegd. Er kan aldus niet gecontroleerd worden welk bedrag aan kosten daadwerkelijk ten laste van verzoeker zijn gekomen. Het overleggen van een urenspecificatie is daarvoor onvoldoende. Mocht de advocaat de declaratie alsnog (onderbouwd) overleggen dan is de officier van justitie van mening dat het verzoek toegewezen kan worden.
Beoordeling
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd.
Op grond van artikel 530 Sv wordt aan een gewezen verdachte een vergoeding toegekend van de reis- en verblijfskosten die voor het onderzoek en de behandeling van de zaak zijn gemaakt. Er kan ook een vergoeding worden toegekend voor de schade die hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden. Tot slot kan ook een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
De rechtbank constateert dat er door de advocaat van verzoeker geen declaratie is overgelegd bij de indiening van het verzoekschrift namens verzoeker. De advocaat heeft in raadkamer bepleit dat een dergelijke declaratie, kortweg, niet noodzakelijk is om tot een billijkheidsoordeel te komen en dat al dan niet gemaakte afspraken over betalingen onder de geheimhoudingsplicht van de advocaat vallen.
Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Om tot een vergoeding van al dan niet geleden schade door strafrechtelijke vervolging te komen indien die strafrechtelijke vervolging, overeenkomstig, art. 530 Sv. is geëindigd, dient de rechtbank vast te stellen of verzoeker schade heeft geleden doordat er kosten zijn gemaakt door verzoeker.
Bij de in art. 530 Sv. geregelde vergoedingen gaat het, blijkens de wetsgeschiedenis en jurisprudentie, om die kosten en schade, die werkelijk ten laste van de gewezen verdachte zijn gekomen of welke door haar zijn geleden.
De advocaat heeft deze declaratie niet overgelegd omdat hij deze niet heeft opgemaakt. Hij heeft hierbij naar voren gebracht dat verzoeker deze niet kan betalen en als hij deze declaratie wel had opgemaakt en verstuurd hij daarover de BTW had moeten afdragen.
De rechtbank oordeelt dat als een advocaat kostenafspraak met een client maakt terwijl, zoals in dit geval, al vooraf vaststaat dat deze niet kan en zal betalen, die afspraak feitelijk neerkomt op een “no cure, no pay” afspraak. Een dergelijke afspraak is niet toegestaan en nietig. Naast de omstandigheid dat verzoeker geen nota heeft ontvangen en daarom ook geen kosten heeft gemaakt, zal het verzoek worden afgewezen
Gelet hierop wijst de rechtbank het verzoek dan ook af.
Geheel ten overvloede merkt de rechtbank daarbij op dat vervolgens pas na de beoordeling of de kosten ten laste van verzoeker zijn geweest, gekeken zal kunnen gaan worden of de door de advocaat opgevoerde uren in samenhang bezien met de kosten al dan niet te billijken zijn en of verzoeker, als verdachte, de strafrechtelijke vervolging en daarbij behorende kosten al dan niet aan zichzelf te wijten heeft gehad. Gelet op het hiervoor overwogene komt de rechtbank echter niet tot een (inhoudelijke) beoordeling van het voorgaande.
Voor toekenning van een vergoeding voor de kosten van het opstellen en behandelen van het verzoekschrift acht de rechtbank, in het licht van het voorgaande, evenmin gronden van billijkheid aanwezig.
Dictum
De rechtbank wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding af.
Deze beslissing is op 10 juni 2025 genomen door mr. J.C. Gillesse rechter, in tegenwoordigheid van J. van ‘t Westende, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 10 juni 2025.
De griffier is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.