Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-07-31
ECLI:NL:RBZWB:2025:5141
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,155 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/6595 PARKBL
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 31 juli 2025 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 16 juli 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting met aanslagnummer [nummer] opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende op 31 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft belanghebbende deelgenomen. De heffingsambtenaar is, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen.
Overwegingen
2. De rechtbank beoordeelt allereerst of het beroep ontvankelijk is.
3. Anders dan de heffingsambtenaar is de rechtbank van oordeel dat het beroep wel ontvankelijk is. Niet in geschil is dat het beroepschrift buiten de beroepstermijn is ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het niet tijdig indienen van het beroepschrift belanghebbende niet kan worden toegerekend. Belanghebbende was ten tijde van de beroepstermijn opgenomen in het ziekenhuis. Van de ziekenhuisopname heeft belanghebbende stukken overgelegd. Na het ontslag uit het ziekenhuis heeft hij meerdere weken last gehad van een infectie. De omvang van de termijnoverschrijding in dit twee-partijengeschil, waarbij geen belangen van derden zijn betrokken, is beperkt. De termijnoverschrijding is verschoonbaar.
3.1.
Aangezien het beroep ontvankelijk is, zal de rechtbank het beroep ook inhoudelijk beoordelen.
4. Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd omdat onduidelijk is dat op de betreffende locatie parkeerbelasting verschuldigd is. Het ligt naar het oordeel van de rechtbank op de weg van de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat het betaald parkeren ter plaatse op voldoende duidelijke wijze is aangegeven, bijvoorbeeld door het overleggen van foto’s. Nu de heffingsambtenaar dit heeft nagelaten, is het beroep gegrond.
4.1.
Belanghebbende heeft geen proceskosten gesteld die voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. De heffingsambtenaar moet het griffierecht vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de naheffingsaanslag;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier, op 31 juli 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Dit proces-verbaal is in Mijn Rechtspraak geplaatst.
Aan deze uitspraak hoeft pas uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.