Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-01-31
ECLI:NL:RBZWB:2025:512
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,489 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/8137
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 januari 2025 in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaats], eiseres,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het UWV volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 17 juli 2024 om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet wia).
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Is het beroep kennelijk gegrond?
3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiseres heeft de aanvraag ingediend op 17 juli 2024. Het UWV moet binnen acht weken beslissen op de aanvraag. Omdat de aanvraag nog niet compleet was, heeft het UWV de beslistermijn op 23 juli 2024 opgeschort tot de aanvraag compleet was. Op 30 juli 2024 was de aanvraag compleet. Het UWV had dus uiterlijk op 13 september 2024 moeten beslissen. De termijn waarbinnen het UWV moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiseres heeft het UWV op 18 september 2024 in gebreke gesteld en het UWV heeft de ingebrekestelling op 25 september 2024 ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
Welke beslistermijn moet aan het UWV worden opgelegd?
4. Omdat het UWV nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.2.
Het UWV heeft in zijn verweerschrift van 19 december 2024 uitgelegd dat er vanwege een tekort aan verzekeringsartsen een achterstand is opgelopen bij het plannen van het fysieke spreekuur bij de verzekeringsarts, maar dat eiseres inmiddels is uitgenodigd voor een fysiek spreekuur bij de verzekeringsarts op 30 december 2024. Het UWV verwacht dat hij het besluit binnen een maand na het spreekuur kan nemen als medische informatie-uitvraag niet noodzakelijk is. Als medische informatie-uitvraag wel noodzakelijk is, is het UWV afhankelijk van de reactietermijn van de behandelende sector. Inmiddels is sinds de indiening van het verweerschrift ruim een maand verstreken. De rechtbank vindt de door verweerder gevraagde termijn van een maand redelijk, omdat eiser gebaat is bij een zorgvuldige heroverweging. Het UWV moet daarom uiterlijk op 28 februari 2025 het besluit nemen.
Welke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
Conclusie
6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, het UWV de onder 4.2. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
7. Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt het UWV op uiterlijk 28 februari 2025 alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat het UWV aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 31 januari 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
Dit staat in artikel 102, derde lid, van de Wet wia.
Op grond van artikel 4:15, eerste lid, van de Awb in samenhang met artikel 4:5, eerste lid, onderdeel a, van de Awb en artikel 65 van de Wet wia.