Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-08-01
ECLI:NL:RBZWB:2025:5085
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,326 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/7289
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 augustus 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 1 oktober 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 31 mei 2024 aan belanghebbende de aanslagen watersysteemheffing ingezetenen en zuiveringsheffing woonruimten voor het jaar 2024 opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en [persoon 1] en namens de heffingsambtenaar [persoon 2] en [persoon 3] .
Feiten
2. Aan belanghebbende zijn met dagtekening 31 mei 2024 de aanslagen watersysteemheffing ingezetenen en zuiveringsheffing woonruimten opgelegd voor het belastingjaar 2024. De hoogte van de aanslag watersysteemheffing ingezetenen is € 76,03. De hoogte van de aanslag zuiveringsheffing woonruimtes is € 223,95
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of de aanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aanslagen terecht aan belanghebbende opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Overwegingen
4. Belanghebbende stelt dat hij geen ingezetene is, omdat hij als staatsburger van de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië tijdelijk in Nederland verblijft. De aanslagen zijn daarom ten onrechte aan hem opgelegd.
Watersysteemheffing
4.1.
Op grond van artikel 117 van de Waterschapswet wordt onder de naam watersysteemheffing een heffing geheven van hen die ingezetenen zijn. Onder ingezetene wordt verstaan: degene die blijkens de basisregistratie personen bij het begin van het kalenderjaar woonplaats heeft in het gebied van het watersysteem en die aldaar gebruik heeft van woonruimte.
4.2.
In de Verordening watersysteemheffing waterschap Brabantse Delta 2024 is in artikel 2, tweede lid, sub a, bepaald dat belasting wordt geheven van hen die ingezeten zijn.
4.3.
Belanghebbende stond op 1 januari 2024 ingeschreven op het adres [adres] en heeft het gebruik van de woonruimte. In hetgeen belanghebbende aanvoert ziet de rechtbank onvoldoende steun om te komen tot het oordeel dat aan het verblijf van belanghebbende op genoemd adres een andere kwalificatie toekomt dan het zijn van ingezetene. Dat belanghebbende ook het gebruik heeft van de woonruimte is niet in geschil. Dit betekent dat de aanslag watersysteemheffing terecht aan belanghebbende is opgelegd. De rechtbank verwijst in dat kader ook naar de eerdere uitspraken van deze rechtbank over eerdere jaren, in het bijzonder de uitspraken van deze rechtbank van 25 mei 2022 en de uitspraken van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 10 april 2024 in de hogerberoepsprocedures van die zaken. Al het overige dat door partijen is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
Zuiveringsheffing woonruimten
4.4.
Op grond van artikel 122d, tweede lid, van de Waterschapswet wordt ter zake van het afvoeren vanuit een woonruimte aan de zuiveringsheffing onderworpen degene die het gebruik heeft van die ruimte. Onder afvoeren wordt verstaan het brengen van stoffen op een openbaar vuilwaterriool of op een zuiveringstechnisch werk.
4.5.
Artikel 3, eerste lid, van de Verordening zuiveringsheffing waterschap Brabantse Delta 2024 bepaalt dat ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater, onder de naam zuiveringsheffing een directe belasting wordt geheven ter zake van het direct of indirect afvoeren. Belangplichtig ter zake het afvoeren vanuit een woonruimte of bedrijfsruimte is degene die het gebruik heeft van die ruimte.
4.6.
De zuiveringsheffing is dus niet afhankelijk van de vraag of iemand ingezetene is, maar of iemand gebruiker is van de woonruimte. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende gebruiker is van de woning aan de [adres] . De aanslag zuiveringsheffing is dus terecht aan belanghebbende opgelegd. Op deze plaats verwijst de rechtbank wederom naar hetgeen al is geoordeeld over eerdere jaren (zie onder 4.3 hiervoor). Al het overige dat door partijen is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
Kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht
4.7.
De heffingsambtenaar heeft ter zitting verzocht belanghebbende te veroordelen in de proceskosten die hij heeft gemaakt, omdat belanghebbende steeds dezelfde gronden, waarop al eerder is beslist, aanvoert.
4.8.
Vaststaat dat belanghebbende tegen over andere jaren aan hem opgelegde aanslagen zonder succes heeft geprocedeerd, in een aantal gevallen tot en met het instellen van beroep in cassatie. In al die procedures is belanghebbende in het ongelijk gesteld. Die omstandigheid rechtvaardigt echter niet het oordeel dat het aan de orde stellen van de rechtmatigheid van de heffing van gemeentelijke heffingen door belanghebbende moet worden gezien als kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht in de zin van artikel 8:75, lid 1, derde volzin, van de Algemene wet bestuursrecht. Ook niet als daarvoor (nagenoeg) dezelfde argumenten worden aangevoerd als in eerdere procedures. Het staat een belanghebbende in beginsel vrij om, als hij opnieuw met een aanslag wordt geconfronteerd die zijns inziens niet juist is, opnieuw te proberen het bestuursorgaan en de rechter van zijn gelijk te overtuigen. De rechtbank ziet geen aanleiding in dit geval anders te oordelen. Het verzoek om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten van de heffingsambtenaar zal daarom worden afgewezen.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de aanslag afvalstoffenheffing voor het eerste halfjaar van 2024 gehandhaafd blijft. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende zijn griffierecht niet vergoed. Ook krijgt belanghebbende geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van mr. J.T. Jonker, griffier, op 1 augustus 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst en wordt aan de partij die niet digitaal procedeert aangetekend per post verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.
Artikel 116 van de Waterschapswet en gelijkluidend artikel 1 van de Verordening watersysteemheffing waterschap Brabantse Delta 2024.
ECLI:NL:RBZWB:2022:2888 en ECLI:NL:RBZWB:2022:2889.
ECLI:NL:GHSHE:2024:1207 en ECLI:NL:GHSHE:2024:1208.
Artikel 122c, sub c, van de Waterschapswet.
Artikel 3, tweede lid, van de Verordening zuiveringsheffing waterschap Brabantse Delta 2024.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/7289
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 augustus 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 1 oktober 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 31 mei 2024 aan belanghebbende de aanslagen watersysteemheffing ingezetenen en zuiveringsheffing woonruimten voor het jaar 2024 opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en [persoon 1] en namens de heffingsambtenaar [persoon 2] en [persoon 3] .
Feiten
2. Aan belanghebbende zijn met dagtekening 31 mei 2024 de aanslagen watersysteemheffing ingezetenen en zuiveringsheffing woonruimten opgelegd voor het belastingjaar 2024. De hoogte van de aanslag watersysteemheffing ingezetenen is € 76,03. De hoogte van de aanslag zuiveringsheffing woonruimtes is € 223,95
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of de aanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aanslagen terecht aan belanghebbende opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Overwegingen
4. Belanghebbende stelt dat hij geen ingezetene is, omdat hij als staatsburger van de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië tijdelijk in Nederland verblijft. De aanslagen zijn daarom ten onrechte aan hem opgelegd.
Watersysteemheffing
4.1.
Op grond van artikel 117 van de Waterschapswet wordt onder de naam watersysteemheffing een heffing geheven van hen die ingezetenen zijn. Onder ingezetene wordt verstaan: degene die blijkens de basisregistratie personen bij het begin van het kalenderjaar woonplaats heeft in het gebied van het watersysteem en die aldaar gebruik heeft van woonruimte.
4.2.
In de Verordening watersysteemheffing waterschap Brabantse Delta 2024 is in artikel 2, tweede lid, sub a, bepaald dat belasting wordt geheven van hen die ingezeten zijn.
4.3.
Belanghebbende stond op 1 januari 2024 ingeschreven op het adres [adres] en heeft het gebruik van de woonruimte. In hetgeen belanghebbende aanvoert ziet de rechtbank onvoldoende steun om te komen tot het oordeel dat aan het verblijf van belanghebbende op genoemd adres een andere kwalificatie toekomt dan het zijn van ingezetene. Dat belanghebbende ook het gebruik heeft van de woonruimte is niet in geschil. Dit betekent dat de aanslag watersysteemheffing terecht aan belanghebbende is opgelegd. De rechtbank verwijst in dat kader ook naar de eerdere uitspraken van deze rechtbank over eerdere jaren, in het bijzonder de uitspraken van deze rechtbank van 25 mei 2022 en de uitspraken van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 10 april 2024 in de hogerberoepsprocedures van die zaken. Al het overige dat door partijen is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
Zuiveringsheffing woonruimten
4.4.
Op grond van artikel 122d, tweede lid, van de Waterschapswet wordt ter zake van het afvoeren vanuit een woonruimte aan de zuiveringsheffing onderworpen degene die het gebruik heeft van die ruimte. Onder afvoeren wordt verstaan het brengen van stoffen op een openbaar vuilwaterriool of op een zuiveringstechnisch werk.
4.5.
Artikel 3, eerste lid, van de Verordening zuiveringsheffing waterschap Brabantse Delta 2024 bepaalt dat ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater, onder de naam zuiveringsheffing een directe belasting wordt geheven ter zake van het direct of indirect afvoeren. Belangplichtig ter zake het afvoeren vanuit een woonruimte of bedrijfsruimte is degene die het gebruik heeft van die ruimte.
4.6.
De zuiveringsheffing is dus niet afhankelijk van de vraag of iemand ingezetene is, maar of iemand gebruiker is van de woonruimte. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende gebruiker is van de woning aan de [adres] . De aanslag zuiveringsheffing is dus terecht aan belanghebbende opgelegd. Op deze plaats verwijst de rechtbank wederom naar hetgeen al is geoordeeld over eerdere jaren (zie onder 4.3 hiervoor). Al het overige dat door partijen is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
Kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht
4.7.
De heffingsambtenaar heeft ter zitting verzocht belanghebbende te veroordelen in de proceskosten die hij heeft gemaakt, omdat belanghebbende steeds dezelfde gronden, waarop al eerder is beslist, aanvoert.
4.8.
Vaststaat dat belanghebbende tegen over andere jaren aan hem opgelegde aanslagen zonder succes heeft geprocedeerd, in een aantal gevallen tot en met het instellen van beroep in cassatie. In al die procedures is belanghebbende in het ongelijk gesteld. Die omstandigheid rechtvaardigt echter niet het oordeel dat het aan de orde stellen van de rechtmatigheid van de heffing van gemeentelijke heffingen door belanghebbende moet worden gezien als kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht in de zin van artikel 8:75, lid 1, derde volzin, van de Algemene wet bestuursrecht. Ook niet als daarvoor (nagenoeg) dezelfde argumenten worden aangevoerd als in eerdere procedures. Het staat een belanghebbende in beginsel vrij om, als hij opnieuw met een aanslag wordt geconfronteerd die zijns inziens niet juist is, opnieuw te proberen het bestuursorgaan en de rechter van zijn gelijk te overtuigen. De rechtbank ziet geen aanleiding in dit geval anders te oordelen. Het verzoek om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten van de heffingsambtenaar zal daarom worden afgewezen.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de aanslag afvalstoffenheffing voor het eerste halfjaar van 2024 gehandhaafd blijft. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende zijn griffierecht niet vergoed. Ook krijgt belanghebbende geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van mr. J.T. Jonker, griffier, op 1 augustus 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst en wordt aan de partij die niet digitaal procedeert aangetekend per post verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.
Artikel 116 van de Waterschapswet en gelijkluidend artikel 1 van de Verordening watersysteemheffing waterschap Brabantse Delta 2024.
ECLI:NL:RBZWB:2022:2888 en ECLI:NL:RBZWB:2022:2889.
ECLI:NL:GHSHE:2024:1207 en ECLI:NL:GHSHE:2024:1208.
Artikel 122c, sub c, van de Waterschapswet.
Artikel 3, tweede lid, van de Verordening zuiveringsheffing waterschap Brabantse Delta 2024.